Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3676

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
200.221.313_01 en 02; 200.216.857_01 en 02; 200.216.855_01 en 02; 200.216.858_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing;

Ondertoezichtstelling;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 22 augustus 2017

Zaaknummers:

200.216.857/01 en 200.216.857/02

200.216.858/01

200.216.855/01 en 200.216.855/02

200.221.313/01 en 200.221.313/02

Zaaknummers eerste aanleg:

C/01/312908 / JE RK 16-1341

C/01/317554 / JE RK 17-137

C/01/319759 / JE RK 17-478

C/01/324285 / JE RK 17-1159

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

hierna te noemen: de moeder,

en

[appellant] ,

hierna te noemen: de stiefvader,

appellanten,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. R.T.A.G. Keller,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] (hierna te noemen: de vader), wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. R.S. Knegtmans.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2017 met kenmerk C/01/312908 / JE RK 16-1341, de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2017 met kenmerk C/01/317554 / JE RK 17-137, de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2017 met kenmerk C/01/319759 / JE RK 17-478 en de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2017 met kenmerk C/01/324285 / JE RK 17-1159.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij (drie afzonderlijke) beroepschriften met producties, alle ter griffie van het hof ingekomen op 29 mei 2017, hebben de moeder en de stiefvader verzocht om de beschikkingen van 24 maart 2017 (C/01/312908 / JE RK 16-1341), 24 maart 2017 (C/01/317554 / JE RK 17-137) en 8 mei 2017 (C/01/319759 / JE RK 17-478) te vernietigen en de inleidende verzoeken van de GI alsnog af te wijzen.

Daarnaast hebben de moeder en de stiefvader een verzoek gedaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van 24 maart 2017 (C/01/312908 / JE RK 16-1341) en 8 mei 2017 (C/01/319759 / JE RK 17-478).

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juli 2017, heeft de GI verzocht de verzoeken in hoger beroep van de moeder en de stiefvader af te wijzen en voornoemde beschikkingen in stand te laten.

2.3.

Bij (drie afzonderlijke) verweerschriften met producties, ingekomen ter griffie op 26 juli 2017, heeft de vader verzocht de verzoeken in hoger beroep van de moeder en de stiefvader af te wijzen, althans hen niet-ontvankelijk te verklaren in die verzoeken, althans de grieven als zijnde ongegrond en onbewezen te verwerpen. Dat geldt tevens voor de verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

2.4.

De beroepen zijn ter griffie van het hof ingeschreven onder zaaknummers: 200.216.857/01 en 200.216.857/02 (beroep tegen de beschikking van 24 maart 2017 met kenmerk C/01/312908 / JE RK 16-1341 inclusief schorsingsverzoek), 200.216.858/01 (beroep tegen de beschikking van 24 maart 2017 met kenmerk C/01/317554 / JE RK 17-137) en 200.216.855/01 en 200.216.855/02 (beroep tegen de beschikking van 8 mei 2017 met kenmerk C/01/319759 / JE RK 17-478 inclusief schorsingsverzoek).

2.5.

Het beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2017 met kenmerk C/01/324285 / JE RK 17-1159 en het op die beschikking betrekking hebbende schorsingsverzoek zijn ter griffie van het hof geadministreerd onder de zaaknummers 200.221.313/01 en 200.221.313/02.

2.6.

Gelet op de samenhang tussen bovengenoemde zaken, heeft het hof de zaken gezamenlijk behandeld.

2.7.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2017 en is voortgezet op 16 augustus 2017.

2.7.1.

Op 3 augustus 2017 zijn verschenen:

- namens de moeder en de stiefvader, mr. Keller;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader, bijgestaan door mr. M.A.J.A.M. Bleijs, waarnemend voor mr. Knegtmans.

De moeder en stiefvader zijn niet verschenen.

2.7.2.

Op 16 augustus 2017 zijn verschenen:

- namens de moeder en de stiefvader, mr. Keller;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader, bijgestaan door mr. M.A.J.A.M. Bleijs, waarnemend voor mr. Knegtmans;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] ;

- mevrouw [informante] , de behandelcoördinator van Bijzonder Jeugdwerk Brabant, die als

informante is gehoord.

De moeder en de stiefvader zijn niet verschenen. Mr. Keller heeft ter zitting medegedeeld dat de moeder met de kinderen op weg is gegaan naar de zitting. Omdat de kinderen ziek zijn geworden is de moeder weer huiswaarts gereden.

De door het hof op verzoek van de GI voor deze zitting opgeroepen therapeuten zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.8.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tweemaal, voorafgaand aan beide mondelinge behandelingen, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2.9.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het faxbericht van mr. Keller d.d. 3 augustus 2017;

  • -

    het faxbericht van de GI d.d. 4 augustus 2017, met als bijlage een brief van de heer

[vertegenwoordiger van de GI] d.d. 3 augustus 2017;

  • -

    het faxbericht van mevrouw [RGT-therapeute] (RGT-therapeute) en mevrouw [regiebehandelaar RGT] (regiebehandelaar RGT), beiden verbonden aan Geestelijke Gezondheidszorg [vestigingsnaam] en de Kempen (GGzE), d.d. 14 augustus 2017;

  • -

    het faxbericht van de GI d.d. 14 augustus 2017 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2017;

  • -

    het faxbericht van mevrouw [RGT-therapeute] en mevrouw [regiebehandelaar RGT] d.d. 15 augustus 2017, eveneens ingediend door de GI op 16 augustus 2017.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader zijn geregistreerd partners geweest. Dit geregistreerd partnerschap is omstreeks 2007 geëindigd.

De moeder en de vader zijn ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ).

3.2.

Beide ouders zijn belast met het gezag over de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Zij vormen een gezin met de stiefvader.

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 9 oktober 2014 onder toezicht van (de rechtsvoorganger van) de GI.

3.4.1.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 24 maart 2017 (met kenmerk C/01/312908 / JE RK 16-1341) heeft de rechtbank op verzoek van de GI machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder van de vader, met ingang van 24 maart 2017 voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 9 april 2017.

3.4.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 24 maart 2017 (met kenmerk C/01/317554 / JE RK 17-137) heeft de rechtbank op verzoek van de GI de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 9 april 2017 voor de duur van een jaar, dus tot 9 april 2018. Tevens heeft de rechtbank bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder van de vader verlengd, en wel met ingang van 9 april 2017 voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot uiterlijk 9 april 2018. Gelet op het bepaalde in artikel 1:265c lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) is deze machtiging komen te vervallen doordat deze niet na verloop van drie maanden ten uitvoer is gelegd.

3.4.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 8 mei 2017 heeft de rechtbank op verzoek van de GI de op 24 maart 2017 in de zaak met nummer C/01/317554 / JE RK 17-137 verleende verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aangevuld in die zin dat ook machtiging is verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 8 mei 2017 tot uiterlijk 9 april 2018. Ook deze machtiging is gelet op het bepaalde in artikel 1:265c lid 3 BW komen te vervallen doordat deze niet na verloop van drie maanden ten uitvoer is gelegd.

3.4.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van de rechtbank van 9 augustus 2017 (met kenmerk C/01/324285/JE RK 17-1159) is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 augustus 2017 voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot uiterlijk 9 april 2018.

3.5.

De bij beschikking van 9 augustus 2017 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is tot op heden niet ten uitvoer gelegd.

3.6.

De moeder en de stiefvader kunnen zich met voornoemde beschikkingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder en de stiefvader het hoger beroep tegen de beschikking van 24 maart 2017 (met kenmerk C/01/312908 / JE RK 16-1341) en het hoger beroep tegen de beschikking van 8 mei 2017 (met kenmerk C/01/319759 / JE RK 17-478) - alle betrekking hebbende op de uithuisplaatsing - inclusief de schorsingsverzoeken ingetrokken, als ook het hoger beroep tegen de beschikking van 24 maart 2017 (met kenmerk C/01/317554/JE RK 17-137) voor zover deze beschikking betrekking heeft op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder van de vader tot uiterlijk 9 april 2018. Het hof zal daarom de moeder en de stiefvader in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoeken in hoger beroep. De intrekkingen hebben een praktische achtergrond; het is niet zo dat er van de zijde van de moeder en de stiefvader geen bezwaren tegen de getroffen maatregelen meer bestaan. Ter zitting van het hof is met alle betrokkenen de afspraak gemaakt dat de grieven van de moeder en de stiefvader zoals vervat in hun beroepschriften in voormelde zaken en voor zover gericht tegen de uithuisplaatsing, worden geacht te zijn gericht tegen de beschikking van 9 augustus 2017 (met kenmerk C/01/324285/JE RK 17-1159).

3.8.

Actueel blijven de verzoeken in hoger beroep met betrekking tot de beschikking van 24 maart 2017 (met kenmerk C/01/317554 / JE RK 17-137) inzake de verlenging van de ondertoezichtstelling en die van 9 augustus 2017 (met kenmerk C/01/324285 / JE RK 17-1159) inzake de uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (inclusief het op de laatstgenoemde beschikking betrekking hebbende schorsingsverzoek) en de daarop betrekking hebbende verweren van de GI en de vader.

3.9.

De moeder en de stiefvader hebben in de beroepschriften - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen aangenomen en heeft de ondertoezichtstelling ten onrechte verlengd. De ondertoezichtstelling heeft het karakter van een omgangsondertoezichtstelling. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het laten voortbestaan van de situatie identiteitsproblemen bij de kinderen zal opleveren en dat het ultimum remedium van de uithuisplaatsing, ook als dat een uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder betreft, onvermijdelijk is. De rechtbank heeft ten onrechte om die reden de machtiging uithuisplaatsing verleend. Het opleggen van druk en het weghalen van de kinderen uit hun vertrouwde omgeving verslechtert de situatie alleen maar. Het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op family life komt door een uithuisplaatsing in het gedrang.

3.10.

De GI en de vader concluderen in hun verweerschriften beiden tot bekrachtiging van de bestreden beschikkingen. Het door de GI en de vader gevoerde verweer zal het hof - voor zover nodig - hieronder bespreken.

3.11.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken blijkt dat de kinderen reeds sinds 9 oktober 2014 onder toezicht staan. Door de rechtbank is een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen geconstateerd op het gebied van gehechtheidsrelaties en identiteitsontwikkeling, veroorzaakt doordat zij geen contact met hun vader willen en in het wel aangaan van dat contact onvoldoende steun van hun moeder ontvangen.

Uit de beschikking van 27 februari 2017 blijkt dat er enkele contactmomenten zijn geweest tussen de vader en de kinderen en dat blijkens het verslag van het verloop daarvan de kinderen geen contact (meer) willen. Uit die beschikking blijkt tevens dat de aan de GGzE verbonden RGT-therapeute, mevrouw [RGT-therapeute] , ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat bij de kinderen sprake is van onwil om contact met hun vader te hebben. De rechtbank overweegt vervolgens dat de moeder, ook na ruim drie jaar, nog steeds niet in staat is te laten zien dat zij achter het contact van de kinderen met de vader staat. Zij heeft het feit dat de kinderen zich afkeren van de vader goedgevonden en versterkt. Uit de stukken blijkt voorts dat de moeder in die fase weigert om met de vader in één kamer te zitten om de situatie te bespreken en dat zij afhaakt als haar (opnieuw) gevraagd wordt om samen met de vader te laten zien dat contact van groot belang is voor de kinderen. De kinderen bepalen wat er gebeurt en dat is niet goed, aldus de rechtbank. De moeder had die zelfbepalende rol van de kinderen moeten doorbreken. Volgens de rechtbank kan het, hoe ingrijpend dat ook is, aangewezen zijn om de kinderen tijdelijk uit huis te plaatsen om hen de kans te bieden om vanuit een andere omgeving onbelast contact met beide ouders op te bouwen. Mede vanwege het ingrijpende karakter van een uithuisplaatsing moet vaststaan dat de kinderen worden geplaatst op een plek die waarborgen biedt dat zij niet opnieuw worden belast. Uiteindelijk wordt bij beschikking van 24 maart 2017 machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder van de vader verleend.

De rechtbank overweegt in de beschikking van 8 mei 2017 dat in de beschikking van 24 maart 2017 - onder verwijzing naar de beschikking van 27 februari 2017 - is overwogen dat het laten voortduren van de bestaande situatie naar de stellige verwachting van de rechtbank identiteitsproblemen bij de kinderen gaat opleveren. Dat is zo schadelijk dat een uithuisplaatsing, hoe ingrijpend deze voor alle betrokkenen ook is, onvermijdelijk is geworden. Voorts stelt de rechtbank in de beschikking van 8 mei 2017 vast dat het na 24 maart 2017 een en andermaal niet is gelukt om de kinderen daadwerkelijk bij oma vaderszijde te plaatsen. Dat heeft alles te maken met de weerstand die er bij de kinderen en de moeder is tegen een uithuisplaatsing. Die aanhoudende weerstand betekent volgens de rechtbank evenwel niet dat het voorliggende verzoek dient te worden afgewezen. De rechtbank onderschrijft nog steeds de overwegingen in de beschikking van 24 maart 2017. Om die reden is het ultimum remedium van de uithuisplaatsing, ook als dat een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder betreft, onvermijdelijk, aldus de rechtbank.

In de bestreden beschikking van 9 augustus 2017 is de machtiging voor plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder opnieuw afgegeven op basis van een nog immer ongewijzigde situatie en de ter zitting bij het hof gemaakte afspraken in verband met de behandeling van het hoger beroep.

3.12.

Het hof heeft beoogd om de situatie met alle betrokkenen ter zitting te bespreken.

Ter zitting van 3 augustus 2017 zijn de moeder en de stiefvader echter niet verschenen. Ook de kinderen zijn niet ingegaan op de uitnodiging van het hof om te komen praten. Het hof heeft ter zitting van 3 augustus 2017 voorgesteld om op korte termijn een nieuwe zitting te plannen waarbij ook de moeder en de stiefvader in persoon, alsmede de bij een eventueel te effectueren uithuisplaatsing in te zetten therapeuten aanwezig zouden zijn. Ook de kinderen zou een nieuwe gelegenheid worden geboden om met hof te komen praten. Omdat de beschikking van 8 mei 2017 alsdan niet meer ten uitvoer gelegd zou kunnen worden, gelet op het bepaalde in artikel 1:265c lid 3 BW, is door het hof ook voorgesteld dat de GI met instemming van alle betrokkenen opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan de rechtbank zou verzoeken, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De advocaat van de moeder en de stiefvader heeft na overleg met hen bevestigd dat de moeder en de stiefvader hun medewerking zouden verlenen aan hetgeen door het hof ter zitting was voorgesteld. De rechtbank heeft op 9 augustus 2017 de verzochte nieuwe machtiging afgegeven.

Ter zitting van 16 augustus 2017 zijn de moeder en de stiefvader wederom niet verschenen. De kinderen hebben niet van de gelegenheid om te komen praten gebruik gemaakt.

De advocaat van de moeder en de stiefvader heeft ter zitting verklaard dat de kinderen in de auto met de moeder onderweg naar het hof ziek zijn geworden en dat de moeder met de kinderen weer huiswaarts is gereden. Ter zitting zijn ook de (op verzoek van de GI) opgeroepen therapeuten niet verschenen. Zij hebben wel een schriftelijke verklaring afgelegd die het hof ter zitting aan alle betrokkenen heeft verstrekt.

3.13.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder en de stiefvader zijn bezwaren tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gehandhaafd. Met name ten aanzien van de uithuisplaatsing heeft hij erop gewezen dat de therapeuten niet helder en deugdelijk beschrijven wat zij willen gaan doen en dat de moeder inschat dat de situatie voor de kinderen door de beoogde uithuisplaatsing zal verslechteren. Ook heeft de advocaat gewezen op het wegloopgedrag van de kinderen bij de eerder beoogde uithuisplaatsingen en heeft hij de vraag opgeworpen wat zou maken dat de kinderen zich in de gegeven situatie niet opnieuw zullen onttrekken en of dit uiteindelijk dan zal leiden tot een gesloten plaatsing. Namens de moeder en de stiefvader heeft de advocaat nog gesteld dat de kinderen zich bij de moeder goed ontwikkelen en dat er rust voor de kinderen moet komen.

3.14.

De GI heeft gesteld dat de psychische veiligheid van de kinderen in het gedrang is en dat daarover met de moeder noch met de kinderen zelf is te praten. De moeder ziet niet het belang in van de noodzakelijk in te zetten hulpverlening. De kinderen moeten allereerst in een veilige, neutrale situatie worden gebracht. Van daaruit kan worden gewerkt aan de door de therapeuten beoogde behandeldoelen.

3.15.

Namens de vader is aangevoerd dat er nu moet worden doorgezet. De situatie verkeert al veel te lang in een impasse die nu moet worden doorbroken en dat kan uitsluitend middels de beoogde uithuisplaatsing. De situatie voor de kinderen is al lange tijd zeer bedreigend en inmiddels ook volkomen onhoudbaar geworden.

3.16.

De raad heeft op de zitting van 16 augustus 2017 naar voren gebracht de zaak al jaren te hebben gevolgd. De raad had nog gehoopt op een doorbraak van de impasse door de aanwezigheid van de moeder zelf op de bewuste zitting. Het niet verschijnen van de moeder ter zitting ziet de raad als symbolisch in deze zaak. De raad adviseert het hof om de ondertoezichtstelling in stand te laten en de beschikking inzake de machtiging tot uithuisplaatsing te bekrachtigen. Dwang ter doorbreking van de ontstane situatie waarin niet de noodzakelijke hulp aan de kinderen en aan de ouders kan worden geboden, acht de raad het laatste en enige middel dat kan worden ingezet. De raad ziet dit niet als een bestraffende maatregel, maar als een laatste mogelijkheid om de kinderen uit een voor hen zeer bedreigende situatie te halen.

3.17.1.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.17.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.17.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.17.4.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.17.5.

Het hof stelt vast dat de ouders in 2007 uit elkaar zijn gegaan en dat er tot september 2013 op regelmatige basis contact tussen de vader en de kinderen is geweest. Voorts constateert het hof dat de aanleiding voor het stopzetten van de contacten, namelijk de door de moeder gestelde mishandeling van de kinderen door de vader, niet is komen vast te staan. Uit het door de vader overgelegde rapport van dr. [rapporteur 1] en dr. [rapporteur 2] d.d. 25 augustus 2015 naar aanleiding van het in opdracht van het Openbaar Ministerie uitgevoerde betrouwbaarheidsonderzoek, volgt dat de rapporteurs uit de afwezigheid van aanwijzingen voor mishandeling en de realistische weergave van de vader van de manier waarop hij zijn kinderen probeerde op te voeden, concluderen dat de verklaringen van de kinderen in aanzienlijke mate onbetrouwbaar en de verklaringen van de vader in aanzienlijke mate betrouwbaar zijn.

Vanaf dat moment zijn er door de hulpverlening intensief pogingen in het werk gesteld om de verhouding tussen de vader en de kinderen te normaliseren.

Het is echter niet gelukt om met beide ouders in gesprek te gaan over de invulling van het ouderschap en om hulpverlening in te zetten voor zowel de kinderen als beide ouders. De vader verleende hieraan wel steeds zijn medewerking, maar de moeder is in toenemende mate niet bereid of in staat gebleken om hierin een constructieve houding aan te nemen.

3.17.6.

Ten aanzien van de rol van de moeder overweegt het hof het volgende.

Uit voornoemd rapport van dr. [rapporteur 1] en dr. [rapporteur 2] d.d. 25 augustus 2015 blijkt dat de moeder kampt met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Zij ziet geen enkele mogelijkheid om de relatie met de vader te normaliseren. Uit dit rapport komt ook naar voren dat zij weliswaar denkt dat de kinderen ook getraumatiseerd zijn, maar dat door GGZ Apanta is vastgesteld dat er bij de kinderen (op dat moment, toevoeging hof) geen sprake is van trauma. Voorts blijkt uit de conclusie van het rapport onder andere dat uit de verklaringen van de kinderen is af te leiden dat er tussen hen en de moeder uitgebreid over de incidenten met de vader is gesproken. Het is volgens de rapporteurs zeer aannemelijk dat de verklaringen van de kinderen daardoor zijn beïnvloed.

In het verslag van het Centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie Herlaarhof d.d. 30 maart 2016 worden zorgen geuit over het afwijzen van de vader door de moeder, over haar geringe bewustzijn van haar tegenstrijdige communicatie naar haar kinderen ten aanzien van hun contact met de vader en over het versterken van de angst en boosheid bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit haar eigen angst en boosheid. De mogelijke ouderverstoting wordt hiermee actief gestimuleerd en in stand gehouden. Herlaarhof is er niet in geslaagd om de moeder hierop meer zicht te doen krijgen en adviseert dan ook om een onafhankelijk psychologisch onderzoek bij de moeder te laten verrichten.

Voorts blijkt uit dit verslag dat de kinderen, ieder op hun eigen manier, zeer heftig reageerden op de vader. Er bestaan vanuit Herlaarhof ernstige zorgen over de schade die de kinderen hebben opgelopen reeds als gevolg van de voortdurende triangulatie tussen/met hun ouders. Vooral de heftigheid en de wijze van uiten van emoties door [minderjarige 1] roept veel zorg op voor haar ontwikkeling, aldus het verslag.

3.17.7.

Het hof is van oordeel dat aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en voor de verzochte uithuisplaatsing is voldaan en overweegt daartoe het volgende.

Het hof concludeert op basis van het eerder overwogene dat de moeder kampt met problematiek en acht voldoende aannemelijk geworden dat zij haar angsten en boosheid - al dan niet bewust - overbrengt op de kinderen, waar de kinderen in ernstige mate door worden beïnvloed. Het negatieve beeld dat de kinderen van de vader hebben wordt daardoor versterkt. Het hof wijst daarbij nogmaals uitdrukkelijk op de onder 3.17.6. vermelde conclusie van het rapport van dr. [rapporteur 1] en dr. [rapporteur 2] . De kinderen laten daarbij ook zelfbepalend gedrag zien; de moeder lijkt tot op heden niet in staat hen op dit punt grenzen en sturing te geven. Voorts zijn vanuit Herlaarhof serieuze zorgen geuit over de schade die de kinderen reeds hebben opgelopen. De moeder is, ondanks verschillende vormen van hulpverlening die zijn ingezet, tot nu toe niet in staat gebleken om de situatie te doorbreken. Dat maakt het opvoedklimaat bij de moeder in dit opzicht onveilig. De kinderen worden hierdoor ernstig bedreigd in de ontwikkeling van hun identiteit en in hun ontwikkeling naar volwassenheid in sociaal-emotioneel opzicht. De ondertoezichtstelling heeft derhalve uitdrukkelijk niet het karakter van een ‘omgangsondertoezichtstelling’ met als enig doel het tot stand brengen van onbelast contact tussen de vader en de kinderen.

Van de moeder mag worden verwacht dat zij hierover in gesprek gaat en de noodzakelijke hulpverlening en\of het noodzakelijke onderzoek voor haar en/of de kinderen in dit kader accepteert. Zij heeft dit categorisch geweigerd en weigert dit nog steeds.

Nu zij dit categorisch heeft geweigerd en nog steeds weigert, en ook de dialoog over de situatie ter zitting van het hof uit de weg gaat, acht het hof de verzochte uithuisplaatsing de laatst resterende mogelijkheid om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen af te wenden en de nodige hulpverlening te kunnen inzetten. Het hof acht, met de rechtbank, de verzochte uithuisplaatsing van de kinderen dan ook noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder en de stiefvader dat de uithuisplaatsing een wig zal drijven tussen hen en de kinderen en zal bijdragen tot een verslechtering van de situatie. Mevrouw [informante] , de behandelcoördinator van Bijzonder Jeugdwerk Brabant, heeft ter zitting van het hof namelijk verklaard dat de moeder en de stiefvader bij plaatsing van de kinderen in [plaats] uitdrukkelijk in positie blijven.

3.17.8.

Van strijd met artikel 8 EVRM is geen sprake, nu de inmenging in het recht van de moeder en de stiefvader op respect voor het familie- en gezinsleven met de kinderen bij de wet is voorzien, en blijkens het hiervoor overwogene een legitiem doel dient alsook voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan de stelling van de moeder en de stiefvader dat sprake is van inbreuk op het recht op respect voor het familie- en gezinsleven tussen de kinderen onderling gaat het hof voorbij, nu de GI ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat beide kinderen geplaatst gaan worden in dezelfde setting in Helmond.

3.18.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking van 24 maart 2017 (met kenmerk C/01/317554 / JE RK 17-137), voor zover het betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling, en de bestreden beschikking van 9 augustus 2017 (met kenmerk C/01/324285 / JE RK 17-1159) houdende machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot uiterlijk 9 april 2018, dienen te worden bekrachtigd.

Ter zitting is met de advocaat van de moeder en de stiefvader afgesproken dat het schorsingsverzoek terzake de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de uithuisplaatsingsbeschikking van 9 augustus 2017 als ingetrokken kan worden beschouwd bij een spoedige beslissing op het hoger beroep tegen die beschikking. Omdat thans op dat hoger beroep wordt beslist, beschouwt het hof het bewuste schorsingsverzoek als ingetrokken. De moeder en de stiefvader zullen in dat verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder en de stiefvader niet-ontvankelijk in de verzoeken in hoger beroep ingeschreven onder de zaaknummers 200.216.857/01, 200.216.857/02, 200.216.855/01, 200.216.855/02 en 200.216.858/01, behoudens hun verzoek in laatstgenoemde zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling;

verklaart de moeder en de stiefvader in hoger beroep niet-ontvankelijk in het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring ingeschreven onder zaaknummer 200.221.313/02;

bekrachtigt:

* de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2017 (met kenmerk

C/01/317554 / JE RK 17-137), voor zover het betreft de verlenging van de

ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 9 april 2018, en

* de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 augustus 2017 (met kenmerk

C/01/324285 / JE RK 17-1159) houdende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot uiterlijk 9 april 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en P.M.M. Mostermans en is, bij afwezigheid van de voorzitter, getekend door de oudste raadsheer, en is op 22 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.