Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3711

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
200.165.931_01, 200.191.788_01 en 200.191.794_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht;

uitleg huwelijkse voorwaarden;

haviltex;

verrekening waarde woning;

verrekening banksaldi;

wettelijke rente.

Zie voorts ECLI:NL:GHSHE:2016:2843 200.165.930/01 en 200.165.931/01 07-07-2016 (Eindbeslissing) Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 24 augustus 2017

Zaaknummers: 200.165.931/01 (hb vrouw tegen bs 18 dec. 2014)

200.191.788/01 (hb man tegen bs 10 feb. 2016)

200.191.794/01 (hb vrouw tegen bs 10 feb. 2016)

Zaaknummers eerste aanleg:

C/01/272375 / FA RK 13-6699 (bs 18 dec. 2014)

C/01/272375 / FA RK 13-6699_TB4 (bs 10 feb. 2016)

in de zaak in hoger beroep (200.165.931/01) van:

[appellante (200.165.931_01)] ,

wonende te [woonplaats]

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.P. de Man,

tegen

[verweerder (200.165.931_01)] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: J.W.C. Giebels,

en in de zaak in hoger beroep (200.191.788/01) van:

[appellant (200.191.788_01)] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: J.W.C. Giebels.

tegen

[verweerster (200.191.788_01)] ,

wonende te [woonplaats]

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.P. de Man,

en in de zaak in hoger beroep (200.191.794/01) van:

[appellante (200.191.794_01)] ,

wonende te [woonplaats]

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.P. de Man,

tegen

[verweerder (200.191.794_01)] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: J.W.C. Giebels.

5 De bestreden beschikkingen

5.1.

Partijen zijn in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 18 december 2014.

5.2.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, beslist over de alimentatie, en voorts:

- [ rov. 3.6, dictum] de verdeling van de gemeenschap van inboedel vastgesteld zoals is overwogen in rechtsoverweging 2.42 van die beschikking;

- [ rov. 3.7, dictum] de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen gelast zoals is overwogen in rechtsoverweging 2.43 en 2.44 van die beschikking;

- [ rov. 3.8, dictum] de beslissing met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma aangehouden.

5.3.

Na tussenbeschikkingen van 3 april 2015 en 16 november 2015, heeft de rechtbank Oost-Brabant bij (eind)beschikking van 10 februari 2016, voor zover thans van belang:

- bepaald dat de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw de navolgende bedragen dient te betalen:

  • -

    € 43.163,- uit hoofde van art. 17 van de huwelijkse voorwaarden (finaal verrekenbeding), welk bedrag nog dient te worden gecorrigeerd met de Prijsindex Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen) vanaf 12 november 2008 tot 13 december 2013;

  • -

    € 35.140,- uit hoofde van art. 7 van de huwelijkse voorwaarden (vergoedingsrecht);

- bepaald dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man dient te betalen de helft van de op 13 december 2013 aanwezige saldi op:

  1. de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 1] ;

  2. de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 2] ;

  3. de rekening met nummer [Rabo-effectenrekeningnummer 3] ;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

5.4.

Partijen zijn ook van de eindbeschikking in hoger beroep gekomen.

5.5.

In het tegen de beschikking van de rechtbank van 18 december 2014 ingestelde hoger beroep heeft het hof een eerste beschikking gegeven op 7 juli 2016 (geadministreerd onder zaaknummer 200.165.930/01).

5.6.

In deze beschikking van 7 juli 2016 is beslist op het alimentatiegeschil van partijen.

Verder is daarbij als volgt beslist:

“3.6.1 De grieven die betrekking hebben op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de beperkte c.q. eenvoudige gemeenschappen (grief IV in principaal appel en grieven 14 t/m 20 in incidenteel appel) zullen, zoals ook met partijen ter zitting is besproken, worden aangehouden (…).”

5.7.

Het hof doet thans in het hoger beroep tegen de beschikking van 18 december 2014 (als vervolg op de uitspraak van het hof van 7 juli 2016) en in het hoger beroep tegen de beschikking van 10 februari 2016 tegelijk uitspraak.

6 Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Voor het verloop van het geding in het hoger beroep tegen de beschikking van 18 december 2014, verwijst het hof naar de hiervóór in rov. 5.5 vermelde tussenbeschikking van het hof van 7 juli 2016.

6.2.

Het verloop van het geding in hoger beroep tegen de beschikking van 10 februari 2016 is als volgt.

In de zaak met zaaknummer 200.191.788/01

6.3.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 mei 2016, heeft de man verzocht de beschikking van 10 februari 2016 te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de man uit hoofde van art. 17 van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 43.163,-- en opnieuw rechtdoende te bepalen dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man aan de vrouw niets is verschuldigd uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreffende de voormalige echtelijke woning en in het kader van de toedeling van de rechten uit de Opmaatverzekering bij Interpolis met nummer [Interpolis rekeningnummer (Opmaatverzekering)] en het saldo op de Opbouwspaarrekening bij de Rabobank met nummer [Rabo Opbouwspaarrekeningnummer] nu het aandeel van de vrouw hierin bij de verrekening uit hoofde van art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden is betrokken.

6.3.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2016, heeft de vrouw verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit hoger beroep ongegrond te verklaren.

In de zaak met zaaknummer 200.191.794/01

6.4.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 mei 2016, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 10 februari 2016 gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden de saldi van de bestaande bankrekeningen van partijen op 13 december 2014 bij helfte zullen worden verdeeld, zoals aangegeven in de rapportage van mevrouw mr. [deskundige] , aldus dat ter zake van deze verrekening en verdeling van deze saldi door de man aan de vrouw dient te worden uitgekeerd een bedrag van € 69.116,--;

2. de man aan de vrouw de helft van de overwaarde van de woning ad € 21.581,50, welk bedrag nog dient te worden gecorrigeerd met de Prijsindex Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen) vanaf 12 november 2008 tot 13 december 2013 dient te betalen;

3. de man aan de vrouw uit hoofde van art. 7 van de huwelijkse voorwaarden vastgestelde vergoedingsbedrag van € 35.140,-- dient te betalen;

4. de man over de bedragen genoemd sub 1 tot en met 3 vanaf de datum van binnenkomst van het echtscheidingsverzoek te weten 13 december 2013 de wettelijke rente verschuldigd is;

5. voor zover de RaboOpmaatverzekering met nummer [Interpolis rekeningnummer (Opmaatverzekering)] en het saldo van de Opbouwspaarrekening met nummer [Rabo Opbouwspaarrekeningnummer] niet in bovengenoemde verrekening sub 1 worden toegedeeld aan de man, de man zijn medewerking dient te geven aan de uitkering door de Rabobank aan de vrouw van de helft van de waarde van de rechten uit de RaboOpmaatverzekering per 13 december 2013.

6.4.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 juli 2016, heeft de man verzocht het hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

6.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. De Man;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Giebels.

6.6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 september 2014;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 30 juni 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 3 februari 2017;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de vrouw overgelegde pleitnotitie.

6.6.2.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van de hiernavolgende stukken met betrekking tot de banksaldi van partijen waartoe het hof partijen ter zitting in hoger beroep in de gelegenheid heeft gesteld, te weten:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 28 februari 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 1 maart 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 1 maart 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 9 maart 2017.

Het hof constateert dat aan de zijde van de vrouw de gelegenheid is genomen om te reageren op de stukken van de man, alsmede dat aan de zijde van de man stukken zijn overgelegd ter bewijslevering van zijn stelling dat hij aan de vrouw € 10.000,-- heeft geleend. Nu het hof partijen alleen in de gelegenheid heeft gesteld om gegevens te verstrekken over de hoogte van de banksaldi van partijen per peildatum 13 december 2013, zal het hof verder geen acht slaan op hetgeen partijen voor het overige nog naar voren hebben gebracht.

7 De beoordeling

7.1.

Partijen zijn op 2 juni 2000 gehuwd na het opstellen van huwelijkse voorwaarden, verleden ten overstaan van notaris mr. [notaris] te [standplaats 1] op 11 mei 2000. Gedurende het huwelijk hebben partijen deze huwelijkse voorwaarden gewijzigd, bij akte van 12 november 2008, verleden voor kandidaat-notaris mr. [kandidaat-notaris] te [standplaats 2] . Deze gewijzigde huwelijkse voorwaarden behelzen – voor zover thans van belang – een gemeenschap van inboedel met een periodiek verrekenbeding en een finaal verrekenbeding. Niet in geschil tussen partijen is dat er naast voormelde beperkte gemeenschap van inboedel nog een aantal eenvoudige gemeenschappen bestaan.

7.2.

De huwelijkse voorwaarden bepalen onder meer het volgende:

“VERGOEDINGSRECHTEN

Artikel 7

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten bate van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking, zonder vergoeding van rente, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen. De vergoeding is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

(…)

VERREKENING BIJ NET EINDE VAN HET HUWELIJK EN BIJ SCHEIDING VAN

TAFEL EN BED

Artikel 17

1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding (...) wordt tussen de echtgenoten (...)

afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd.

(…)

8.a. In geval het huwelijk eindigt door echtscheiding (...) worden niet in de verrekening betrokken:

  • -

    de goederen die door partijen ten huwelijk zijn aangebracht;

  • -

    de goederen die door de echtgenoten krachtens erfrecht of schenking zijn of zullen worden verkregen alsmede de op die verkrijgingen drukkende schulden en dc wegens die verkrijgingen geheven belastingen, zoals successie-, schenkings- en overgangsrecht;

  • -

    al hetgeen in de jaarlijkse verrekening is betrokken;

  • -

    de opbrengst van goederen die van de verrekening zijn uitgesloten;

  • -

    al hetgeen tot (de waarde van) het ondernemingsvermogen van een van beide partijen hoort alsmede hetgeen bij een staking van de onderneming daarvoor in de plaats is gekomen alsmede de waarde van de aandelen in de rechtspersoon waarvan zulk een onderneming rechtstreeks dan wel middellijk deel uitmaakt;

  • -

    de waarde van aandelen in een besloten vennootschap of andere rechtspersoon gehouden

ongeacht of in deze besloten vennootschap al dan niet een onderneming gedreven wordt;

- al hetgeen krachtens zaaksvervanging voor bovengenoemde goederen in de plaats is getreden.

8.b. In geval het huwelijk eindigt door echtscheiding (...) vindt verrekening van de waarde van de woning gelegen aan de [adres] te [postcode] [woonplaats] door de comparant sub 1 [hof: de man] met de comparante sub 2 [hof: de vrouw] plaats als volgt:

van de overwaarde van de woning komt vooreerst aan de comparant sub 1 toe een bedrag groot tweehonderdduizend euro (€ 200.000,--). Dit bedrag wordt gecorrigeerd met de Prijs index Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen) vanaf heden tot aan tijdstip verrekening. Gemeld bedrag staat tegenover de meerinbreng van de comparant sub 1 aan privémiddelen bij de aanschaf van de bouwkavel alsmede het bij voorbaat aan hem toekomende gedeelte van de waardestijging van de bouwkavel. Het daarna nog resterende gedeelte van de overwaarde komt aan ieder van partijen voor de helft toe.

Onder overwaarde wordt verstaan de waarde in het economisch verkeer van de woning met

ondergrond, tuin etcetera, minus de op dit registergoed betrekking hebbende geldschulden als

aangegaan door beide partijen gezamenlijk dan wel door een van hen in verband met de aanschaf van de grond en de (ver)bouw van deze woning.

(…)”.

7.3.

Op 13 december 2013 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij de bestreden beschikking van 18 december 2014 is daarop de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 februari 2015 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

7.4.

In de zaak met zaaknummer 200.165.931/01 heeft de vrouw – voor zover thans van belang – één grief aangevoerd tegen de beschikking van 18 december 2014 (grief 4 in principaal appel). De man heeft – voor zover thans van belang – tegen deze beschikking zeven grieven aangevoerd (de grieven 14 tot en met 20 in incidenteel appel).

7.5.

In de zaak met zaaknummer 200.191.788/01 heeft de man vier grieven gericht tegen de beschikking van 10 februari 2016.

7.6.

In de zaak met zaaknummer 200.191.794/01 heeft de vrouw vijf grieven gericht tegen de beschikking van 10 februari 2016.

Haar hoger beroep betreft ook de tussenbeschikkingen van 3 april 2015 en 16 november 2015 (beroepschrift, p. 2). Omdat de vrouw geen grieven heeft gericht tegen die beschikkingen zal zij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

7.7.

De grieven van partijen hebben alle betrekking op, kort gezegd, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (meer in het bijzonder de verrekening van de waarde van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ) en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. In het hiernavolgende zal het hof nader op de grieven van partijen ingaan.

7.8.

Verrekening van de waarde van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ingevolge artikel 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden

7.8.1.

De grieven 14 tot en met 20 in het incidenteel appel van de man tegen de beschikking van 18 december 2014, alsmede de grieven 1 tot en met 4 van de man en grief 1 van de vrouw tegen de beschikking van 10 februari 2016, zien op de verrekening van de waarde van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Het hof zal de grieven hieronder, in de rechtsoverwegingen 7.8.2 e.v., bespreken.

7.8.2.

Van belang is art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden. Voor de tekst van die bepaling verwijst het hof naar rov. 7.2 hiervóór.

Waarde in het economisch verkeer

7.8.3.

Grief 14 tot en met 17, alsmede grief 19 in het incidenteel appel van de man (in de zaak met zaaknummer 200.165.931/01), alsmede zijn grieven 1 en 2 (in de zaak met zaaknummer 200.191.788/01), houden alle, kort gezegd, in dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de woning heeft vastgesteld op het door de vrouw gestelde bedrag van € 450.000,--.

Ter toelichting op zijn grieven voert de man – samengevat – aan dat het volledige perceel waarop de woning is gebouwd een agrarische bestemming heeft. Om dicht bij zijn landbouwbedrijf woonachtig te zijn, heeft de man indertijd een vergunning bij de gemeente aangevraagd om een bedrijfswoning te bouwen op het perceel van de onderneming. De vrouw is bij deze procedure betrokken geweest en is er altijd mee bekend geweest dat de woning een bedrijfswoning betreft. Om die reden was er geen aanleiding om expliciet in de huwelijkse voorwaarden op te nemen dat de woning tegen de agrarische waarde getaxeerd dient te worden bij een eventuele echtscheiding. Nu het een bedrijfswoning betreft, wordt de waarde in het economisch verkeer overeenkomstig de bestemming vastgesteld, zodat volgens de man de waarde in het economisch verkeer gelijk is aan de agrarische waarde. De woning moet derhalve worden gewaardeerd als bedrijfswoning behorend tot een agrarisch bedrijf (aldus ook de brief aan de rechtbank van 19 januari 2015, deel uitmakende van zijn beroepschrift met zaaknummer 200.191.788/01).

Het is onbegrijpelijk dat de rechtbank de waarde van de woning heeft vastgesteld op het door de vrouw gestelde bedrag van € 450.000,--. Deze waarde is door de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd. De man heeft bij zijn verweerschrift tegen de vermeerdering van de verzoeken in eerste aanleg als bijlage 10 een taxatie van de woning van 10 juni 2013 overgelegd waaruit blijkt dat de waarde van de woning op dat moment € 305.000,-- bedroeg.

7.8.4.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Uit art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden volgt absoluut niet dat het gaat om een agrarische woning. Er staat duidelijk dat onder overwaarde wordt verstaan, de waarde in het economisch verkeer minus de op dit registergoed betrekking hebbende geldschulden. De woning van partijen is nieuw gebouwd als eigen privéwoning. Deze is zodanig gesitueerd, dat deze los van het bedrijf kan functioneren. Partijen hebben bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden de woning dan ook uitdrukkelijk als privéwoning beschouwd die volstrekt los stond van het bedrijf. Daarom is de waarderingsmaatstaf voor de woning de waarde hiervan in het economisch verkeer en niet de agrarische waarde. Ook mondeling is nimmer over een andere kwalificatie gesproken, ook niet in overleg met de notaris bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden. De grond waarop het huis staat heeft ook een apart privé sectienummer / perceel.

Om het aandeel van partijen in de overwaarde vast te stellen, kon het niet anders dan dat de rechtbank een taxateur zou benoemen, die een bindende taxatie zou doen. Het is duidelijk dat de man simpelweg geen enkele door de rechtbank benoemde taxateur wilde accepteren. De rechtbank heeft terecht vastgehouden aan de benoeming van een door haar aangewezen taxateur. Het blokkeren van de taxateurswerkzaamheden door de man dient voor zijn rekening en risico te komen. Terecht heeft de rechtbank daarom aangeknoopt bij het taxatierapport van 10 juni 2013 dat is uitgebracht door VBO-makelaar [VBO-makelaar] in opdracht van de man. Deze taxatie is tweeledig. Niet alleen met betrekking tot de woning, maar ook met betrekking tot de vergelijkingspanden. Steeds staat bij alle panden de waarde aangegeven in de kwalificatie van bedrijfswoning met vermelding dat wanneer de kwalificatie woondoeleinden er aan wordt gegeven, de prijs € 145.000,-- meer wordt. Van bedoelde woondoeleinden is hier sprake. Dit betekent voor de onderhavige woning vanaf € 305.000,-- met een bijtelling van € 145.000,-- precies € 450.000,--.

7.8.5.

Het hof overweegt als volgt.

Wat de uitleg van art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden betreft, herinnert het hof eraan, dat:

“(…) volgens vaste rechtspraak de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt aan de bewoordingen en context van de bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis, aard en uitvoering van de overeenkomst, alsmede de hoedanigheid en deskundigheid van partijen. De Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. De uitleg wordt derhalve uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval. De rechter is niet verplicht bij zijn uitleg andere dan de door partijen over en weer naar voren gebrachte gezichtspunten in zijn overwegingen te betrekken.” (Conclusie van AG Rank-Berenschot voor HR 25 februari 2011, LJN: BO7277).

Uit de stellingen van partijen over en weer volgt dat hun beider bedoeling bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden was om in geval van echtscheiding de overwaarde van de woning te verrekenen overeenkomstig het bepaalde in art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat in het kader van het vaststellen van de overwaarde, de woning moet worden gewaardeerd als zijnde een bedrijfswoning behorend tot een agrarisch bedrijf. Noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van de huwelijkse voorwaarden (de vrouw betwist voldoende gemotiveerd de stellingen die de man in dit verband inneemt) noch uit de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden, die in algemene termen spreken van “de waarde in het economische verkeer” laat zich afleiden dat partijen de bedoeling hebben gehad om bij de verrekening van de overwaarde van de woning als bedoeld in art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden, uit te gaan van de zo specifieke invulling van het begrip “economische waarde” die de man daaraan geeft (te weten, de waarde van de woning als zijnde een bedrijfswoning behorend tot een agrarisch bedrijf). Ook andere aanknopingspunten ontbreken daarvoor. Uit het geheel der omstandigheden in hun onderling verband bezien dat:

  • -

    in art. 17 lid 8 sub b verwezen wordt naar de Prijs index Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen), zonder dat daarbij is vermeld dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat het in casu zou gaan om een bedrijfswoning behorende tot een agrarisch bedrijf;

  • -

    in art. 17 lid 8 sub b alleen gesproken wordt over “de waarde in het economisch verkeer van de woning met ondergrond, tuin etcetera”, zonder dat melding gemaakt wordt van de aanwezigheid van de loods;

  • -

    partijen ter zitting in hoger beroep hebben verklaard dat er sprake is van twee aparte hypothecaire geldleningen: een met betrekking tot de woning en een ten aanzien van de loods;

  • -

    partijen – zoals ter zitting in hoger beroep is gebleken – het eens zijn over het verloop van de zijgrens tussen het perceel waarop de woning staat en het perceel waarop de loods van het boerenbedrijf staat;

het perceel waarop de woning staat, alsook het perceel waarop de loods van het boerenbedrijf staat vanuit de openbare weg ieder een eigen toegang hebben,

leidt het hof af dat de woning, zoals de vrouw heeft betoogd, moet worden beschouwd als een private woning die als zelfstandige woonruimte ten opzichte van het bedrijf kan worden gezien en die ook afzonderlijk kan worden verkocht, zodat de woning in het kader van de verrekening van de overwaarde als bedoeld in art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden overeenkomstig die (private, niet agrarische) bestemming dient te worden gewaardeerd. Dat de stroomvoorziening van de woning loopt via de loods van het boerenbedrijf, zoals ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, maakt dat niet anders, te meer daar gebleken is dat hier vooral een kostenmotief aan ten grondslag ligt en deze kosten door partijen ook werden gesplitst op basis van een schatting in privékosten en zakelijke kosten.

Voorts komt het totaalbedrag van de op de peildatum van 13 december 2013 in de woning geïnvesteerde gelden van € 441.977,-- (€ 206.837,-- aan hypothecaire geldleningen, € 200.000,-- aan investering van de man en € 35.140,-- aan investering van de vrouw, welke bedragen alle zijn geïnvesteerd ten tijde van de bouw van de woning) vrijwel overeen met de getaxeerde waarde van de woning met bestemming ‘wonen’ van € 450.000,-- en niet met de getaxeerde waarde van de woning met bestemming ‘agrarische bedrijfswoning’ van € 305.000,-- (zie het taxatierapport overgelegd door de man als bijlage 10 bij het verweerschrift tegen de vermeerdering van de verzoeken in eerste aanleg). Van een andere verklaring voor de waarde van € 305.000,--, dan de door de taxateur gebruikte waarderingsmethode, is het hof, ook niet na daartoe de man ter zitting in hoger beroep bevraagd te hebben, niet gebleken. Mitsdien falen op dit onderdeel de grieven van de man.

Gelet op het feit dat partijen ter zitting in hoger beroep het erover eens zijn dat voor de waarde van de woning uitgegaan kan worden van € 305.000,-- dan wel € 450.000,--, dit afhankelijk van de uitkomst van de beoordeling van de vraag, kort gezegd, welke waarderingsmaatstaf ter zake van de woning heeft te gelden, brengt het voorgaande met zich dat, gelijk de rechtbank, voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van een bedrag van € 450.000,--.

De in mindering op de overwaarde van de woning te strekken gelden:

A. Waarde rechten uit de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening

7.8.6.

Grief 18 en 19 in het incidenteel appel van de man (zaaknummer 200.165.931/01), alsmede grief 3 van de man (zaaknummer 200.191.788/01), keren zich tegen de beslissing van de rechtbank om de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening bij de verrekening van de woning buiten beschouwing te laten.

Ter toelichting op zijn grieven voert de man het volgende aan.

De waarde van de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening dienen in mindering te strekken op de twee hypothecaire leningen ten bedrage van € 109.837,-- en € 97.000,--. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het niet juist dat beide voorzieningen reeds waren getroffen ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden. Dit geldt wel voor de Opmaatverzekering, afgesloten bij Interpolis met polisnummer [Interpolis rekeningnummer (Opmaatverzekering)] . Uit de als bijlage 12 bij het verweerschrift van de man overgelegde polis, blijkt dat partijen deze polis zijn aangegaan met het doel de uitkering aan te wenden ter aflossing van de eigenwoningschuld. Hetzelfde geldt voor de Opbouwspaarrekening die eerst is geopend op 1 april 2011 blijkens de overeenkomst die als productie 3 bij de brief van 9 mei 2014 door de man in eerste aanleg is overgelegd. Deze overeenkomst is derhalve pas gesloten nadat de huwelijkse voorwaarden waren opgemaakt. Uit de overeenkomst blijkt dat deze wordt aangemerkt als een spaarrekening eigen woning. Het eindspaarbedrag komt overeen met de hypothecaire schuld aan de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 3] , zijnde € 97.000,--. Daar de strekking van de verzekering en spaarrekening gelijk is aan een aflossing en partijen expliciet zijn overeengekomen dat de saldi dienen te worden aangewend voor aflossing van de hypothecaire leningen, meent de man dat de waarde van de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening bij de verrekening van de waarde van de woning dienen te worden betrokken.

7.8.7.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Uitsluitend de op de woning rustende hypotheek dient in mindering op de waarde van de woning te worden gebracht. Het gaat niet aan om indirect nog allerlei andere bedragen hierop in mindering te brengen. De saldi van de Opmaatverzekering en de Opbouwspaarrekening dienen bij helfte tussen partijen te worden verdeeld en aan ieder van partijen te worden uitgekeerd. De Rabobank gaat hier ook van uit. Dat een en ander nog niet is uitgevoerd, is te wijten aan de weigering tot medewerking door de man.

7.8.8.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt allereerst vast dat partijen ter zitting in hoger beroep het erover eens zijn geworden dat de gelden die afkomstig zijn uit de Opmaatverzekering en de Opbouwverzekering gestort kunnen worden op de derdengeldrekening van het kantoor van mr. Giebels, de advocaat van de man.

Partijen zijn het echter oneens over de vraag of bij de verrekening van de waarde van de woning als bedoeld in art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden (zie voor de weergave van dit artikel rov. 7.8.2 hiervóór), de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening dienen te worden betrokken. Met inachtneming van de vaste rechtspraak dat uitleg van huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf (zie rov. 6.8.5 hiervóór), is het hof van oordeel dat de tekst van art. 17 lid 8 sub b er niet op duidt dat de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening dienen te worden betrokken bij de verrekening van de waarde van de woning. Dat de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening bestemd zouden zijn voor aflossing maakt dit nog niet anders. Evenals de rechtbank (27 november 2014, rov. 2.49) en op dezelfde gronden als de rechtbank die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, had het namelijk, waar een finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden tot uitgangspunt wordt genomen, in de rede gelegen om bij de omschrijving van het begrip “overwaarde” in de huwelijkse voorwaarden op te nemen dat de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering (die ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden naar eigen zeggen van de man al bestond) en het saldo op de Opbouwspaarrekening, dan wel meer in algemene zin de waarde/saldi van gelijksoortige bankproducten, in mindering strekken op de hypothecaire geldleningen. Mitsdien falen de grieven van de man.

B. Bedrag van € 200.000,-- vanwege meerinbreng

7.8.9.

Grief 3 van de man (zaaknummer 200.191.788/01), houdt tevens in dat de rechtbank in rov. 2.50 van de bestreden beschikking van 18 december 2014 heeft nagelaten te bepalen dat op de berekende overwaarde een bedrag van € 200.000,-- in mindering strekt, gecorrigeerd met de Prijsindex Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen) vanaf 12 november 2008 tot 13 december 2013. Dit conform art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden. Ter toelichting hierop voert de man het volgende aan.

Het is de bedoeling van partijen geweest om niet alleen de door de man geïnvesteerde privémiddelen van € 200.000,-- buiten de verrekening te houden, maar ook het daarbij behorende gedeelte van de waardestijging van de bouwkavel. Mocht de meerinbreng gecorrigeerd met de Prijsindex Bestaande Koopwoningen onverhoopt resulteren in een lagere opbrengst, dan dient deze buiten beschouwing te worden gelaten.

7.8.10.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat de rechtbank op dit punt juist heeft geoordeeld.

7.8.11.

Het hof overweegt als volgt.

De stelling van de man dat de rechtbank heeft nagelaten te beslissen dat conform art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden van de overwaarde van de woning aan de man toekomt een bedrag van € 200.000,--, te corrigeren met de Prijs index Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen), berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikkingen. Uit rov. 2.50 van de bestreden beschikking van 27 november 2014, alsmede uit rov. 2.4 van de bestreden beschikking van 10 februari 2016, blijkt immers dat de rechtbank dienaangaande wél een beslissing heeft genomen, namelijk dat op de berekende overwaarde in mindering strekt een bedrag van € 200.000,--, welk bedrag wordt gecorrigeerd met de Prijs index Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen).

Voor zover de man heeft willen betogen dat nu niet duidelijk is met welk bedrag de overwaarde vooreerst gecorrigeerd moet worden vanwege de Prijs index, is dat juist. Ook het hof kan de hoogte van de bedoelde correctie niet vaststellen. Daarover hebben partijen het hof onvoldoende ingelicht, terwijl voorts niet is gebleken dat partijen over de hoogte van deze correctie van mening verschillen.

Conclusie

7.8.12.

Uit het voorgaande volgt dat ook in hoger beroep voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van een bedrag van € 450.000,-- (zie rov. 6.8.5 hiervóór). Daarvan komt vooreerst aan de man toe een bedrag van € 200.000,-- gecorrigeerd met de Prijs index Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen) vanaf 12 november 2008 tot 13 december 2013. Op dit bedrag strekken in mindering de hypotheekschulden van € 109.837,-- en € 97.000,--. Het dan nog resterende gedeelte van de overwaarde komt aan ieder van partijen voor de helft toe: partijen zijn het erover eens zijn dat de rechtbank een vergissing heeft gemaakt door te oordelen dat de man het bedrag van de overwaarde in zijn geheel aan de vrouw dient uit te keren (zie grief 4 van de man in de zaak met zaaknummer 200.191.788/01 en grief 1 van de vrouw in de zaak met zaaknummer 200.191.794/01). Partijen zijn het erover eens dat conform art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden voormeld bedrag aan overwaarde aan ieder van partijen voor de helft toekomt.

7.9.

Banksaldi partijen

7.9.1.

Grief 2 tot en met 4 van de vrouw (in de zaak met zaaknummer 200.191.794/01) betreffen de beslissing van de rechtbank (in rov. 2.53) dat de vrouw dient te voldoen de helft van de op 13 december 2013 aanwezige saldi op háár rekening:

  1. bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 1] ;

  2. bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 2]

  3. Rabo-effectenrekening met nummer [Rabo-effectenrekeningnummer 3] .

De rechtbank gaat er daarbij, volgens de vrouw, echter ten onrechte aan voorbij dat de man ingevolge de huwelijkse voorwaarden ook de helft van zíjn banksaldi aan de vrouw dient af te dragen. Partijen mogen dan wel buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de huwelijkse voorwaarden geven in art. 17 aan, dat in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding partijen zullen verdelen als waren zij in volledige gemeenschap van goederen gehuwd. Blijkens de berekeningen van mevrouw mr. [deskundige] (productie 4 bij het beroepschrift) komt het saldo, door de man uit te keren aan de vrouw, uit op € 69.116,--, aldus de vrouw.

7.9.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. De saldi van de rekeningen en de obligaties van de man behoren tot het ondernemingsvermogen van de man. Bovendien is een deel van de saldi afkomstig van schenkingen die uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden buiten de verrekening dienen te worden gehouden.

7.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

Met de man begrijpt het hof de grieven 2 tot en met 4 van de vrouw aldus, dat zij zich op het standpunt stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de vermogensbestanddelen van de man, zoals die blijken uit het door mevrouw mr. [deskundige] opgemaakte vermogensoverzicht (bijlage 4 bij het beroepschrift van de vrouw), in de verrekening te betrekken. Het betreft de volgende vermogensbestanddelen:

  1. het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 4] ;

  2. het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 5] ;

  3. het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 6] ;

  4. het saldo op de rekening bij de ING Bank met nummer [ING-rekeningnummer] ;

  5. het saldo op de effectenrekening bij de Rabobank met nummer [Rabo effectenrekeningnummer 4] ;

  6. het saldo op de effectenrekening bij de Rabobank met nummer [Rabo effectenrekeningnummer 5] ;

  7. de waarde van de Friesland Campina Ledenobligaties.

Het hof stelt voorop dat partijen blijkens art. 17 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding tussen de echtgenoten wordt afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Slechts hetgeen door partijen in de huwelijkse voorwaarden is uitgezonderd valt daarbuiten. Het hof verwijst in dit verband naar art. 17 lid 8 sub a van de huwelijkse voorwaarden.

Met uitzondering van de rekening bij de ING Bank met nummer [ING-rekeningnummer] , heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet dan wel onvoldoende aangetoond dat zijn vermogensbestanddelen zoals hiervóór weergegeven tot (de waarde van) zijn ondernemingsvermogen behoren en derhalve niet voor verrekening in aanmerking zouden komen. Daar waar uit het door de man bij zijn brief van 1 maart 2017 als bijlage 5 overgelegde bankafschrift kan worden afgeleid dat de hiervóór vermelde ING Bankrekening een zakelijke rekening betreft, kan uit de andere door de man in het geding gebrachte stukken (onder meer die bij voormelde brief van 1 maart 2017) niet worden afgeleid dat de overige vermogensbestanddelen óók zakelijke rekeningen betreffen die tot (de waarde van) het ondernemingsvermogen van de man kunnen worden gerekend.

Dat geldt ook voor de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 6] . Anders dan de man meent, heeft de vrouw ook een grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat het saldo op die rekening tot het ondernemingsvermogen van de man behoort en daarom buiten de verrekening zal blijven. Het volgt onmiskenbaar uit de grieven van de vrouw (m.n. grief 3 beroepschrift vrouw in de zaak met nummer 200.191.794/01) dat zij het ook niet juist vindt dat voormelde rekening bij de Rabobank niet voor verrekening in aanmerking komt.

Voor zover de man zich nog op het standpunt heeft gesteld dat de rekeningen bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 6] en nummer [Raborekeningnummer 4] zijn gevoed met geschonken gelden en ingevolge het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden op die grond niet voor verrekening in aanmerking komen, is het hof van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw zijn stelling op dat punt niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op de weg van de man gelegen het verloop van beide rekeningen inzichtelijk te maken. Nu de man dit heeft nagelaten en hij dienaangaande ook geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, gaat het hof daar verder aan voorbij. Het hof gaat tot slot ook voorbij aan de stelling van de man dat de ledenobligaties van Friesland Campina behoren tot zijn ondernemingsvermogen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, heeft de man zijn stelling dat deze obligaties zijn aangekocht met ondernemingsvermogen niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Het enkele door de man in het geding gebrachte jaaroverzicht van Friesland Campina (bijlage 5 van zijn verweerschrift) biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt.

Resumerend leidt het voorgaande tot het hiernavolgende overzicht. Daarin zijn tevens opgenomen de saldi van de te verrekenen vermogensbestanddelen per de peildatum 13 december 2013, die partijen naar aanleiding van de door hen daarover ter zitting in hoger beroep gemaakte afspraak, aan het hof hebben doen toekomen. Voor zover de vrouw ter zitting in hoger beroep nog heeft betoogd dat naast de hieronder weergegeven vermogensbestanddelen van de man op de peildatum 13 december 2013 aan zijn zijde ook nog sprake zou zijn geweest van één of meer SNS-bankrekeningen, blijkt uit de door hem bij zijn brief van 28 februari 2017 in het geding gebrachte verklaring van de SNS-Bank, dat dit niet het geval was, zodat het hof daar verder aan voorbij gaat.

Vermogensbestanddelen man

13-12-2013

Vermogensbestanddelen vrouw

13-12-2013

Rabobankrekening [Raborekeningnummer 4]

€ 12.057,62

Rabobankrekening [Raborekeningnummer 2]

€ 2.758,22

Rabobankrekening [Raborekeningnummer 5]

€ 263,89

Rabobankrekening [Raborekeningnummer 1]

€ 18.053,54

Rabobankrekening [Raborekeningnummer 6]

€ 2.987,68

Rabobankeffectenrekening [Rabo-effectenrekeningnummer 3]

€ 0,--

Rabobank effectenrekening [Rabo effectenrekeningnummer 4]

€ 0,--

Rabobank effectenrekening [Rabo effectenrekeningnummer 5]

€ 4.415,--

Friesland Campina Ledenobligaties

€ 20.459,--

TOTAAL

€ 40.183,19

TOTAAL

€ 20.811,76

Uit het bovenstaande vermogensoverzicht blijkt aan de zijde van de man een totaal te verrekenen vermogen van € 40.183,19 en aan de zijde van de vrouw een totaal te verrekenen vermogen van € 20.811,76. Dit betekent dat de man aan de vrouw dient te voldoen de helft van € 40.183,19, zijnde een bedrag van € 20.091,60 en de vrouw aan de man de helft van € 20.811,76, zijnde een bedrag van € 10.405,88, hetgeen er uiteindelijk op neerkomt dat de man nog aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van (€ 20.091,60 minus € 10.405,88 =) € 9.685,72. Aldus zal het hof bepalen.

7.10.

Overige grieven met betrekking tot Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening

Premiebetaling vanaf 13 december 2013

7.10.1.

Grief 20 van de man (in de zaak met zaaknummer 200.165.931/01) houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft afgewezen het verzoek van de man om een vergoeding vast te stellen voor de helft van de betaalde en nog te betalen premie voor de Opmaatverzekering bij Interpolis en de Opbouwspaarrekening bij de Rabobank over de periode vanaf 13 december 2013 (rov. 2.60).

7.10.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Kort gezegd, stelt zij zich op het standpunt dat er niets verrekend hoeft te worden.

7.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn het erover eens dat er ten aanzien van de rechten uit de Opmaatverzekering bij Interpolis, alsmede ten aanzien van het saldo op de Opbouwspaarrekening bij de Rabobank tussen hen een eenvoudige gemeenschap bestaat, waartoe zij beiden ieder voor de helft gerechtigd zijn.

Nu zowel de te betalen premie voor de Opmaatverzekering, als de te betalen premie voor de Opbouwspaarrekening leidt tot vermogensopbouw die beide partijen voor de helft ten goede komt, dienen deze premies ieder voor de helft door partijen te worden gedragen. Voor zover de man meer dan de helft heeft betaald van de verschuldigde premies, heeft hij in zoverre regres.

Het hof zal aldus bepalen.

Waarde per 13 december 2013

7.10.4.

Grief 5 van de vrouw (in de zaak met zaaknummer 200.191.794/01) houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat aan haar de helft van de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering en de Opbouwspaarrekening per 13 december 2013 toekomt. In haar beschikking van 18 december 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw hier aanspraak op kan maken, maar in het petitum van beide beschikkingen is dit niet bepaald.

7.10.5.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Kort gezegd, is hij van mening dat de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening dient te worden betrokken bij de verrekening van de waarde van de woning. Voorts merkt de man op dat de Opmaatverzekering en de Opbouwspaarrekening inmiddels zijn beëindigd. Die waarden zijn echter nog niet uitgekeerd.

7.10.6.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het hof hiervóór in rov. 7.8.8 heeft geoordeeld dat de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering, alsmede het saldo op de Opbouwspaarrekening niet betrokken kunnen worden bij de verrekening van de waarde van de woning als bedoeld in art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden en tussen partijen verder niet in geschil is dat zij ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de waarde van de rechten uit de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening (zie rov. 7.10.3 hiervóór), brengt dat met zich dat, nu gebleken is dat zowel de Opmaatverzekering, alsook de Opbouwspaarrekening is beëindigd, de daaruit afkomstige gelden ieder voor de helft aan partijen toekomen. Onder verwijzing naar de daarover ter zitting in hoger beroep gemaakte afspraak (zie rov. 7.8.8 hiervóór), gaat het hof ervan uit dat deze gelden zich inmiddels bevinden op de derdengeldrekening van het kantoor van de advocaat van de man. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief van de vrouw slaagt.

7.11.

Wettelijke rente

7.11.1.

De vrouw heeft (in de zaak met zaaknummer 200.191.794/01) vanaf de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, zijnde 13 december 2013, verzocht tot betaling van de wettelijke rente over:

  1. het in eerste aanleg vastgestelde vergoedingsbedrag van € 35.140,-- dat de man uit hoofde van art. 7 van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw moet betalen;

  2. het uit hoofde van art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden door de man aan de vrouw te betalen bedrag ter zake van de verrekening van de waarde van de woning (zie rov. 7.8.12 hiervóór);

  3. het uit hoofde van art. 17 lid 1 en lid 5 van de huwelijkse voorwaarden door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 9.685,72 ter zake van de verrekening van de banksaldi van partijen (zie rov. 7.9.3 hiervóór).

7.11.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Ten aanzien van de wettelijke rente over het vergoedingsbedrag van € 35.140,--, merkt de man op dat in art. 7 van de huwelijkse voorwaarden de vergoeding van rente is uitgesloten. Bovendien heeft hij voormeld bedrag van € 35.140,-- reeds aan de vrouw voldaan.

Verder merkt de man op dat zolang niet vaststaat of, en zo ja welke bedragen de man is verschuldigd, er geen wettelijke rente verschuldigd kan zijn, daar hetgeen hij zou moeten betalen niet vaststaat en de man derhalve niet in gebreke kan zijn deze verplichting na te komen. Tot slot acht hij betaling van de wettelijke rente in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zolang in geschil is of, en zo ja wat de man aan de vrouw is verschuldigd, kan hem niet worden verweten dat hij niets betaalt.

7.11.3.

Het hof overweegt als volgt.

Ad a.) Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot, kort gezegd, betaling van wettelijke rente over het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag van € 35.140,-- wijst het hof af. Ingevolge art. 6:119 lid 1 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van art. 6:82 of art. 6:83 BW is voldaan (art. 6:81 BW). Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft (art. 6:82 lid 1 BW). Gesteld noch gebleken is dat de man in verzuim is komen te verkeren, hetgeen de man ook betwist. Naar eigen zeggen heeft hij voormeld bedrag van € 35.140,-- reeds aan de vrouw voldaan, hetgeen door de vrouw niet is weersproken.

Ad b. en c.) Wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is geraakt met de betaling van een schuld nadat die opeisbaar is geworden. Hoofdregel is dat voor het ontstaan en de opeisbaarheid van verrekenvorderingen moet worden gekeken naar de gesloten overeenkomst (huwelijkse voorwaarden). Voor verzuim is belangrijk of al dan niet een betalingstermijn in de overeenkomst is opgenomen die als fatale termijn in de zin van art. 6:83 aanhef en onder a BW kan worden aangemerkt. Is dat zo, dan geldt dat de schuldenaar in verzuim geraakt als betaling bij het verlopen van die termijn is uitgebleven; wettelijke rente begint dan van rechtswege te lopen (zie ook HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6591 en HR 23 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493).

In art. 17 lid 6 sub a van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat de uitkering plaats vindt in geld binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk (zijnde 6 februari 2015), tenzij partijen anders zijn overeengekomen of de eisen van redelijkheid en billijkheid anders meebrengen. Gelet hierop is de man gehouden tot het betalen van de wettelijke rente met ingang van 6 februari 2015, nu de man vanaf dat moment van rechtswege in verzuim is geraakt met de betaling van de verrekenvorderingen uit hoofde van art. 17 lid 1 en art. 17 lid 8 sub b van de huwelijkse voorwaarden. Zoals reeds in het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC6582), met een verwijzing naar eerdere rechtspraak, is overwogen doet daaraan niet af dat de omvang van de vordering op dat moment nog niet bekend is, nu een vordering ook opeisbaar kan zijn indien haar omvang nog niet is vastgesteld. Van strijd met de redelijkheid en billijkheid is dan ook geen sprake.

8 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel in de zaak met zaaknummer 200.165.931/01 en in de zaken met zaaknummers 200.191.788/01, respectievelijk 200.191.794/01:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de tussenbeschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 3 april 2015 en 16 november 2015;

vernietigt de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2014 en 10 februari 2016, doch uitsluitend voor zover daarbij:

in de beschikking van 18 december 2014:

- de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen is gelast zoals overwogen in rov. 2.43 en 2.44 van die beschikking (de rechten uit de Opmaatverzekering en het saldo op de Opbouwspaarrekening);

in de beschikking van 10 februari 2016:

  • -

    is bepaald dat de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 43.163,--, te corrigeren met de Prijsindex Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen) vanaf 12 november 2008 tot 13 december 2013;

  • -

    is bepaald dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man dient te betalen de helft van de op 13 december 2014 aanwezige saldi op:

1. de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 1] ;

2. de rekening bij de Rabobank met nummer [Raborekeningnummer 2] ;

3. de rekening met nummer [Rabo-effectenrekeningnummer 3] ;

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te voldoen:

- de helft van het resterende gedeelte van de overwaarde van de woning dat overblijft nadat van de waarde van de woning ad € 450.000,-- vooreerst aan de man is toegekomen een bedrag van € 200.000,-- gecorrigeerd met de Prijs index Bestaande Koopwoningen (regio Oost, type vrijstaande woningen) vanaf 12 november 2008 tot 13 december 2013 en de hypotheekschulden van € 109.837,-- en € 97.000,-- op het vervolgens resterende bedrag in mindering zijn gebracht (rov. 7.8.12), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2015;

- € 9.685,72 € 9.685,72 uit hoofde van art. 17 lid 1 jo lid 5 van de huwelijkse voorwaarden met betrekking tot de vermogensbestanddelen (banksaldi) van partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2015;

bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de premies ter zake van de Opmaatverzekering en Opbouwspaarrekening en bepaalt dat de man voor zover hij meer dan de helft van de premies heeft voldaan, hij voor dat meerdere regres heeft op de vrouw;

bepaalt dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de gelden afkomstig uit de Opmaatverzekering en de Opbouwverzekering;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikkingen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en

A.E. van Solinge en is op 24 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. A.C. Kaemingk, griffier.