Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3634

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
200.205.427_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 17 augustus 2017

Zaaknummer: 200.205.427/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/295815 / FA RK 15-3547-1

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.A. van Mens.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 6 september 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 december 2016, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vader gerechtigd is tot begeleide omgang via een omgangshuis, gelegen in de nabije omgeving van de moeder, waarbij de invulling van de omgangsregeling zal geschieden door het omgangshuis.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 februari 2017, heeft de vader geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek, althans tot afwijzing van haar verzoek met bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Wijk;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Mens;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder d.d. 23 december 2016, met bijlagen;

  • -

    de brief van de raad d.d. 19 januari 2017, met kopie van twee raadsrapporten;

  • -

    de brief van de advocaat van de vader d.d. 5 juli 2017, met de processtukken eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit die (toen al verbroken) relatie tussen partijen is geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).

De vader heeft [minderjarige] met vervangende rechterlijke toestemming erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank kort gezegd een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader bepaald, waarbij de omgang wordt opgebouwd onder begeleiding van familieleden en uiteindelijk onbegeleid zal plaatsvinden.

3.3.

Na het omgangsmoment dat op 28 november 2016 heeft plaatsgevonden heeft de moeder haar medewerking aan de nakoming van de omgangsregeling gestaakt.

3.4.

De moeder is vervolgens in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij kan zich niet met deze beschikking verenigen.

3.5.

Bij vonnis in kort geding van 19 januari 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, is de moeder kort gezegd veroordeeld tot naleving van de omgangsregeling met oplegging van een dwangsom.

Dit vonnis is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De moeder is ook in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis. Dat hoger beroep is geregistreerd onder nummer 200.209.937/01.

3.6.

Gelet op de samenhang van het onderhavige hoger beroep met het hoger beroep tegen het vonnis in kort geding geregistreerd onder nummer 200.209.937/01 zijn deze zaken gelijktijdig doch niet gevoegd door het hof behandeld.

3.7.

Gezien de ontwikkeling die het hof uit de meest recente stukken is gebleken heeft het hof partijen ter zitting gevraagd hoe de actuele situatie is. Partijen hebben verklaard dat zij zich hebben aangemeld voor een traject bij Maashorst dat naar verwachting in september 2017 zal starten. In dat traject zal begeleide omgang plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] en zullen ook gesprekken met de ouders worden gevoerd over de manier waarop zij samen invulling kunnen geven aan het ouderschap. De vader heeft ter zitting benadrukt dat hij desituatie liever anders had gezien, omdat hij [minderjarige] al lange tijd niet heeft gezien en hij begeleiding van de omgang door een professionele instantie niet noodzakelijk acht, maar dat hij in overleg met zijn advocaat om de moeder ter wille te zijn heeft besloten om in te stemmen met het traject bij Maashorst. Verder heeft de moeder ter zitting uitdrukkelijk beloofd om de vader via e-mail informatie over (belangrijke ontwikkelingen ten aanzien van) [minderjarige] en foto’s van [minderjarige] te (blijven) sturen. Tot slot hebben partijen ter zitting afgesproken dat de kort gedingsprocedure met nummer 200.209.937/01 zal worden geroyeerd en dat zij daarvoor zullen zorgdragen.

3.8.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak zes maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het traject bij Maashorst af te wachten. Het hof acht het van belang om controle te houden op dit traject, onder meer vanwege het, ter zitting ook door de raad gesignaleerde, herhalend patroon waarin de moeder meewerkt en zich weer terugtrekt.

De advocaten van partijen dienen het hof uiterlijk tien dagen voor de hierna te noemen pro forma datum verslag te doen van de gang van zaken tot dan toe en hun wensen ten aanzien van het verdere verloop van de procedure te melden.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

houdt de verdere behandeling van de zaak PRO FORMA aan tot 15 februari 2018 in afwachting van de berichten van de advocaten omtrent het verloop en de resultaten van het traject bij Maashorst als vermeld onder 3.8.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.D.M. Lamers en A.M.M. Hompus en is op 17 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.