Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3649

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
20-000940-16
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1975
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het verzoekschrift strekkende tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis. Verdachte bevindt zich sedert december 2015 in voorlopige hechtenis. Door de rechtbank is verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Daartegen heeft verdachte hoger beroep aangetekend en het gerechtshof heeft op 24 maart 2017 het vonnis van de rechtbank bevestigd en verdachte is wederom veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD- maatregel. Tegen dat arrest is door verdachte beroep in cassatie aangetekend. De cassatieprocedure loopt nog. Uit het arrest van het hof blijkt dat tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak uitvoerig aandacht is besteed aan de vraag of verdachte al dan niet veroordeeld zou dienen te worden tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Op deze grond ziet het hof geen reden om thans de voorlopige hechtenis te schorsen, nu verdachte veroordeeld is tot een maatregel die een behandeling impliceert tot het terugdringen van recidive. Dat de voorlopige hechtenis thans nog voortduurt en er nog geen begin is gemaakt met de door het hof bevolen behandeling in het kader van de ISD-maatregel is een situatie die voor rekening van verdachte komt, nu hij beroep heeft aangetekend tegen het veroordelend vonnis van de rechtbank en beroep in cassatie tegen het arrest van het hof, waarbij het vonnis van de rechtbank bevestigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer Hof: 20-000940-16

Parketnummer 1e aanleg: 01-846018-15

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien het verzoekschrift ingediend namens:

naam

[verdachte]

voornamen

[verdachte]

geboren

[geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans verblijvende in

thans gedetineerd in Huis van Bewaring (Unit A + B) te Grave

strekkende tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft gehoord in raadkamer van dit hof de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het dossier.

Het hof overweegt als volgt:

Verdachte bevindt zich sedert december 2015 in voorlopige hechtenis. Door de rechtbank is verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Daartegen heeft verdachte hoger beroep aangetekend en het gerechtshof heeft op 24 maart 2017 het vonnis van de rechtbank bevestigd en verdachte is wederom veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD- maatregel. Tegen dat arrest is door verdachte beroep in cassatie aangetekend. De cassatieprocedure loopt nog. Uit het arrest van het hof blijkt dat tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak uitvoerig aandacht is besteed aan de vraag of verdachte al dan niet veroordeeld zou dienen te worden tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Daarbij zijn door de verdediging diverse rapporten in het geding gebracht. Een en ander heeft het hof er niet toe gebracht te kiezen voor een voorwaardelijke ISD-maatregel maar het hof heeft het vonnis van de rechtbank waarbij verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel bevestigd.

Namens verdachte wordt thans verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen subsidiair te schorsen.

Het hof is van oordeel dat de gronden voor de voorlopige hechtenis nog steeds van kracht zijn en dat in zoverre het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis dient te worden afgewezen. Artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich naar het oordeel van het hof niet voor, nu verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel waar tot op heden nog geen begin mee is gemaakt, terwijl de rechter voorts niet bevolen heeft tot aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest heeft doorgemaakt.

In zoverre zal het hof het verzoek tot opheffing afwijzen.

Subsidiair is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen waarbij is aangevoerd dat verdachte per direct bij NEOS terecht kan voor nachtopvang en verdachte voorts hoopvol is over een toekomstig behandeltraject bij NEOS.

Het hof overweegt als volgt:

Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen doordat namens verdachte tegen het arrest beroep in cassatie is aangetekend. Bij de behandeling van de zaak door het gerechtshof is uitvoerig aandacht besteed aan de vraag of verdachte een voorwaardelijke danwel een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zou dienen te worden opgelegd. Daarbij is ook aandacht besteed aan de mogelijkheden die NEOS zou kunnen bieden in het kader van een behandeling ten behoeve van het terugdringen van recidive. Daarbij is door de reclassering gesteld dat NEOS geen behandeling biedt om recidive terug te dringen. Op deze grond ziet het hof geen reden om thans de voorlopige hechtenis te schorsen, nu verdachte veroordeeld is tot een maatregel die een behandeling impliceert tot het terugdringen van recidive. Dat de voorlopige hechtenis thans nog voortduurt en er nog geen begin is gemaakt met de door het hof bevolen behandeling in het kader van de ISD-maatregel is een situatie die voor rekening van verdachte komt, nu hij beroep heeft aangetekend tegen het veroordelend vonnis van de rechtbank en beroep in cassatie tegen het arrest van het hof, waarbij het vonnis van de rechtbank bevestigd is.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis, namelijk het tegengaan van recidive, zwaarder dient te wegen dan het belang dat verdachte heeft bij het in vrijheid afwachten van zijn berechting. Daarbij heeft het hof tevens overwogen dat het hof, mede gelet op de documentatie van verdachte, geen mogelijkheid ziet om door middel van het stellen van voorwaarden het gevaar voor herhaling terug te brengen tot een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.

Het hof wijst af het verzoek om schorsing.

BESCHIKKENDE

Wijst af het ingediende verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Wijst af het ingediende verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gedaan op 27 juli 2017 door mr. J.F. Dekking, voorzitter, mr. F.J.M. Walstock en

mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.H.M. Fluitsma, griffier.

Fiat betekening en tenuitvoerlegging:

's-Hertogenbosch,

De advocaat-generaal,

Gezien d.d.

De directeur van