Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3643

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
16/03491
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3670, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Opleggen naheffingsaanslag nadat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden is niet in strijd met artikel 110 VWEU.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03491

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 mei 2016, nummer BRE 15/5190, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 oktober 2013, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 2.792 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslag). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag met € 1.798 verminderd tot € 994 en een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 244.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, behoudens de beslissing over de vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, de naheffingsaanslag verminderd tot € 746, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 1.000, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 992, en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan haar vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 5 juli 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mevrouw [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] .

1.5.

Belanghebbende heeft kort voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof. Ter zitting is deze tevens aan de Inspecteur verstrekt, waarna een leespauze is ingelast.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft op 27 september 2012 aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de registratie van een personenauto, te weten een [automerk] (VIN eindigend op [nummer] ), afkomstig uit Duitsland. Het aangegeven bedrag aan BPM is door belanghebbende berekend op € 5.199. Belanghebbende heeft bij de aangifte gekozen voor het gebruik van de koerslijst X-Ray waarbij op de daaruit volgende handelswaarde een aftrek wegens schade is toegepast. De in aanmerking genomen aftrek wegens schade is gebaseerd op een taxatierapport.

2.2.

De auto is op 4 oktober 2012 in opdracht van de Inspecteur opnieuw getaxeerd. Naar aanleiding van deze hertaxatie heeft de Inspecteur met dagtekening 29 oktober 2013 de naheffingsaanslag van € 2.792 opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 994, uitgaande van de door belanghebbende overgelegde koerslijst X-Ray zonder een aftrek wegens schade. Dit bedrag van € 994 is na de uitspraak op bezwaar middels verrekening voldaan.

2.3.

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verder verminderd tot € 746, omdat bij de berekening van de verschuldigde BPM mag worden uitgegaan van een marge-auto.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Na het onderzoek ter zitting is tussen partijen uitsluitend nog het antwoord op de volgende vragen in geschil:

1. Is een ná het belastbare feit opgelegde naheffingsaanslag in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)?

2. Heeft belanghebbende recht op rentevergoeding over het bedrag van de vermindering van de naheffingsaanslag?

3. Heeft belanghebbende recht op rentevergoeding over het bedrag aan toegekende vergoeding voor immateriële schade?

4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en de werkelijke proceskosten?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Belanghebbende:

De grief betreffende de schending van het unierechtelijke verdedigingsbeginsel trek ik in.

Partijen:

Voor het geval dat het Hof van oordeel is dat ná het belastbare feit een naheffingsaanslag kan worden opgelegd, hebben wij overeenstemming bereikt over de hoogte van de naheffingsaanslag. De naheffingsaanslag moet alsdan verder worden verminderd tot € 200.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 200.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Een na het belastbare feit opgelegde naheffingsaanslag

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden, in strijd is met artikel 110 VWEU. Het Hof verwerpt dit standpunt op dezelfde gronden als overwogen in de uitspraak van 7 januari 2016, nr. 15/00022, ECLI:NL:GHSHE:2016:14.

Het Hof heeft in voormelde uitspraak als volgt geoordeeld:

“4.3. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat het opleggen van een naheffingsaanslag aan de koper van een gebruikt geïmporteerd voertuig leidt tot discriminatie in de zin van artikel 110 VWEU. Er is sprake van discriminatie indien feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld. Of de aankoop van een binnenlandse, reeds geregistreerde, gebruikte auto feitelijk en rechtens vergelijkbaar is met de aankoop van een geïmporteerde gebruikte auto die nog niet is geregistreerd, dient mede te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden die van belang zijn voor de belastingheffing. Voor de heffing van BPM wordt aangesloten bij de eerste registratie van het voertuig in het kentekenregister. Inherent hieraan is dat wanneer wordt geconstateerd dat te weinig BPM is voldaan, deze wordt nageheven bij degene die aanvankelijk de verschuldigde BPM ter zake van de registratie heeft voldaan. Deze nageheven BPM rust dan ook op de auto en zal – voor zover niet afgeschreven – worden doorberekend aan een volgende koper. In zoverre kan niet worden gezegd dat op een reeds geregistreerde gebruikte auto een lagere belasting drukt dan op een geïmporteerde gebruikte auto.

Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat er sprake is van een verschil in formeelrechtelijke bepalingen, als gevolg waarvan degene die een geïmporteerde auto laat registreren, geconfronteerd wordt met de onzekerheid van mogelijke naheffing, is dit inherent aan het systeem dat degene die de auto laat registreren, de belasting is verschuldigd en bij te lage voldoening van de belasting het risico loopt dat dit wordt gecorrigeerd door middel van het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor zover dit al als een verschil in behandeling moet worden gezien, is dit gerechtvaardigd vanuit het systeem van heffing van de BPM.

4.4.

Voor zover belanghebbende met zijn stelling heeft bedoeld dat nimmer kan worden nageheven nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, faalt deze stelling eveneens. De bevoegdheid tot het naheffen van de te weinig geheven of betaalde BPM vloeit immers voort uit artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Op grond van artikel 20, derde lid, AWR vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag pas door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggave is verleend. Uit het door belanghebbende aangehaalde arrest (Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 12/00400, ECLI:NL:HR:2013:64), waarin in geschil was of naheffing ter zake van de registratie van een personenauto ook kan plaatsvinden vóór de registratie van die auto, kan evenmin worden afgeleid dat geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd ná het belastbare feit.”

Het tegen die uitspraak instelde cassatieberoep is ongegrond verklaard bij arrest Hoge Raad 12 mei 2017, nr. 16/00507, ECLI:NL:HR:2017:856, onder verwijzing naar artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Rentevergoeding over vermindering naheffingsaanslag

4.2.

Belanghebbende heeft met een beroep op het Unierecht gesteld dat recht bestaat op vergoeding van rente over het bedrag van de vermindering van de naheffingsaanslag, welke middels verrekening na de uitspraak op bezwaar is voldaan. Deze grief faalt gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, BNB 2017/99. De ontvanger is bij uitsluiting bevoegd om op de voet van artikel 30, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente verschuldigd is. Een dergelijke beschikking is thans niet aan het Hof ter beoordeling voorgelegd. Het Hof is evenmin bevoegd in de onderhavige zaak een uitspraak te doen over de vergoeding van de invorderingsrente gelet op de onmiddellijke werking van artikel 28c van de IW, welke regeling als lex specialis voorrang heeft op de algemene regeling die de belastingrechter bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep de bevoegdheid geeft te beslissen op verzoeken om schadevergoeding.

Rentevergoeding over immateriële schadevergoeding

4.3.

Voorts stelt belanghebbende dat de Inspecteur rente is verschuldigd over het bedrag van de door de Rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding. Zij verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, BNB 2016/94, waarin is overwogen:

“(…)

3.3.

Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. De verplichting tot betaling van een vergoeding ter zake van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld bij uitspraak, waarbij tevens de omvang van de vergoeding wordt vastgesteld. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ervan worden uitgegaan dat de uiterste datum waarop deze betaling moet plaatsvinden is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen in het openbaar is gedaan, en dat de wettelijke rente eerst gaat lopen de dag na die uiterste datum (vgl. CBb 29 november 2013, nr. 10/1301, ECLI:NL:CBB:2013:257, en CRvB 30 januari 2014, nr. 13/2399, ECLI:NL:CRVB:2014:296). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze verplichting is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist.
(…)”

4.4.

De Inspecteur heeft gesteld dat de immateriële schadevergoeding nog niet betaald is en dat daarom belanghebbendes grief voorbarig is. Het Hof kan de Inspecteur daarin niet volgen. De Hoge Raad heeft in het hiervoor aangehaalde arrest van 26 februari 2016 geoordeeld dat de uiterste datum, waarop de betaling van een bij een uitspraak vastgestelde immateriële schadevergoeding moet plaatsvinden, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak, waarin de veroordeling is opgenomen, in het openbaar is gedaan. Voorts heeft de Hoge Raad bij dit arrest geoordeeld dat de wettelijke rente begint te lopen de dag na die van de uiterste betaaldatum van de immateriële schadevergoeding, ook indien tegen voornoemde uitspraak een rechtsmiddel kan worden aangewend.

Het Hof zal overeenkomstig het aangehaalde arrest ECLI:NL:HR:2016:315 de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 1.000 vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 mei 2016 tot aan de dag van algehele voldoening. Belanghebbendes grief slaagt.

Werkelijke kosten van bezwaar en werkelijke proceskosten

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op vergoeding van de werkelijke kosten van bezwaar en de werkelijke proceskosten. Het Hof stelt voorop, dat de proceskostenvergoeding krachtens artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vastgesteld wordt op een forfaitair bedrag, te bepalen volgens de regels zoals opgenomen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Slechts in bijzondere omstandigheden kan, blijkens artikel 2, lid 3, van het Besluit, van het forfait worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden is het Hof niet gebleken.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar een bedrag van € 200.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.9.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990.

4.10.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarbij de naheffingsaanslag is verminderd tot € 746;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 200;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van wettelijke rente over de door de Rechtbank vastgestelde immateriële schadevergoeding van € 1.000, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 mei 2016, tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990.

Aldus gedaan op 17 augustus 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.