Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3635

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
200.206.406_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 17 augustus 2017

Zaaknummer: 200.206.406/01

Zaaknummer eerste aanleg: 5018534 OV VERZ 16-3514

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. T.H.J. van Beek,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

advocaat: mr. B.B. van Meersbergen-Zebregs.

als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

  • -

    [belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: rechthebbende;

  • -

    [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] (Marokko), hierna te noemen: de vader (van rechthebbende);

  • -

    [belanghebbende 3] , wonende te [woonplaats] , broer van rechthebbende;

  • -

    [belanghebbende 4] , wonende te [woonplaats] , broer van rechthebbende;

  • -

    [belanghebbende 5] , wonende te [woonplaats] (België), broer van rechthebbende;

  • -

    [belanghebbende 6] , wonende te [woonplaats] , zus van rechthebbende, hierna te noemen: [belanghebbende 6] .

  • -

    [belanghebbende 7] , wonende te [woonplaats] , zus van rechthebbende;

  • -

    [belanghebbende 8] , wonende te [woonplaats] (België), zus van rechthebbende;

  • -

    [belanghebbende 9] , wonende te [woonplaats] (Spanje), broer van rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton, zittingsplaats Tilburg, van 6 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 december 2016, hersteld op 11 januari 2017 zoals verzocht bij brief van 30 december 2016 door de griffier van het hof, heeft appellant verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem alsnog te benoemen tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 februari 2017, heeft verweerster verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen onder afwijzing van het daartegen door appellant ingediende hoger beroep.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    appellant, bijgestaan door mr. Van Beek;

  • -

    verweerster, bijgestaan door mr. A.M.M. Stam, waarnemend voor mr. Van Meersbergen-Zebregs, en voorts bijgestaan door de heer H. Zannoudi, tolk in de Arabische taal.

2.3.1.

De overige belanghebbenden zijn niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van verweerster d.d. 3 maart 2017, ter griffie ingekomen op 3 maart 2017;

  • -

    de brief met bijlagen, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 augustus 2016 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 22 september 2016, van de advocaat van appellant d.d. 10 januari 2017, ter griffie ingekomen op 11 januari 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 6 oktober 2016 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die aan rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren met benoeming van verweerster, zus van rechthebbende, tot bewindvoerder.

3.2.

Appellant, broer van rechthebbende, kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij voert in zijn beroepschrift, kort samengevat, aan dat hij zelf benoemd wil worden tot bewindvoerder omdat hij lange tijd (van 1989 tot 2016, zo heeft appellant ter zitting in hoger beroep gesteld) voor rechthebbende heeft gezorgd en de vader van de rechthebbende, van hem en de overige belanghebbenden, dat graag wil.

3.3.

Verweerster voert in haar verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. Rechthebbende verblijft sinds 2009 in Nederland. Sindsdien zorgt verweerster (samen met [belanghebbende 6] ) voor rechthebbende en draagt zij zorg voor haar financiën. Alle overige broers en zussen van rechthebbende staan hierachter en de vader heeft zijn wens aangepast aan de feitelijke situatie.

3.4.

In geschil is de persoon van de bewindvoerder.

3.5.1.Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:435, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek dient bij een benoeming tot bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende te worden gevolgd, tenzij gegronde redenen zich tegen een zodanige benoeming verzetten. Voor het hof is niet vast te stellen wat de uitdrukkelijke voorkeur is van de rechthebbende. Het hof zal dan ook niet het derde lid van het voornoemde wetsartikel toepassen. Nu rechthebbende geen echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel heeft, wordt ingevolge het vierde lid van voormeld artikel bij voorkeur een van de ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.

3.5.2.

Het hof stelt vast dat appellant in zijn beroepschrift geen duidelijke grieven tegen de bestreden beschikking heeft geformuleerd. Het hof leidt uit het beroepschrift af dat appellant bezwaren heeft tegen de persoon van verweerster als bewindvoerder nu hij het sterke vermoeden heeft dat verweerster rechthebbende heeft opgevangen uit geldelijk gewin. Van enige onderbouwing van deze stelling door appellant is het hof niet gebleken.

Ook de stelling van appellant dat rechthebbende toen zij naar Nederland kwam door hem is verzorgd en bij hem woonde is door hem volstrekt onvoldoende onderbouwd. Overigens leidt het hof uit de stukken, waaronder de inschrijving van rechthebbende in de Basisregistratie Personen, en het verhandelde ter zitting, af dat verweerster al jaren voor rechthebbende zorgt en haar financiën doet. Desgevraagd heeft appellant voor het eerst ter zitting in hoger beroep gesteld dat hij er als oudste zoon recht op heeft om tot bewindvoerder te worden benoemd en dat hij twijfels heeft over de (totstandkoming van de) verklaringen van de overige broers en zussen in welke verklaringen staat dat zij allen achter de benoeming van verweerster tot bewindvoerder staan. Tevens heeft hij twijfels over de in Marokko opgestelde (vertaalde) volmacht van de vader van 22 december 2016 en wijst hij op de op 9 oktober 2009 opgestelde verklaring van de vader waarin hij, appellant, wordt aangewezen om de belangen van rechthebbende te behartigen. Ook die twijfels heeft appellant verder niet nader onderbouwd noch heeft hij toegelicht waarom zijn twijfels ertoe zouden moeten leiden dat het hof geen acht kan slaan op de verklaringen van de broers en zusters en de verklaring van de vader van 22 december 2016.

De benoeming van verweerster tot bewindvoerder is in overeenstemming met de feitelijke situatie. Nu ook overigens niet is gebleken van bezwaren tegen de persoon van verweerster acht het hof benoeming van verweerster tot bewindvoerder het meest in het belang van rechthebbende.

3.6.

Op grond van het vorenstaande zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 6 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.D.M. Lamers en A.M.M. Hompus en is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.