Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3754

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
20-000280-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van een winkeldiefstal in vereniging tot een geldboete van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis. Hoofdelijke gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft onder meer vergoeding van omzetderving gevorderd. Causaliteitsverweer verworpen.

Het hof is van oordeel dat zonder het plegen van de winkeldiefstal de gestelde vermogensschade in de vorm van gederfde winst en reparatie- en schoonmaakkosten niet zou zijn ingetreden. De schade staat immers in een zodanig verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de verdachte als schuldenaar berust (de bewezenverklaarde winkeldiefstal) dat deze schade hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Dat door de gepleegde winkeldiefstal schade door winstderving is opgetreden, ligt voor de hand. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden verondersteld dat de aanwezigheid van politie ter aanhouding van een verdachte, een omstandigheid is die (potentiële) clientèle afschrikt, waardoor logischerwijs minder goederen worden verkocht.

Met betrekking tot de gevorderde omzetderving overweegt het hof dat ingevolge artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek voor (de begroting van) de schade niet de omzetderving, maar de gederfde winst bepalend is. Voor vergoeding komt niet de omzet in aanmerking die de benadeelde partij had kunnen maken, maar de winst waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij die werkelijk zou hebben gemaakt als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet had voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000280-17

Uitspraak : 29 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 16 januari 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-191962-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

in het buitenland wonende te [woonadres buitenland] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 31 mei 2017 heeft de voorzitter van het gerechtshof bevolen dat in het belang van een goede rechtsbedeling de onderhavige verlofzaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot betaling van een geldboete van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft daarnaast geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 september 2016 te Oosterhout, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer jassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [winkel benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 september 2016 te Oosterhout, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen jassen, toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [winkel benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Baronie, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, registratienummer PL2000-2016247927 Z, afgesloten d.d. 23 september 2016, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-55.

1.

Een proces-verbaal van aangifte, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 17 september 2016, dossierpagina’s 4-5, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van aangever [aangever/schoenmaker] :

Op zaterdag 17 september 2016, omstreeks 15.15 uur, was ik aan het werk in mijn winkel [naam schoenmaker] , gelegen aan de [adres schoenmaker] te Oosterhout. Ik was een klant aan het helpen en ik zag in mijn ooghoek dat er twee mannen buiten mijn winkel aan kwamen lopen.

(…)

Ik zag dat ze allebei een grote AH-tas bij zich hadden. Ik zag dat ze allebei bleven hangen bij het rek met riemen buiten mijn winkel. Ik zag dat de een heen en weer liep en dat de andere verdachte achter hem bleef hangen. Ik zag, terwijl ik de klant aan het helpen was, dat een van de mannen naar mij toe kwam en mijn aandacht begon te trekken door vragen te stellen over de riem die hij vast had. Ik zag dat de man ongeveer 1,75 meter tot 1,80 meter groot was, stevig maar niet te dik was, kort gemillimeterd haar had en gebroken Engels met een Oost-Europees accent sprak [het hof begrijpt op grond van de na te melden signalementen: verdachte [verdachte] ]. Hierna liep de man naar buiten en hing de riem weg. Ik zag dat de mannen het winkelcentrum in liepen.
(…)

Ik zag op de camerabeelden duidelijk dat de man die buiten bij het rek stond bleef staan en een riem oprolde en deze in zijn linkerbroekzak stak. Toen ben ik achter de mannen aan gelopen en heb de bewaking gebeld. Ik kreeg [bewakingsmedewerker] van de bewaking in het winkelcentrum aan de telefoon en ik hoorde hem zeggen dat hij de twee mannen al staande had gehouden bij de winkel ‘ [winkel benadeelde partij] ’.

(…)
Ik vroeg de man die ik op de camera de riem had zien stelen of hij de persoon was op een foto die ik had van de camerabeelden. Hierop haalde hij de riem uit zijn broekzak en wilde me de riem teruggeven.

2.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] , d.d. 17 september 2016, dossierpagina 6, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant:

Vandaag, 17 september 2016, was ik belast met de incidentenafhandeling in de politieregio Markdal.

(…)

Omstreeks 15.45 uur kregen wij het verzoek van het operationeel centrum te Tilburg om naar [adres kledingwinkel benadeelde partij] te Oosterhout te gaan. Aldaar waren twee winkeldieven aangehouden.

Omstreeks 16.00 uur kwamen wij ter plaatse.

(…)

Ik werd aangesproken door de heer [benadeelde partij] .

(…)

Hij vertelde twee Poolse mannen te hebben aangehouden voor winkeldiefstal.

(…)

Ik zag dat een van de Poolse mannen, gekleed in een blauw t-shirt, rustig was. Deze verdachte bleek na controle genaamd [medeverdachte] .

(…)

Ik zag dat de andere Poolse man, gekleed in een zwart jacket, zich onrustig door de winkel bewoog. Deze verdachte bleek na controle genaamd [verdachte] . Ik zag dat verdachte [verdachte] naar een kleedhok in de winkel liep. Ik hoorde [benadeelde partij] zeggen dat er in het kleedhok een geprepareerde Albert Heijn-tas lag welke de verdachten hadden gebruikt. Ik hoorde [benadeelde partij] zeggen dat ze het geprepareerde deel geprobeerd hadden kapot te maken. Ik hoorde [benadeelde partij] zeggen dat verdachte [verdachte] zelfs aluminiumfolie geprobeerd had op te eten. De Albert Heijn-tas zag ik vervolgens in het kleedhok liggen. Ik zag dat er naast de tas aluminiumfolie lag.

3.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 19 september 2016, dossierpagina 8, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant:

Op maandag 19 september 2016 ontving ik de camerabeelden van de winkeldiefstal welke op zaterdag 17 september 2016 werd gepleegd door verdachten [medeverdachte] en [verdachte] [het hof begrijpt: het incident bij [naam schoenmaker] ]. [medeverdachte] was onder meer gekleed in een knielange broek en blauw t-shirt met korte mouwen. Hij droeg over zijn linkerschouder een Albert Heijn-bigshopper. Opvallend is te zien dat de tas kennelijk niet is gevuld met een bepaald gewicht. Echter, aan de bolling van de tas is te zien dat deze voorzien is van een bepaalde vulling.

(…)

Verdachte [verdachte] was onder meer gekleed in een donkerkleurig vast/trainingsjack en droeg een lange broek. Deze verdachte droeg in zijn linkerhand een plastic tas van de Albert Heijn. Opvallend is te zien dat deze tas kennelijk niet is gevuld, echter aan de contouren is te zien dat de tas voorzien is van een bepaalde vulling.

(…)

Tijdstip aanvang camerabeelden: 14.10 uur [het hof begrijpt, gelet op de overige tijden in de gebezigde bewijsmiddelen, dat de tijdsaanduiding één uur achterloopt op de realiteit, zodat het daadwerkelijke tijdstip waarop de beelden aanvangen 15.10 uur is].

(…)

[medeverdachte] blijft de gehele tijd bij het rek bij de ingang van de winkel staan. [verdachte] pakt nonchalant een riem uit het rek en loopt hiermee richting de ingang van de winkel. [medeverdachte] pakt vervolgens een riem vast, welke met de gesp nog aan het rek hangt. Hij rolt de riem op, van onder naar boven. Vervolgens pakt hij de opgerolde riem in zijn hand en stopt deze in zijn linkerbroekzak. [medeverdachte] houdt vervolgens zijn linkerhand in zijn broekzak. Op het moment dat hij voornoemde handelingen verricht is op de camerabeelden door mij te zien dat hij om zich heen kijkt en zijn omgeving in de gaten houdt. Het volgende moment maakt hij met zijn rechterhand een gebaar richting zijn gezicht. De verdachte [verdachte] komt vervolgens richting [medeverdachte] en hangt de riem welke hij de winkel in nam terug in het rek. Beide personen verlaten om 14.11 uur de winkel [het hof begrijpt, gelet op de overige tijden in de gebezigde bewijsmiddelen, dat de tijdsaanduiding één uur achterloopt op de realiteit, zodat het daadwerkelijke tijdstip waarop beiden de winkel verlaten 15.11 uur is]. Even later worden zij aangehouden in ‘ [winkel benadeelde partij] ’ te Oosterhout.

4.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 19 september 2016, dossierpagina 10, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant:

De winkeleigenaar van ‘ [winkel benadeelde partij] ’ gaf aan dat beide verdachten ieder een Albert Heijn-tas bij zich hadden. De [medeverdachte] had de geprepareerde big shopper bij zich. De verdachte [verdachte] had een geprepareerde plastic tas van de Albert Heijn bij zich.

(…)

[getuige 1] verklaarde dat de mannen bezig waren met het verwijderen van de aluminiumfolie en dat men trachtte de folie op te eten.

5.

Een proces-verbaal van aangifte, opgesteld door verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 17 september 2016, dossierpagina’s 11-12, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van aangever [benadeelde partij] :

Ik ben eigenaar van ‘ [winkel benadeelde partij] ’, gevestigd aan de [adres kledingwinkel benadeelde partij] te Oosterhout. Ik was vandaag, 17 september 2016, alleen op de zaak. Omstreeks 15.15 uur was het best druk. (…)

Ik was met klanten bezig toen twee man mij waren opgevallen. Ik zag twee mannen, zij spraken in een buitenlandse taal met elkaar. Gezien het uiterlijk en de taal dacht ik dat het Polen waren. Ik kan ze als volgt omschrijven:

Man 1: (…) kort gemillimeterd haar, blauw t-shirt, had een big shopper bij zich van Albert Heijn [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ].

Man 2: (…) dikke buik, lange broek, had een plastic tas bij zich van Albert Heijn [het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ].

(…)

Plots hoorde ik een geluid wat ik kan omschrijven als dat de hangers verschoven worden op het rek, net alsof er in één keer een bundel vanaf werd gepakt. Ook hoorde ik het geluid van een tas. Ik zag dat de twee mannen halverwege in de winkel stonden bij de trainingsjasjes. Ik zag gelijk dat er bij één rek meerdere van deze jasjes weg waren. Ik zag dat [medeverdachte] de big shopper oprolde aan de bovenkant. Ik wist gelijk dat er iets gestolen was. Ik sprak ze aan, met name [medeverdachte] , en vroeg aan hem of ik in de big shopper mocht kijken. Dit werd geweigerd. [verdachte] liet wel zijn tas zien.

(…)
Uiteindelijk deed [medeverdachte] zijn tas open en bood toen aan de ontvreemde jasjes terug te geven.

(…)

De big shopper was van binnen geprepareerd met aluminiumfolie.

(…)

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

6.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 19 september 2016, dossierpagina’s 14-15, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van [getuige 1] :

Ik was op zaterdag 17 september 2016 rond 15.20 uur getuige van een winkeldiefstal. Ik was in de winkel ‘ [winkel benadeelde partij] ’.

(…)

Ik zag dat twee heren die blijkbaar al eventjes in de winkel waren (ze stonden in een hoekje van de winkel) tussen twee winkelrekken in stonden. Het zag er apart uit. Ik zag dat ze spulletjes uit een tas haalde. Ze waren al betrapt op winkeldiefstal door de winkeleigenaar.

(…)

Ze waren bezig om te verdonkeremanen, om alle bewijsmateralen weg te moffelen. Ik zag dat ze een volledige geprepareerde tas uit de tas haalde waarin de spullen waren gestopt. Ze waren zilverfolie er uit aan het halen. Twee tassen waren in elkaar geplakt.

(…)

Ik zag dat de man de spullen weg wilde hangen in de winkel [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ]. Het waren vesten.

(…)

Ik zag dat de man op en neer liep naar het pashokje [het hof begrijpt op grond van de verklaring van aangever [benadeelde partij] en het relaas van [verbalisant 3] : verdachte [verdachte] ].

(…)

De man die de spullen terug wilde hangen was de man met het blauwe shirt. De man met het trainingsvest was in de winkel zenuwachtig bezig met zijn telefoon.

7.

Een kennisgeving van inbeslagneming ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, opgesteld door rapporteurs [verbalisant 6] en [verbalisant 1] , d.d. 17 september 2016, inhoudende dat onder medeverdachte [medeverdachte] een kniptang in beslag is genomen, welke kniptang in de linkerachterbroekzak van [medeverdachte] werd aangetroffen.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Juist de medeverdachte, die beschikte over een geprepareerde tas, heeft wegneemhandelingen verricht. Van een voldoende substantiële bijdrage van de verdachte aan de diefstal is niet gebleken. Onder hem is ook geen geprepareerde tas in beslag genomen, die kan duiden op de betrokkenheid bij de diefstal. Op grond van het procesdossier kan derhalve niet worden vastgesteld dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte, noch dat hij als zelfstandig pleger van de winkeldiefstal kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen blijkt van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte en diens [medeverdachte] bevonden zich samen op 17 september 2016 nabij winkelcentrum het Arendshof te Oosterhout. Beiden hadden een tas van Albert Heijn bij zich. Beide tassen waren geprepareerd. Daarnaast had medeverdachte [medeverdachte] een kniptang in zijn achterzak. Omstreeks 15.10 uur zijn verdachten bij schoenmaker [naam schoenmaker] vlakbij de ingang van het winkelcentrum Arendshof. Aldaar staan de verdachte en [medeverdachte] bij een rek met riemen voor de ingang. Verdachte pakt een riem uit dit rek en loopt naar de winkelmedewerker de heer [aangever/schoenmaker] en begint hem, kennelijk ter afleiding, vragen te stellen over de riem. In de tussentijd rolt – de om zich heen kijkende – [medeverdachte] een riem op, terwijl deze nog aan de gesp aan het rek hangt. Daarna stopt hij deze riem in zijn linkerbroekzak. [medeverdachte] maakt vervolgens een gebaar, waarna de verdachte weer terug loopt in zijn richting. Verdachte hangt daarop de riem die hij mee naar binnen had genomen terug. Vervolgens verlaten de verdachten om 15.11 uur de winkel en lopen samen het winkelcentrum in. Kort daarop, minimaal 4 en maximaal 9 minuten later, bevinden zij zich inmiddels in ‘ [winkel benadeelde partij] ’, gevestigd aan de [adres kledingwinkel benadeelde partij] . Daar staan zij samen in een hoekje van de winkel. Aangever [benadeelde partij] bemerkte op een gegeven moment dat er gerommeld werd bij een winkelrek met trainingsjacks. Hij hoorde het geluid van het verschuiven van kledinghangers op een rek, alsof er in één keer een aantal hangers van het rek werden gepakt. Bovendien hoorde hij het geluid van een tas. Vervolgens zag hij de beide verdachten bij de trainingsjassen staan. De daar ontvreemde jasjes werden uiteindelijk door aangever in de tas van [medeverdachte] aangetroffen. [getuige 1] heeft verklaard dat beide verdachten bezig waren om alle bewijsmaterialen weg te moffelen. Ze waren aluminiumfolie uit de geprepareerde tas(sen) aan het verwijderen en men trachtte de folie op te eten. De verdachte is naar het pashokje gelopen. In dat pashokje is een Albert Heijn-tas aangetroffen, met daarnaast aluminiumfolie. Onder [medeverdachte] is een kniptang aangetroffen. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat labels van kledingstukken zijn vernield.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en diens [medeverdachte] . De verdachte heeft daaraan een voldoende substantiële bijdrage geleverd. Hoewel uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk volgt hoe de jassen zijn gestolen, is het hof van oordeel dat het handelen van verdachten, zowel voor als na de diefstal, getuigt van een dusdanig gezamenlijk optreden dat het niet anders zijn dat zij de ten laste gelegde diefstal in vereniging hebben gepleegd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Allereerst hebben de verdachte en [medeverdachte] zich samen naar het winkelcentrum Arendshof te Oosterhout begeven. Zij hadden beiden een geprepareerde tas bij zich. Uit de handelwijze van verdachten bij schoenmaker [naam schoenmaker] volgt dat de verdachte de winkelier heeft afgeleid zodat [medeverdachte] de gelegenheid werd geboden om een riem te ontvreemden. Vrij kort na deze diefstal bij de schoenmaker zijn verdachten samen naar [winkel benadeelde partij] gegaan. Daar stonden zij enige tijd samen in een hoek van de winkel. Aangever [benadeelde partij] bemerkte op enig moment dat er jassen werden gestolen en hij zag beide verdachten bij dat rek met de trainingsjassen staan. Uiteindelijk bleek dat de gestolen jassen in de geprepareerde tas van [medeverdachte] zaten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten, na ontdekking van de diefstal door [benadeelde partij] , bezig waren om bewijsmaterialen weg te moffelen. Getracht werd om het aluminiumfolie uit de geprepareerde tas(sen) te verwijderen. In dat verband is de verdachte naar het kleedhokje gelopen. In dat kleedhokje is aluminiumfolie aangetroffen. Die omstandigheid sterkt het hof in de overtuiging dat de verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde diefstal.

Aldus acht het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] het ten laste gelegde heeft begaan. Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal in vereniging. Door te handelen zoals bewezen is verklaard, heeft de verdachte, samen met zijn mededader, het eigendomsrecht van de winkelier geschonden. Dergelijk handelen levert voor winkeliers veel overlast en ergernis op en hindert hen in de bedrijfsvoering. Ook de maatschappij ondervindt schade van winkeldiefstallen, doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen, uiteindelijk door consumenten worden betaald.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 juni 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Alles afwegende acht het hof, evenals de politierechter en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een geldboete ter hoogte van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis, passend en geboden. Al hetgeen namens de verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van het feit onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg als vennoot, namens de vennootschap onder firma [naam VOF] , h.o.d.n. [winkel benadeelde partij] te Oosterhout, een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van
€ 350,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 300,00 aan gederfde omzet (post I) en een bedrag van € 50,00 aan reparatie- en schoonmaakkosten (post II).

De benadeelde partij stelt dat hij door de winkeldiefstal omzet heeft misgelopen en kosten heeft moeten maken voor schoonmaak van de met aluminiumfolieresten bezaaide vloer, alsmede voor de reparatie van losgetrokken labels aan kledingstukken. Ter nadere onderbouwing van de gestelde omzetderving heeft de benadeelde partij een vergelijkingsstaat overgelegd van de (gemiddelde) omzetten tussen 15.00 en 17.00 uur op de data 3 september 2016, 17 september 2016 en 1 oktober 2016. In dat verband is voorts aangevoerd dat de winkeldiefstal plaatsvond op een druk winkelmoment en dat door de aanwezigheid van politie klandizie is afgeschrikt.

De politierechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft in hoger beroep de vordering inhoudelijk betwist. De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering. De niet-ontvankelijkverklaring zou allereerst moeten worden uitgesproken in verband met de bepleite vrijspraak. Indien het hof tot een veroordeling mocht komen, is in de kern aangevoerd dat ter zake van de gevorderde schadevergoeding voor zover deze ziet op gederfde omzet, de causaliteit met het ten laste gelegde niet kan worden vastgesteld, althans dat daartoe onvoldoende is gesteld.

Het hof overweegt als volgt.

Door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte staat vast hij een inbreuk heeft gemaakt op de vermogenspositie van de benadeelde partij, welk vermogen door de in casu overtreden rechtsnorm – de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht – wordt beschermd. Op deze wijze heeft de verdachte onrechtmatig jegens de benadeelde partij gehandeld. Deze onrechtmatige gedraging kan de strafbare verdachte voorts worden toegerekend, nu deze gedraging aan zijn schuld te wijten is.

Het hof is van oordeel dat zonder het plegen van de winkeldiefstal de gestelde vermogensschade in de vorm van gederfde winst en reparatie- en schoonmaakkosten niet zou zijn ingetreden. De schade staat immers in een zodanig verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de verdachte als schuldenaar berust (de bewezenverklaarde winkeldiefstal) dat deze schade hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Dat door de gepleegde winkeldiefstal schade door winstderving is opgetreden, ligt voor de hand. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden verondersteld dat de aanwezigheid van politie ter aanhouding van een verdachte, een omstandigheid is die (potentiële) clientèle afschrikt, waardoor logischerwijs minder goederen worden verkocht.

De verdediging heeft weliswaar als verweer aangevoerd dat de omzetderving mogelijk een andere oorzaak heeft gehad, maar heeft dat standpunt verder niet toegelicht. De benadeelde partij heeft daarentegen aan de hand van omzetgegevens op voornoemde data en tijdstippen juist inzichtelijk gemaakt dat op 17 september 2017 een bedrag van € 307,43 aan omzet is gederfd. Van een andere (mogelijke) oorzaak voor een omzetdaling dan de aanwezigheid van politie in de winkel is niet gebleken. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de verdediging de gestelde causaliteit onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Aldus faalt het dienaangaande gevoerde verweer.

Met betrekking tot de gevorderde omzetderving (post I) overweegt het hof dat ingevolge artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek voor (de begroting van) de schade niet de omzetderving, maar de gederfde winst bepalend is. Voor vergoeding komt niet de omzet in aanmerking die de benadeelde partij had kunnen maken, maar de winst waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij die werkelijk zou hebben gemaakt als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet had voorgedaan. Op grond van hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, begroot het hof deze gederfde winst in redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 50,00. Het meer of anders gevorderde zal bijgevolg worden afgewezen.

Resumerend is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade in de vorm van gederfde winst (post I) en reparatie- en schoonmaakkosten (post II) heeft geleden, waarbij de gederfde winst heeft te gelden als schade als gevolg van de onrechtmatige daad van de verdachte. Hiermee ligt een totaalbedrag van € 100,00 voor hoofdelijke toewijzing gereed. Dit toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2016, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, voorts veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, alsmede in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 100,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (zegge: honderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door:

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 29 augustus 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.