Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3755

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
20-003150-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Voetbalgeweld tegen een scheidsrechter. Het geven van een 'bodycheck' valt onder het begrip 'mishandeling' in de zin van art. 300 van het Wetboek van Strafrecht, nu dat in casu een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweeg heeft gebracht.

Veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. Toewijzing vordering benadeelde partij met oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003150-16

Uitspraak : 29 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 13 oktober 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-065241-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorte-eiland] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 februari 2015 te Brunssum, [slachtoffer/benadeelde partij] heeft mishandeld door met zijn borst (hard) tegen het lichaam van die [slachtoffer/benadeelde partij] te botsen en/of te beuken en/of hem meerdere keren, althans een keer, (met tot vuist gebalde hand(en)) (in diens gezicht) te slaan en/of te stompen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 februari 2015 te Brunssum, [slachtoffer/benadeelde partij] heeft mishandeld door

met zijn borst hard tegen het lichaam van die [slachtoffer/benadeelde partij] te botsen en/of te beuken en

hem in diens gezicht te slaan en/of te stompen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd. De tenlastelegging ziet op twee gedragingen: enerzijds een zogenaamde ‘bodycheck’ en anderzijds een klap in het gezicht. Ten aanzien van de bodycheck heeft aangever [slachtoffer/benadeelde partij] ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij daarvan geen pijn heeft ondervonden. Zoals de politierechter heeft geoordeeld kan van een mishandeling ter zake daarom geen sprake zijn. Met betrekking tot de vermeende klap in het gezicht is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte en de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] allen hebben verklaard dat de klap jegens aangever niet raak was. [getuige 3] en [getuige 5] stonden in de nabijheid van de verdachte op het veld. Mocht er wel zijn geslagen, dan hadden deze getuigen dat zeker moeten hebben gezien. Voorts kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat sprake is van enig letsel bij aangever. De foto van het gezicht die zich in het dossier bevindt, is daartoe onvoldoende ondersteunend. [verbalisant] heeft pas enkele uren na het incident een zwelling en een rode verkleuring op het gezicht van aangever waargenomen, terwijl kort na de wedstrijd in de bestuurskamer van voetbalvereniging De Leeuw door voorzitter [getuige 1] geen letsel bij hem is geconstateerd. Nu er gelet op het voorgaande genoeg twijfel is over de feitelijke toedracht van de vermeende gegeven klap, kan het ten laste gelegde naar de mening van de verdediging niet worden bewezen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet niet alleen worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn en het opzettelijk benadelen van de gezondheid van een ander, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij aangever [slachtoffer/benadeelde partij] heeft mishandeld door het verrichten van bepaalde gedragingen. Niet is ten laste gelegd dat [slachtoffer/benadeelde partij] daardoor pijn heeft ondervonden of letsel heeft bekomen. Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte met veel kracht met zijn borst tegen het lichaam van aangever [slachtoffer/benadeelde partij] botste c.q. beukte. In dat verband heeft aangever verklaard dat hij schrok van de klap, achteruit deinsde en zich schrap zette. Mede gelet op de omstandigheid dat deze ‘bodycheck’ met veel kracht gepaard ging, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte daardoor bij aangever een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweeg heeft gebracht. Het geven van een bodycheck als in casu levert daarom – nu niet is gebleken van een van toepassing zijnde rechtvaardigingsgrond – mishandeling op in de zin der wet. Het dienaangaande tot vrijspraak strekkende verweer wordt mitsdien verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts naar voren gekomen dat aangever [slachtoffer/benadeelde partij] en de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] hebben verklaard dat de verdachte, zijnde een speler van FC Kerkrade-West, aan scheidsrechter [slachtoffer/benadeelde partij] een klap heeft uitgedeeld die – ondanks een poging tot ontwijking – toch raak was. [slachtoffer/benadeelde partij] en [getuige 7] hebben verklaard dat deze klap op de linkerwang terecht kwam en [slachtoffer/benadeelde partij] heeft verklaard dat de klap pijn deed.

Het hof stelt vast dat zich in het dossier ook verklaringen bevinden van vijf getuigen die zeggen wel een slaande beweging te hebben gezien, maar dat daarmee niemand werd geraakt, alsmede van twee getuigen die zelfs helemaal geen slaande beweging hebben gezien. Voor zes van die in totaal zeven verklaringen geldt dat deze zijn afgelegd door club- en/of teamgenoten van de verdachte. Het hof heeft om die reden de nodige behoedzaamheid in acht genomen bij de waardering van die andersluidende verklaringen.

Het hof heeft voorts vastgesteld dat eerder genoemde [getuige 6] en [getuige 7] juist niet tot een van de twee voetbalclubs behoorden en dat hun waarneming, evenals de verklaring van aangever, bevestiging vinden in de waarneming van [verbalisant] , inhoudende dat aangever [slachtoffer/benadeelde partij] aan de linkerzijde van het gezicht, ter hoogte van het jukbeen, een zwelling en rode verkleuring had. Ook had [verbalisant] aan de linkerbinnenzijde van de wang een kleine verwonding gezien.

Resumerend is het hof van oordeel dat de aangifte in voldoende mate steun vindt in de objectieve getuigenverklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] alsmede in de waarneming van het letsel door [verbalisant] . De omstandigheid dat het letsel enige uren na het incident is waargenomen, maakt dat niet anders. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een zwelling en/of verkleuring pas na verloop van enige tijd zichtbaar kan worden.

Aldus acht het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever [slachtoffer/benadeelde partij] in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt. Bijgevolg verwerpt het hof tevens het verweer van de verdediging voor zover dat betrekking heeft op de ten laste gelegde klap.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van een scheidsrechter. Tijdens een voetbalwedstrijd tussen VV De Leeuw uit Brunssum en FC Kerkrade-West trad het slachtoffer op als scheidsrechter. Nadat de verdachte een speler van VV De Leeuw had getackeld, kreeg de verdachte van de scheidsrechter voor deze overtreding een gele kaart. Vervolgens liep de verdachte naar de scheidsrechter toe en gaf hem een bodycheck. Daarop besloot de scheidsrechter een rode kaart uit te delen, maar voordat de mogelijkheid daartoe zich aandiende, gaf de verdachte hem een vuistslag in het gezicht. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het behoeft geen betoog dat dergelijk gedrag volstrekt verwerpelijk is, temeer nu het voetbalveld bij uitstek een plaats moet zijn waar op sportieve wijze met elkaar wordt omgegaan.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 juni 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat in de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis, de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt, mede ook omdat er thans meer geweldshandelingen dan in eerste aanleg bewezen zijn verklaard.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij]

De benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 261,11 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering tot materiële schadevergoeding ad € 11,11 valt uiteen in een bedrag van € 5,15 aan reiskosten voor het doen van aangifte (post I) en een bedrag van € 5,96 aan reiskosten voor een bezoek aan slachtofferhulp (post II). De vordering tot immateriële schade behelst een bedrag van

€ 250,00 aan smartengeld (post III).

De politierechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 255,15, bestaande uit een bedrag van € 5,15 aan materiële schadevergoeding en € 250,00 aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

22 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De politierechter heeft verzuimd een beslissing te nemen op de vordering, voor zover die betrekking heeft op post II. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft in hoger beroep de vordering niet inhoudelijk betwist.

Nu het hof uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte materiële en immateriële schade heeft geleden en de vordering niet inhoudelijk is betwist, ligt het gevorderde bedrag ad € 261,11 aan materiële en immateriële schadevergoeding voor integrale toewijzing gereed.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De wettelijke rente over post I (reiskosten voor het doen van aangifte) en post III (smartengeld) zal worden toegewezen vanaf 22 februari 2015, zijnde de datum delict en de dag waarop aangifte is gedaan. De wettelijke rente over post II (reiskosten voor een bezoek aan slachtofferhulp) zal worden toegewezen met ingang van 2 maart 2016, zijnde de dag waarop het bezoek is afgelegd.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer/benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 261,11. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 261,11, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 261,11 (zegge: tweehonderdeenenzestig euro en elf cent) bestaande uit € 11,11 (zegge: elf euro en elf cent) aan materiële schadevergoeding en € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente over een bedrag van € 5,15 met ingang van 22 februari 2015 en over een bedrag van € 5,96 met ingang van 2 maart 2016, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer/benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 261,11 (zegge: tweehonderdeenenzestig euro en elf cent) bestaande uit € 11,11 (zegge: elf euro en elf cent) aan materiële schadevergoeding en € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente over een bedrag van € 5,15 met ingang van 22 februari 2015 en over een bedrag van € 5,96 met ingang van 2 maart 2016, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 29 augustus 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.