Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3648

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
WR 248-02-2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

registratienummer wraking: 248-02-2017
datum beslissing: 21 augustus 2017

beslissing op het verzoek als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak met zaaknummer 200.213.872/01 van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

tegen:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

strekkende tot wraking van mr. C.N.M. Antens, raadsheer in de afdeling civiel recht, team familierecht, van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

1 Het procesverloop

1.1.

Het wrakingsverzoek van 9 juni 2017 is diezelfde dag per fax ontvangen op de griffie van het hof. Op 17 juli 2017 heeft verzoekster een fax naar het hof gezonden.

1.2.

Mr. Antens heeft niet in de wraking berust. Zij heeft een schriftelijke reactie gegeven. Deze reactie is aan verzoekster toegezonden.

1.3.

De wrakingskamer heeft zitting bepaald op 4 juli 2017. Omdat toen bleek dat de schriftelijke reactie van mr. Antens nog niet was verzonden, en omdat de advocaat wilde beschikken over het proces-verbaal van de zitting, is de mondelinge behandeling aangehouden tot 16 augustus 2017. Op die datum is het wrakingsverzoek ter openbare zitting mondeling behandeld. Mr. Antens is ter zitting niet verschenen. Verzoekster, bijgestaan door haar advocaat mr. I.M. van den Heuvel, is verschenen en gehoord. Mr. Van den Heuvel heeft het wrakingsverzoek ter zitting nader toegelicht aan de hand van een pleitnota.

1.4.

Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer op (naar verwachting) 23 augustus 2017 in het openbaar uitspraak zal doen.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar wrakingsverzoek aangevoerd dat mr. Antens, die ter zitting van de meervoudige kamer op 6 juni 2017 de mondelinge behandeling van verzoeksters beroepschrift voorzat, tijdens die zitting met onterechte verwijten en suggestieve opmerkingen haar advocaat en haarzelf in aanwezigheid van verweerster en een belanghebbende in een kwaad daglicht heeft gesteld. Kort weergegeven verwijt verzoekster mr. Antens het volgende:

1. na opening van de behandeling bleef mr. Antens volhouden dat door verzoekster wel degelijk toegestuurde brieven door het hof niet waren ontvangen. Eerst na confrontatie met een uitdraai uit het roljournaal moest mr. Antens - zonder evenwel excuses te maken - toegeven dat de desbetreffende stukken waren ontvangen;

2. het verwijt van mr. Antens dat verzoekster had verzuimd een plan van aanpak in te dienen bleek onterecht. Het was verweerster (Stichting Jeugdbescherming Brabant) die het stuk had moeten indienen maar dat niet heeft gedaan;

Mr. Antens had geen kritiek op verweerster die, anders dan verzoekster, niet alle stukken in het geding had gebracht;

3. mr. Antens suggereerde dat de verklaring van de minderjarige kinderen niet door henzelf zou zijn opgesteld, maar alleen door hen ondertekend; een venijnige en onterechte verdachtmaking;

4. mr. Antens had, toen de advocaat van verzoekster de gelegenheid kreeg het verzoek toe te lichten, opmerkingen over de manier waarop deze heen en weer liep tijdens de mondelinge behandeling.

Uit een en ander blijkt volgens verzoekster dat mr. Antens bij de mondelinge behandeling van vooringenomenheid heeft doen blijken en dat verzoekster van mr. Antens geen eerlijke en onbevooroordeelde behandeling en beslissing kan verwachten.

3 Het standpunt van mr. Antens

Mr. Antens voert in de eerste plaats aan dat de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gebaseerd reeds ter zitting van 6 juni 2017 bekend waren, zodat het eerst op 9 juni 2017 ingediende verzoek te laat is gedaan. Verzoekster is mitsdien niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Voor het geval verzoekster wel ontvankelijk is, concludeert mr. Antens, die in haar schriftelijke reactie ingaat op de hiervoor vermelde verwijten, dat (kort gezegd) de door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden, indien en voor zover deze al juist zijn, in ieder geval niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is geweest van vooringenomenheid, zodat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 37 Rv moet het verzoek tot wraking zo snel mogelijk worden gedaan, namelijk zodra de feiten of omstandigheden waarop het verzoek is gebaseerd de verzoeker bekend zijn geworden.

Het wrakingsverzoek is op 9 juni 2017 ontvangen, dus drie dagen na afloop van de zitting van de behandelend kamer op 6 juni 2017. Mr. Van den Heuvel heeft in zijn toelichting ter zitting aangevoerd dat hij na afloop van de zitting het verloop daarvan met zijn cliënte heeft besproken en dat hij voorts enige tijd nodig had om te onderzoeken welke stukken hij destijds ten behoeve van de zitting van de behandelend kamer aan het hof heeft toegezonden.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is het wrakingsverzoek tijdig gedaan en is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek. Het is in het onderhavige geval alleszins redelijk dat verzoekster enkele dagen nam om zich te beraden over de vraag of zij het wrakingsverzoek al dan niet zou indienen, om daarvoor enig onderzoek verrichten en om het verzoekschrift op te stellen.

4.2.

Bij brief van 14 juli 2017 is aan verzoekster het proces-verbaal van de zitting van 6 juni 2017 toegezonden, dat is ondertekend door mr. Antens (als zaakvoorzitter) en de griffier. Naar aanleiding daarvan heeft verzoekster bij fax van 17 juli 2017 de vraag opgeworpen of mr. Antens, gezien artikel 6.2 van het Wrakingsprotocol, het proces-verbaal wel mede op heeft mogen maken.

Genoemd artikel van het Wrakingsprotocol heeft betrekking op de te volgen handelwijze in geval van een ter zitting gedaan wrakingsverzoek. Het onderhavige verzoek is daarentegen eerst na afloop van de zitting, schriftelijk, ingediend. Genoemd artikel mist derhalve voor het onderhavige geval toepassing. Bovendien heeft verzoekster in haar fax van 17 juli 2017 slechts een vraag opgeworpen en aan haar desbetreffende constatering geen consequenties verbonden voor het onderhavige wrakingsverzoek. Dat heeft zij ook niet gedaan ter zitting.

4.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.4.

Met betrekking tot de eerste wrakingsgrond – het verwijt aan de advocaat dat twee brieven niet zijn overgelegd - overweegt de wrakingskamer dat de discussie over de vraag of bepaalde stukken wel of niet door verzoekster in het geding waren gebracht, ter zitting van de behandelend kamer is afgerond en dat daarbij - conform het standpunt van verzoekster - is geconstateerd dat de stukken zich in het dossier bevonden. De aanvankelijke uitlating van mr. Antens dat zij stukken miste behelst een feitelijke constatering die om opheldering vroeg. Van een verwijt blijkt niet. Hieruit blijkt niet van vooringenomenheid, noch is de schijn daarvan opgewekt.

Voorts wordt overwogen dat het middel van wraking er niet toe dient om de bejegening van een advocaat ter zitting aan de orde te stellen, althans niet voor zover daaruit niet tevens een vooringenomenheid jegens diens cliënt (de rechtszoekende zelf) kan worden afgeleid. Voor zover mr. Van den Heuvel meent dat mr. Antens aan hem excuses had behoren aan te bieden voor de wijze waarop mr. Antens de discussie met hem voerde - volgens mr. Van den Heuvel op onaangename toon - kan dat standpunt verzoekster dus niet baten.

4.5.

Volgens mr. Van den Heuvel heeft mr. Antens hem ter zitting - ten onrechte - voorgehouden dat hij zou hebben een verzuimd een stuk (een plan van aanpak) in het geding te brengen. Volgens mr. Antens daarentegen, in haar schriftelijke reactie, betrof het geen verwijt, maar heeft zij alleen aan mr. Van den Heuvel, die op dat moment aan het woord was, gevraagd of hij de beschikking had over het plan van aanpak dan wel of het stuk al deel uitmaakte van de stukken van de eerste aanleg.

Naar het oordeel van de wrakingskamer kan niet worden vastgesteld dat er ter zitting méér aan de hand is geweest dan een feitelijk onderzoek naar de beschikbaarheid van stukken. Niet aannemelijk is geworden dat mr. Antens mr. Van den Heuvel heeft verweten dat het plan van aanpak niet aanwezig was. Bovendien geldt ook ten aanzien van deze wrakingsgrond dat de onderhavige opmerking, gericht tot de advocaat, onvoldoende is voor het oordeel dat jegens de cliënt van die advocaat vooringenomenheid bestaat.

4.6.

Op zichzelf staat tussen verzoekster en mr. Antens niet ter discussie dat mr. Antens ter zitting heeft meegedeeld dat er sprake was van een door de minderjarige kinderen geschreven brief, en vervolgens dat er sprake was van een getypte brief die was ondertekend door de minderjarige kinderen. Wel staat tussen verzoekster en mr. Antens ter discussie met welke intentie mr. Antens die nuancering heeft aangebracht.

Dat mr. Antens met haar aanvulling een tot verzoekster of haar advocaat gericht verwijt heeft gemaakt in de vorm van de suggestie dat de brief niet door de minderjarige kinderen zelf (maar door iemand anders) was opgesteld, zoals verzoekster stelt, kan door de wrakingskamer niet worden vastgesteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verzoekster de suggestie zoals door haar ervaren kennelijk niet ter zitting ter sprake heeft gebracht en dat daarover ter zitting dus ook geen duidelijkheid is verkregen.

4.7.

Vaststaat dat mr. Antens mr. Van den Heuvel heeft gevraagd om tijdens diens pleidooi niet heen en weer te lopen. Ook indien het zo is dat daaruit ergernis van mr. Antens bleek - volgens mr. Antens heeft zij haar vraag op vriendelijke toon gesteld - dan nog kan daaruit geen vooringenomenheid jegens verzoekster worden afgeleid, ook niet in samenhang met hetgeen nog meer werd gesteld.

4.8.

Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de wrakingskamer de door verzoekster opgeworpen gronden. Het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. De door verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden - in het bijzonder de door haar en haar advocaat ondervonden ergernissen (wat valt te betreuren) - leveren naar het oordeel van de wrakingskamer niet een uitzonderlijke omstandigheid op die vrees voor vooringenomenheid van mr. Antens kan rechtvaardigen, noch dat de schijn daarvan is opgewekt.

5 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

draagt de griffier op deze beslissing onverwijld mede te delen aan mr. Antens.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.H.B. den Hartog Jager (voorzitter), C.E.L.M. Smeenk-Van der Weijden en F.P.E. Wiemans en is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.