Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3627

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
200.180.275_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6435
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst inzake interieurdelen voor [de vennootschap]-winkels. Is [de vennootschap] haar afnameverplichting nagekomen en zo neen, wat zijn daarvan de rechtsgevolgen? Belang van een door partijen gesloten nadere overeenkomst. Heeft [de vennootschap] recht op nakoming en/of ontbinding? (On)mogelijkheid van de prestatie. Rechtsverwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.180.275/01

arrest van 15 augustus 2017

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

tegen

[Winkelinterieurs] Winkelinterieurs B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [Winkelinterieurs] ,

advocaat: mr. H.P. Kamerbeek te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 november 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 18 maart 2015 en 9 september 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [de vennootschap] als eiseres en [Winkelinterieurs] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/293466/HA ZA 15-37)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, houdende wijziging van eis, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

In r.o. 2.1. van het vonnis van 9 september 2015 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feitenvaststelling is door partijen niet bestreden. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen daarom in hoger beroep het uitgangspunt. Daarnaast staan enkele andere feiten tussen partijen vast.
Het hof zal hierna een overzicht geven van de tussen partijen vaststaande feiten.

a. a) [de vennootschap] exploiteert franchisewinkels in de zoetwarenbranche.

b) [Winkelinterieurs] is een leverancier van winkelinterieurs. Zij houdt zich bezig met het technisch ontwerp, de inkoop van handelsartikelen alsmede de productie en montage van maatwerkdelen.

c) Partijen hebben een overeenkomst gesloten (prod. 1 inleidende dagvaarding), zoals vastgelegd in een door partijen ondertekende opdrachtbevestiging van [Winkelinterieurs] aan [de vennootschap] , op het voorblad gedateerd op 20 maart 2009 en op de tweede pagina op 18 maart 2009:

‘De totale opdracht omvat het produceren, leveren en monteren van 10 winkelinterieurs, gebaseerd op het filiaal in [vestigingsplaats] In de bijlage treft u een overzicht aan van de prijzen en aantallen van deze artikelen. Eventuele aanvullende zaken, nodig bij de inrichting van de filialen, zullen wij opnemen in de offerte.

d) Bij genoemde opdrachtbevestiging is een ‘Prijslijst onderdelen [de vennootschap] [vestigingsnaam] ’ gevoegd. De kop van de lijst luidt als volgt:
‘Onderstaande aantallen zijn gebaseerd op één winkel. De geldende prijzen zijn gebaseerd op een opdracht van 10 winkels, af te nemen in 12 maanden na dagtekening van de opdracht’.

e) De totale prijs van één winkelinterieur is € 35.735,43. De tegenprestatie voor de totale opdracht van 10 winkelinterieurs bedraagt dus € 357.354,30.

f) [de vennootschap] heeft in 2009 twee winkelinterieurs van [Winkelinterieurs] afgenomen en in 2010 drie winkelinterieurs.

g) Bij brief van 29 maart 2011 (prod. 2 inleidende dagvaarding) heeft [de vennootschap] [Winkelinterieurs] het volgende bericht:
Hierbij bevestigen wij de afspraken welke wij op 23 maart jl. zijn overééngekomen:
1. [de vennootschap] betaalt per ommegaande aan [Winkelinterieurs] 25% van 178.677,15 = 44.669,29- euro excl. BTW inzake afname verplichting van interieur onderdelen voor 5 [de vennootschap] winkels.
2. [de vennootschap] geeft aan binnen 5 maanden nog 2 winkels te willen bouwen. De leveringen voor deze winkels zullen in mindering worden gebracht op de aanbetaling zoals genoemd in punt 1.
3. [Winkelinterieurs] geeft [de vennootschap] tot uiterlijk eind 2012 de tijd om het resterende bedrag en goederen af te nemen zonder rente en opslagkosten.
4. Mocht blijken dat [de vennootschap] meer artikelen nodig heeft dan de vernoemde aantallen zoals reeds in de overeenkomst van 2009 vermeld, dan zal [Winkelinterieurs] hiervoor eerst een nieuwe aanbieding maken alvorens deze te leveren.
5. (…).’
[de vennootschap] heeft op 30 maart 2011 een betaling aan [Winkelinterieurs] gedaan van € 44.669,29.

h) [de vennootschap] heeft in 2012 haar winkelformule gewijzigd.

i. i) [Winkelinterieurs] heeft in 2012 een winkelinterieur geleverd voor het filiaal van [de vennootschap] in [vestigingsplaats] . De opdracht daartoe (productie 28 zijdens [Winkelinterieurs] ) is verstrekt door de franchisenemer World of Delights, aan wie [Winkelinterieurs] ook heeft gefactureerd.

j) Bij e-mail van 27 november 2012 (prod. 3 inleidende dagvaarding) heeft [Winkelinterieurs] [de vennootschap] bericht:
‘Conform onze telefonische afspraak hebben we als volgt besloten:
[Winkelinterieurs] geeft [de vennootschap] nog een jaar respijt om de 5 [de vennootschap] Winkels/onderdelen af [te nemen, hof] onder de volgende voorwaarden:
A) [Winkelinterieurs] zal de aanwezige fysieke [de vennootschap] voorraad order picken en volgende week versturen naar het hoofdkantoor van [de vennootschap] in [vestigingsplaats] . (vrachtkosten van 350,- euro zijn voor rekening van [de vennootschap] )
B) Boven vernoemde onderdelen zullen per ommegaande door [de vennootschap] worden betaald.
C) De resterende afname verplichting die [Winkelinterieurs] heeft bij haar leveranciers zal [Winkelinterieurs] trachten om te zetten naar materiaal en kleuren volgens het nieuwe [de vennootschap] concept. Mocht hier om wat voor reden extra kosten aan verbonden zijn zullen deze kosten 1 op 1 worden doorberekend aan [de vennootschap] .
D) Wat betreft [de vennootschap] [vestigingsnaam] zal [Winkelinterieurs] uiterlijk donderdag 29 november 2012 de tekeningen ontvangen en de productie opstarten en indien er geen levertijd problemen zijn met de nieuwe kleur panelen/materialen zal [Winkelinterieurs] de meubels enz leveren in de 2e of 3e week januari 2013. De montage zal niet door [Winkelinterieurs] worden uitgevoerd, [Winkelinterieurs] zal alleen onderdelen leveren, ook voor de toekomstige leveringen.

E) Voor de overige afname verplichtingen in 2013 zal [de vennootschap] minimaal 6 weken vooraf een tekening aanleveren bij [Winkelinterieurs] die vervolgens op basis van deze tekening de meubels enz zal produceren/leveren tegen de contract prijzen of bij evt afwijkingen van meubels deze naar rato in prijs zal aanpassen.
F) wanneer mocht blijken dat [de vennootschap] 31 december 2013 nog niet alle materialen heeft afgenomen uit de lijst van afname verplichtingen, dan zal [Winkelinterieurs] deze artikelen produceren/leveren en zal [de vennootschap] deze na aflevering per ommegaande betalen.
G) (…)
Dit zijn de belangrijkste punten, indien akkoord dan zullen wij een nieuwe overeenkomst maken en samen ondertekenen.”

k) Bij e-mail van 30 november 2012 (prod. 4 inleidende dagvaarding) heeft [de vennootschap] gereageerd:

‘Een paar kort opmerkingen op uw mail.

A Begin volgende week ontvangen we de voorraadlijst en kan iemand van [de vennootschap] de voorraad bijvoorbeeld maandag ter plekke bekijken (we moeten kunnen inschatten hoe de voorraad eruit ziet en de ruimte die we nodig hebben in ons magazijn) B Akkoord C Extra kosten eerst in overleg D Akkoord, tekening is overigens al in jullie bezit.
E Akkoord

F Betreft omzetverplichting van nu nog 127.292,37 waarvan 44.669,29 is vooruitbetaald.’

l) [Winkelinterieurs] heeft [de vennootschap] bij e-mail d.d. 9 januari 2013 (prod. 6 inleidende dagvaarding) als volgt bericht:
‘(…)
Inmiddels zijn onze materialen bij u geleverd die wij hier op voorraad hadden en door u betaald. (onze dank daarvoor) Wat blijft staan is natuurlijk onze rest verplichting bij onze leveranciers.
Onze leveranciers zijn bereid de verplichting van de “oude” materialen kosteloos te laten vallen mits men daar alternatieve materialen voor in de plaats mogen leveren.
De status is momenteel als volgt:
* Aanvankelijke omzet verplichting: € 178.677,45-,
* reeds afgenomen fysieke voorraad: € 29.035,60-,
Totale restverplichting € 149.641,55-
Waarvan vooruitbetaald € 44.669,29
(Bedragen zijn excl btw)’.

m) Bij e-mail van 25 juni 2013 (prod. 7 cva) heeft [Winkelinterieurs] [de vennootschap] als volgt bericht:
‘Op onze e-mail van 9 januari jl. (…) hebben wij helaas geen antwoord meer van u mogen ontvangen.
Wij willen u eraan herinneren dat wij nog steeds geen enkele opdracht meer hebben gehad voor het (ver)bouwen van een [de vennootschap] winkel en derhalve ook nog steeds het resterende bedrag van ruim 100k openstaat.
Graag vernemen wij van u of er de komende maanden zicht is op [de vennootschap] verbouwingen.’

n) Bij e-mail van 14 augustus 2013 (prod. 9 cva) heeft [de vennootschap] [Winkelinterieurs] als volgt bericht:
‘We hebben dit jaar buiten [vestigingsplaats] , nog geen voorraad afgenomen, aangezien we een aantal nieuw geplande winkels en verbouwingen (nog) niet door zijn gegaan of zijn uitgesteld.
De verwachting is dat we in oktober de winkel in [vestigingsplaats] gaan ombouwen. Tevens staat in oktober een nieuwe winkel in [vestigingsplaats] gepland en zijn we verregaand in gesprek met een nieuwe ondernemer voor een winkel in [vestigingsplaats] (pand is in optie), voor opening begin november.
Het wachten is nu op de definitieve tekening van [vestigingsplaats] . Deze verwacht ik eind augustus te ontvangen, zodat hiermee snel een start kan worden gemaakt.
Gezien de planning van bovenstaande projecten, verwacht ik voor het einde van het jaar aan de afnameverplichting te kunnen voldoen.’

o) Bij e-mail van 2 januari 2014 (prod. 14 cva) heeft [de vennootschap] [Winkelinterieurs] als volgt bericht:
‘(…) Ik wil in ieder geval alvast melden, dat u in het overzicht [vestigingsplaats] nog niet heeft meegenomen. Het totale factuurbedrag hiervan was € 57.094,20 (gaan nog wel montagekosten vanaf (…)), waarmee ruim aan de afnameverplichting is voldaan.’

p) Bij e-mail van 7 januari 2014 (prod. 15 cva) heeft [Winkelinterieurs] hierop als volgt gereageerd:
‘Het project [de vennootschap] [vestigingsplaats] is niet in het overzicht opgenomen aangezien dit een project betreft van 2012, en daarna pas onze nieuwe overeenkomst is opgemaakt.
Dit project bestond deels uit bruikbaar stelling materiaal wat wij voor u op voorraad hadden staan. De meubel elementen zijn gemaakt van plaatmaterialen die niet in de overeenkomst stonden en die wij ook niet van de voorraad af hebben kunnen halen.
In de aanvankelijke omzetverplichting van € 178.677,15 was het bruikbare winkelmateriaal voor [vestigingsplaats] reeds in mindering gebracht (te weten € 8.514,20)
In de e-mail d.d. 09-01-2012 [bedoeld wordt: 2013; zie onder l), hof] hebben wij aangegeven dat onze leveranciers bereid waren “oude” materialen kosteloos te laten vervallen mits men daar alternatieve materialen voor in de plaats mochten leveren.
Dit hebben wij voor de projecten [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] ook gedaan. Voor [vestigingsplaats] was dit nog niet van kracht en van toepassing.
Het overzicht wat u heeft ontvangen betreft dus de bedragen welke na 9 januari en in 2013 aan u en aan World of Delights gefactureerd zijn.
Derhalve verzoeken wij u nog de resterende verplichting voor 17 januari 2014 aan ons over te maken.

q) Bij e-mail van 10 januari 2014 prod. 16 cva) heeft [de vennootschap] [Winkelinterieurs] als volgt bericht:
‘Op 23 maart zijn er opnieuw afspraken gemaakt over de afnameverplichting van [de vennootschap] . Op dat moment was de afnameverplichting 178.677,15, waarvan 25% per direct is betaald. In juni 2012 is [vestigingsplaats] centrum verbouwd. Deze verbouwing heeft na de gestelde afnameverplichting plaatsgevonden en moet hiermee dus worden verminderd. Ik heb hier nog naar verwezen in mijn mail van 26 november 2012.
Opvolgend op die mail hebben we afspraken gemaakt over verdere afwikkeling van de restant afnameverplichting in de vorm van afname voorraad en aankomende verbouwingen van winkels. We hebben aan al die verplichtingen voldaan zoals in bijgevoegd overzicht ook is aangegeven.
Conclusie is dat we ruimschoots aan onze afnameverplichting hebben voldaan en dat we nu het verschil tussen het vooruitbetaalde bedrag minus nog niet betaalde facturen geretourneerd moeten krijgen.’
r) Bij brief van 14 augustus 2014 van de raadsman van [de vennootschap] (prod. 7 inleidende dagvaarding) heeft [de vennootschap] [Winkelinterieurs] verzocht en voor zover nodig gesommeerd om binnen vijf werkdagen een bedrag ad € 32.279,19 over te maken, met de aankondiging dat [Winkelinterieurs] bij niet-betaling in rechte zal worden betrokken.

s) Bij brief van 18 september 2014 (prod. 8 inleidende dagvaarding) heeft [Winkelinterieurs] de raadsman van [de vennootschap] als volgt bericht:
‘Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 14 augustus 2014 delen wij u hierbij mede dat deze niet correct door u zijn opgesteld. In het overzicht van de afnameverplichting dienen alleen bedragen te zijn opgenomen zonder vracht en montage.
Te weten:
[de vennootschap] [vestigingsplaats] € 51.384,78 - € 42.870,58 specials = € 8.514,20
[de vennootschap] [vestigingsplaats] € 49.987,52 - € 4.744,52 montage = € 45.243,00
[de vennootschap] [vestigingsplaats] € 38.098,80 - € 3.975,00 montage = € 34.123,79
[vestigingsplaats] € 17.785,64
Afgenomen voorraad € 39.035,60
[vestigingsplaats] Glasdopjes € 28,20
[vestigingsplaats] € 162,58
Totaal € 144.893,01

Er blijkt door u te weinig te zijn afgenomen voor een bedrag van € 33.784,19


Betaling 2011 € 44.669,29
Restant afnameverplichting €- 10.885,10

Niet betaald facturen [de vennootschap] € 12.390,10

Nog te vorderen door [Winkelinterieurs] € 1.505,00

De eerste aanleg

3.2.1.

[de vennootschap] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat:

I. [Winkelinterieurs] te veroordelen om aan [de vennootschap] te betalen een bedrag van € 32.279,19 exclusief BTW, met rente, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

II. [Winkelinterieurs] te veroordelen om aan [de vennootschap] te betalen een bedrag van € 1.097,79 exclusief BTW, wegens kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte;

III. [Winkelinterieurs] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met rente.

3.2.2.

[de vennootschap] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, samengevat, dat sprake is van onverschuldigde betaling, omdat [de vennootschap] € 171.636,23 heeft betaald aan [Winkelinterieurs] , terwijl [Winkelinterieurs] aan [de vennootschap] slechts € 139,357,04 heeft gefactureerd. Vanaf een later moment in de procedure heeft [de vennootschap] haar vordering subsidiair gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking.

3.2.3.

[Winkelinterieurs] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft vervolgens in reconventie gevorderd, samengevat:

  1. [de vennootschap] te veroordelen om aan [Winkelinterieurs] te betalen een bedrag van € 14.992,02, met rente, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

  2. [de vennootschap] te veroordelen om aan [Winkelinterieurs] te betalen een bedrag van € 1.491,86, wegens buitengerechtelijke kosten, met rente;

  3. [de vennootschap] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met rente.

3.2.4.

[Winkelinterieurs] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, samengevat, dat zij recht heeft op het gevorderde bedrag wegens openstaande facturen voor door haar verricht werk tot een bedrag van € 12.390,10 exclusief BTW.

3.2.5.

[de vennootschap] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 18 maart 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2015.

3.3.2.

In het eindvonnis van 9 september 2015 heeft de rechtbank de vorderingen in conventie afgewezen, onder veroordeling van [de vennootschap] in de proceskosten.
De vordering in reconventie heeft de rechtbank toegewezen tot het bedrag van € 1.730,75, met rente, onder afwijzing van de vordering voor het meerdere en onder veroordeling van [de vennootschap] in de proceskosten.

3.3.3.

De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat niet is vast komen te staan dat [de vennootschap] enig bedrag onverschuldigd heeft betaald aan [Winkelinterieurs] en dat evenmin sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. In verband met de vordering in reconventie heeft de rechtbank overwogen dat op het gevorderde bedrag van € 12.390,10 een bedrag van
€ 10.885,10 in mindering dient te worden gebracht, conform het eigen standpunt van [Winkelinterieurs] in haar brief van 18 mei 2014, zodat een bedrag van € 1.505,- resteert. Aan buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank daarnaast een bedrag van € 225,75 toewijsbaar geacht.

De grieven en de omvang van het hoger beroep

3.4.1.

[de vennootschap] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [de vennootschap] heeft, onder vermeerdering van haar eis, geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.

3.4.2.

[de vennootschap] vordert onder meer de vernietiging van het tussenvonnis van 18 maart 2015. Dit tussenvonnis is een vonnis als bedoeld in art. 131 Rv. Op grond van deze bepaling staat tegen een dergelijk tussenvonnis geen hogere voorziening open. [de vennootschap] zal daarom in het mede tegen dit tussenvonnis gerichte hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.4.3.

Na eiswijziging vordert [de vennootschap] thans, samengevat:
1. primair:
a) [Winkelinterieurs] te veroordelen om aan [de vennootschap] te betalen een bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW, met rente, althans een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
b) [Winkelinterieurs] te veroordelen om aan [de vennootschap] te betalen een bedrag van € 1.097,79 exclusief BTW, wegens kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte;
2. subsidiair:

a) de overeenkomst van 20 maart 2009 (partieel) te ontbinden met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
b) [Winkelinterieurs] te veroordelen om aan [de vennootschap] te betalen een bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW, met rente, althans een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;
3. meer subsidiair:
[Winkelinterieurs] te veroordelen om op verzoek van [de vennootschap] goederen te leveren ter waarde van
€ 33.784,19:
4. [Winkelinterieurs] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, met rente, en met veroordeling van [Winkelinterieurs] om aan [de vennootschap] terug te betalen het bedrag dat laatstgenoemde aan proceskosten heeft betaald uit hoofde van het eindvonnis waarvan beroep.

3.4.4.

In het kader van de eiswijziging heeft [de vennootschap] de grondslag van haar primaire vordering gewijzigd, in die zin dat zij deze vordering in hoger beroep uitsluitend nog baseert op ongerechtvaardigde verrijking.
De vordering tot (terug)betaling onder primair en subsidiair is door [de vennootschap] vermeerderd met een bedrag van € 1505,-, zijnde het bedrag tot betaling waarvan [de vennootschap] , in hoofdsom, is veroordeeld in reconventie. [de vennootschap] vordert daarnaast veroordeling van [Winkelinterieurs] om terug te betalen het bedrag dat laatstgenoemde aan proceskosten heeft betaald uit hoofde van het eindvonnis waarvan beroep.
De vermeerderde vordering heeft geen betrekking op het bedrag van € 225,75, tot betaling waarvan [de vennootschap] in reconventie is veroordeeld wegens buitengerechtelijke kosten. Tegen deze beslissing zijn ook geen grieven gericht, zodat de beslissing van de rechtbank in zoverre in stand dient te blijven.

3.4.5.

De grieven hebben betrekking op beslissingen van de rechtbank inzake de inhoud van de overeenkomst(en) tussen partijen (grieven 1-4), de ongerechtvaardigde verrijking (grief 5) en de bedragen die partijen - al dan niet - van elkaar te vorderen hebben
(grieven 6-7).
De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

De afnameverplichting van [de vennootschap] in de periode tot en met december 2013

3.5.1.

Een aanzienlijk deel van het debat van partijen heeft betrekking op de omvang en de inhoud van de afnameverplichting die [de vennootschap] op zich heeft genomen in de overeenkomst van maart 2009 (hierna: de overeenkomst; zie r.o. 3.1. onder c).

3.5.2.

[Winkelinterieurs] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de overeenkomst [de vennootschap] verplicht om (niet anders dan) interieurdelen volgens de bij de overeenkomst gevoegde lijst af te nemen. Op deze lijst (zie r.o. 3.1. onder d) staan interieurdelen conform de tot in 2012 door [de vennootschap] gehanteerde winkelformule.
In hun nadere overeenkomst van november 2012 (hierna: de nadere overeenkomst; zie r.o. 3.1. onder j en k) hebben partijen afgesproken dat [de vennootschap] de interieurdelen die [Winkelinterieurs] op dat moment voor [de vennootschap] op voorraad hield, bij [de vennootschap] zou afleveren. Deze afspraak, die door [Winkelinterieurs] is nagekomen, had betrekking op interieurdelen conform de lijst, zodat deze leverantie door [Winkelinterieurs] is toegerekend aan de overeenkomst. Met de leverantie was een bedrag van € 39.035,60 gemoeid, dat door [de vennootschap] is betaald.

3.5.3.

Volgens [Winkelinterieurs] ’ aanvankelijke standpunt stond de leverantie van interieurdelen conform [de vennootschap] nieuwe winkelformule (gehanteerd vanaf 2012, met - volgens [Winkelinterieurs] - afwijkende afmetingen, materialen en/of kleuren) los van de overeenkomst.

Op dit standpunt is [Winkelinterieurs] nadien teruggekomen, in die zin dat zij erin heeft toegestemd om de leveranties in 2013, voor de volgens de nieuwe formule ingerichte [de vennootschap] -winkels in [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] ) en [vestigingsplaats] , toe te rekenen aan de overeenkomst. [Winkelinterieurs] is tot dit standpunt gekomen naar aanleiding van de afspraken tussen partijen in de nadere overeenkomst van eind 2012.
De desbetreffende facturen zijn betaald, behoudens een bedrag van (per saldo) € 12.390,10 exclusief BTW in verband met [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] .

3.5.4.

[Winkelinterieurs] heeft daarentegen niet het standpunt verlaten dat de inrichting van de winkel in [vestigingsplaats] - medio 2012 en volgens de nieuwe formule - lost staat van de overeenkomst. [Winkelinterieurs] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de nadere overeenkomst pas is gesloten ná de afronding van [vestigingsplaats] .
[Winkelinterieurs] maakt op dit punt een uitzondering voor de interieurdelen conform de oude formule (tot een bedrag van € 8.514,20 exclusief BTW), die volgens [Winkelinterieurs] ook bruikbaar waren in [vestigingsplaats] . [Winkelinterieurs] wil de inrichting van de winkel in [vestigingsplaats] daarom uitsluitend voor het genoemde bedrag van € 8.514,20 exclusief BTW toerekenen aan de overeenkomst (zie onder meer r.o. 3.1. onder p).

3.5.5.

Bij brief van 18 september 2014 (zie r.o. 3.1. onder s) heeft [Winkelinterieurs] zich jegens [de vennootschap] op het standpunt gesteld dat laatstgenoemde, al met al, nog voor € 33.784,19 exclusief BTW aan interieurdelen conform de overeenkomst diende af te nemen. In dezelfde brief heeft [Winkelinterieurs] , samengevat, dit bedrag en het openstaande bedrag van € 12.390,10 exclusief BTW verrekend met het door [de vennootschap] betaalde voorschot ad € 44.669,29 exclusief BTW (zie r.o. 3.1. onder g) en, uiteindelijk, gesteld dat zij nog € 1.505,- exclusief BTW te vorderen had van [de vennootschap] .
Dit standpunt heeft [Winkelinterieurs] nadien niet verlaten.

3.5.6.

[de vennootschap] heeft zich steeds (primair) op het standpunt gesteld dat de leveranties voor de winkels in [vestigingsplaats] , [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] volledig dienen te worden toegerekend aan de overeenkomst, zodat [de vennootschap] volledig heeft voldaan aan haar afnameverplichting op grond van de overeenkomst. Meer concreet stelt [de vennootschap] (primair) dat zij vanaf begin 2011, tegenover een afnameverplichting groot € 178.677,45 exclusief BTW, voor een bedrag van € 187.763,60 exclusief BTW aan winkelinterieurs heeft afgenomen.
Volgens [de vennootschap] heeft zij in verband daarmee in totaal € 221.547,79 exclusief BTW aan [Winkelinterieurs] betaald. In dat bedrag is inbegrepen het in 2011 betaalde voorschot en de betaling van € 1505,- naar aanleiding van het eindvonnis waarvan beroep en verder is rekening gehouden met het nog openstaande bedrag van € 12.390,10 exclusief BTW.
[de vennootschap] stelt dat zij daarom, in totaal, een bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW te veel heeft betaald. [de vennootschap] onderbouwt deze stelling met een totaaloverzicht (hierna: overzicht I) van leveranties en betalingen vanaf 2012 (prod. 2 mvg).

Subsidiair stelt [de vennootschap] dat zij, ook als [vestigingsplaats] buiten beschouwing wordt gelaten conform het standpunt van [Winkelinterieurs] , het genoemde bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW te veel heeft betaald. [de vennootschap] onderbouwt deze stelling met een totaaloverzicht (hierna: overzicht II) van leveranties en betalingen, waarin [vestigingsplaats] voor het volgens [Winkelinterieurs] zelf gehanteerde bedrag van € 8.514,20 exclusief BTW is opgenomen (prod. 3 mvg).

3.5.7.

Het hof overweegt dat de in overzichten I en II opgenomen deelbedragen overeenstemmen met de standpunten die partijen eerder in de procedure hebben ingenomen en met de inhoud van de door hen overgelegde overeenkomsten, facturen, brieven en
e-mails. [Winkelinterieurs] heeft de juistheid van de bedragen en de op basis daarvan gemaakte berekeningen in de beide totaaloverzichten ook niet betwist.

Dit leidt het hof tot het oordeel dat tussen partijen vast staat dat [Winkelinterieurs] eind 2013, conform de beide overzichten, voor € 187.763,60 aan winkelinterieurs had geleverd ten behoeve van [de vennootschap] -winkels en daarvoor in totaal (en dus met inbegrip van het in maart 2011 betaalde voorschot, maar het pas in 2015 betaalde bedrag van € 1.505,- buiten beschouwing latend)
€ 220.042,79 had ontvangen.
Daaruit volgt dat [Winkelinterieurs] eind 2013 een bedrag van € 32.279,19 méér had ontvangen dan het bedrag waarvoor zij tot dan toe aan interieurdelen had geleverd en gefactureerd.
Dit bedrag is correct als ervan uit wordt gegaan dat alle leveranties zijn geschied uit hoofde van de overeenkomst (zoals volgt uit de stellingen van [de vennootschap] ), of dat zij zijn geschied uit hoofde van de overeenkomst en een afzonderlijke overeenkomst inzake [vestigingsplaats] (zoals volgt uit de stellingen van [Winkelinterieurs] ).

3.5.8.

Als [de vennootschap] zich terecht op het standpunt zou stellen dat zij eind 2013 aan haar afnameverplichting heeft voldaan, dan volgt daaruit naar het oordeel van het hof dat partijen sindsdien niets meer van elkaar te vorderen hebben (in elk geval waar het de hoofdverbintenissen uit de overeenkomst betreft en afgezien van het openstaande bedrag van € 12.390,10 exclusief BTW). In dat geval kan [de vennootschap] zich terecht op het standpunt stellen dat zij méér heeft betaald dan in totaal is geleverd en gefactureerd en ligt het voor de hand dat [Winkelinterieurs] het te veel betaalde (inmiddels: € 32.279,19 + € 1505,- = € 33.784,19) retourneert, als zijnde onverschuldigd betaald.

3.5.9.

Als [de vennootschap] echter geen gelijk zou hebben en [vestigingsplaats] slechts voor een bedrag van
€ 8.514,20 exclusief BTW in mindering zou komen op de afnameverplichting, dan leidt dat het hof tot het oordeel dat [de vennootschap] eind 2013 nog voor € 33.784,19 exclusief BTW aan interieurdelen diende af te nemen.
Voor dat geval waren partijen in november 2012 overeengekomen dat [Winkelinterieurs] de nog niet afgenomen materialen, conform de lijst bij de overeenkomst, alsnog zou produceren/leveren en dat [de vennootschap] deze artikelen na de aflevering per ommegaande zou betalen (zie r.o. 3.1.
onder j sub F en onder k).
Indien hiervan wordt uitgegaan, kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de handelwijze van [Winkelinterieurs] in haar brief van 18 september 2014 (zie r.o. 3.1. onder l) en r.o. 3.5.5.), want door de toegepaste verrekening heeft [Winkelinterieurs] de betaling van een bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW afgedwongen op een moment dat zij daarop uit hoofde van de nadere overeenkomst nog geen recht had. In die nadere overeenkomst hadden partijen immers neergelegd dat [Winkelinterieurs] éérst zou leveren en dat [de vennootschap] pas daarna zou betalen. De vordering op [de vennootschap] was daarom nog niet opeisbaar; de toegepaste verrekening komt daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 6:127 lid 2-slot BW.
Anderzijds kan [de vennootschap] zich in de situatie die hier aan de orde is - waarin zij nog niet aan haar afnameverplichting heeft voldaan, de overeenkomst dus nog niet volledig is nagekomen en vervolgens de nadere overeenkomst onder F van toepassing is - niet zonder meer op het standpunt stellen dat zij € 32.279,19 exclusief BTW onverschuldigd heeft betaald. Dat standpunt heeft [de vennootschap] in eerste aanleg ingenomen, maar [de vennootschap] heeft daarmee miskend dat het enkele feit dat een schuldenaar eerder presteert dan op grond van de overeenkomst van hem kan worden verlangd, omdat eerst de wederpartij dient te presteren, niet betekent dat onverschuldigd is betaald (zie onder meer Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/430). Onder deze omstandigheden zou ook geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, reeds omdat ter onderbouwing daarvan geen andere argumenten worden aangevoerd dan [de vennootschap] aanvoert ter onderbouwing van de onverschuldigde betaling.

3.5.10.

Gelet op het voorgaande is het van belang om de vraag te beantwoorden of [de vennootschap] eind 2013 - al dan niet - aan haar afnameverplichting had voldaan.
Het hof wijst er in dit verband op dat [Winkelinterieurs] heeft gesteld dat de prijzen in de overeenkomst (uit 2009) waren gebaseerd op de afname van tien dezelfde winkelinterieurs binnen korte tijd en dat zij, [Winkelinterieurs] , op deze basis ook had gecontracteerd met haar eigen leveranciers. Deze stellingen vinden bevestiging in de bepaling op de bij de overeenkomst horende lijst van af te nemen interieurdelen, dat de prijzen zijn gebaseerd op een opdracht voor tien, binnen twaalf maanden af te nemen winkels (zie r.o. 3.1. onder d).
De beide stellingen van [Winkelinterieurs] zijn als zodanig ook niet betwist door [de vennootschap] . [de vennootschap] stelt dat uit de bepaling op de lijst niet volgt dat zij verplicht was om de tien interieurs binnen één jaar af te nemen. Ook als dat waar is, blijft overeind de stelling van [Winkelinterieurs] dat de prijsstelling in de overeenkomst - in voor [de vennootschap] gunstige zin - was gebaseerd op het grote volume aan interieurdelen dat [de vennootschap] had toegezegd af te nemen.
In de nadere overeenkomst (van eind 2012) had [Winkelinterieurs] op zich genomen om te trachten de resterende afnameverplichting bij haar leveranciers om te zetten naar materialen en kleuren volgens het nieuwe winkelconcept. Punt van discussie waren aanvankelijk de (mogelijk) aan de omzetting verbonden extra kosten: [Winkelinterieurs] kondigde aan dat zij deze volledig zou doorberekenen aan [de vennootschap] ; [de vennootschap] maakte dienaangaande het voorbehoud van haar instemming vooraf (zie r.o. 3.1. onder j- sub C en onder k). In haar e-mail van 9 januari 2013 (zie r.o. 3.1. onder l) kon [Winkelinterieurs] [de vennootschap] vervolgens echter berichten dat haar leveranciers bereid waren om, kort gezegd, kosteloos nieuwe materialen te leveren in plaats van de ‘oude’. Hieruit volgt dat aan de omzetting van de leveranties naar de nieuwe winkelformule voor [Winkelinterieurs] noch [de vennootschap] extra kosten waren verbonden; [de vennootschap] heeft niets gesteld dat afdoet aan deze conclusie. Op deze basis zijn vervolgens in 2013 de overeenkomsten inzake [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] gesloten en, zoals te begrijpen valt, door [Winkelinterieurs] toegerekend aan de overeenkomst.

3.5.11.

De overeenkomst inzake [vestigingsplaats] neemt echter een speciale positie in. Afwijkend is allereerst dat de opdracht niet werd verstrekt door [de vennootschap] , maar door een franchisenemer, World of Delights. Afwijkend is ook dat de overeenkomst werd gesloten op basis van een aan World of Delights uitgebrachte offerte d.d. 23 april 2012, voor één winkel (prod. 28 van [Winkelinterieurs] ). De overeenkomst inzake [vestigingsplaats] was verder de eerste die betrekking had op interieurdelen volgens die nieuwe formule en zij werd volledig afgewikkeld voordat [Winkelinterieurs] eind 2012 de nadere overeenkomst zou sluiten met [de vennootschap] en daarmee ook vóór het moment dat [Winkelinterieurs] , rond de jaarwisseling 2012/2013, met háár leveranciers tot nadere afspraken zou komen over de kosteloze omzetting ‘van oud naar nieuw’.
[de vennootschap] heeft onweersproken gesteld dat zij uiteindelijk de kosten voor [vestigingsplaats] volledig voor haar rekening heeft genomen en zij stelt dat deze opdracht dan ook volledig in mindering dient te strekken op [de vennootschap] afnameverplichting jegens [Winkelinterieurs] .
Ter onderbouwing van dit standpunt voert [de vennootschap] allereerst aan dat de overeenkomst haar niet verplicht(te) om uitsluitend interieurdelen volgens de bij de overeenkomst behorende lijst af te nemen. Het hof volgt [de vennootschap] niet in dit standpunt, gelet op de door [de vennootschap] niet weersproken stelling van [Winkelinterieurs] dat zij [de vennootschap] in 2009 een gunstige prijs kon bieden omdat tien dezelfde winkelinterieurs ineens werden afgenomen (zie r.o. 3.5.10). Het hof wijst er verder op dat is gesteld noch gebleken dat partijen al in 2009 wisten of konden weten dat [de vennootschap] enkele jaren later haar winkelformule zou wijzigen, zodat niet valt in te zien waarom [de vennootschap] in 2009 zou menen - en mocht menen - dat zij in het kader van de overeenkomst ook andere interieurdelen zou mogen afnemen dan de delen op de lijst conform de op dat moment gehanteerde winkelformule.
voert in dit verband verder aan dat de nieuwe winkelformule slechts in beperkte mate afwijkt van de oude. Dit standpunt heeft [de vennootschap] echter onvoldoende onderbouwd, in het licht van de desbetreffende stellingen van [Winkelinterieurs] en de door deze overgelegde foto’s en de daarop gegeven toelichting. Het hof overweegt verder dat ook uit de eigen stellingen van [de vennootschap] volgt dat sprake is afwijkingen en dat uit de nadere overeenkomst en uit de gang van zaken rond de jaarwisseling van 2012/2013, zoals hiervoor geschetst, blijkt dat de afwijkingen (groot of klein) [Winkelinterieurs] noopten om nadere afspraken te maken met haar leveranciers (zie opnieuw r.o. 3.5.10).
Het voorgaande betekent dat het hof [Winkelinterieurs] volgt in haar stelling dat de overeenkomst inzake [vestigingsplaats] - gegeven de stand van zaken op het moment dat zij werd gesloten, tussen [Winkelinterieurs] en [de vennootschap] én tussen [Winkelinterieurs] en haar leveranciers - alleen ten aanzien van de interieurdelen conform de oude winkelformule dient te worden toegerekend aan de overeenkomst.
Naar het oordeel van het hof kon [Winkelinterieurs] zich daarom eind 2013 terecht op het standpunt stellen dat [de vennootschap] nog voor € 33.784,19 exclusief BTW aan interieurdelen diende af te nemen.
Het voorgaande betekent dat de grieven 1, 2, 3 en 4 falen. Uit het voorgaande, in samenhang met het in r.o. 3.5.9. overwogene, vloeit voort dat ook grief 5 faalt, en dat de primaire vordering van [de vennootschap] dient te worden afgewezen.
De (nadere) overeenkomst in de periode vanaf 2014

3.6.1.

De (naar nu blijkt: terechte) opvatting dat [de vennootschap] eind 2013 nog niet aan haar afnameverplichting had voldaan, is voor [Winkelinterieurs] geen aanleiding geweest om begin 2014 met [de vennootschap] in overleg te treden over de nakoming van de nadere overeenkomst onder F (het produceren/leveren van hetgeen nog niet was afgenomen). [de vennootschap] heeft op dat moment ook geen aanleiding gezien om [Winkelinterieurs] tot nakoming van deze afspraak aan te spreken.
Partijen hebben zich beperkt tot een debat over de vraag of [de vennootschap] aan [Winkelinterieurs] € 1.505,- exclusief BTW verschuldigd was (conform de brief van [Winkelinterieurs] van 18 september 2014), of dat [Winkelinterieurs] aan [de vennootschap] € 32.279,19 exclusief BTW verschuldigd was (conform het standpunt van [de vennootschap] op dat moment).
Op deze basis hebben partijen ook geprocedeerd in eerste aanleg. Die procedure heeft geleid tot het eindvonnis van 9 september 2015, waarvan beroep, dat betrekking heeft op de betalingsverplichtingen van partijen, en dat geen beslissingen bevat inzake het (voort)bestaan van de overeenkomst en de nadere overeenkomst als zodanig.

3.6.2.

Nadien heeft [de vennootschap] jegens [Winkelinterieurs] wél een beroep gedaan op de nadere overeenkomst onder F. De stellingname van [de vennootschap] komt erop neer dat [Winkelinterieurs] in ruil voor het reeds betaalde bedrag € 33.784,19 exclusief BTW alsnog interieurdelen dient te leveren (zie de e-mail van 29 oktober 2015 van [de vennootschap] aan [Winkelinterieurs] ; prod. 4 mvg).
is hiermee niet akkoord gegaan (zie de e-mail van dezelfde datum van [Winkelinterieurs] aan [de vennootschap] ; prod. 4 mvg).
Deze gang van zaken heeft ertoe geleid dat [de vennootschap] in hoger beroep subsidiair de partiële ontbinding van de overeenkomst tussen partijen vordert en de veroordeling van [Winkelinterieurs] om € 33.784,19 exclusief BTW te betalen aan [de vennootschap] en meer subsidiair de veroordeling van [Winkelinterieurs] tot nakoming van de nadere overeenkomst, in die zin dat laatstgenoemde wordt veroordeeld om op verzoek van [de vennootschap] goederen te leveren ter waarde van € 33.784,19 (zie r.o. 3.4.2.).

3.6.3.

Het hof overweegt dat deze beide vorderingen van [de vennootschap] zijn gebaseerd op het standpunt dat de overeenkomst uit 2009 (zoals gewijzigd en aangevuld in 2012) nog steeds bestaat. Dit standpunt is juist, nu uit hetgeen het hof in het voorgaande heeft geoordeeld volgt dat beide partijen hun verplichtingen uit die overeenkomst(en) nog niet volledig zijn nagekomen, en nu vast staat dat geen van partijen in de periode vanaf eind 2013 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de overeenkomst(en) te ontbinden en deze ontbinding evenmin in eerste aanleg is (gevorderd en) uitgesproken.

3.6.4.

[Winkelinterieurs] stelt zich desalniettemin op het standpunt dat [de vennootschap] niet langer kan verlangen dat zij, [Winkelinterieurs] , ter uitvoering van de (nadere) overeenkomst alsnog interieurdelen ten behoeve van [de vennootschap] bestelt of produceert.

De onderbouwing van dit standpunt kan het hof niet overtuigen, waartoe als volgt wordt overwogen.

3.6.5.

[Winkelinterieurs] beroept zich allereerst op de gang van zaken sedert 2012, die er volgens haar op neerkomt dat [de vennootschap] keer op keer haar (afname)verplichtingen niet is nagekomen. Dat moge zo zijn, maar die niet-nakoming is voor [Winkelinterieurs] steeds opnieuw aanleiding geweest om in te stemmen met uitstel en om, ten slotte, de nadere overeenkomst van eind 2012 te sluiten.
Gelet hierop is ook zonder belang dat [de vennootschap] eind 2013 niet volledig aan haar afnameverplichting had voldaan. Met het oog daarop waren partijen immers de verplichtingen over en weer in de nadere overeenkomst onder F overeengekomen, die [Winkelinterieurs] de zekerheid boden dat [de vennootschap] haar afnameverplichting alsnog en op korte termijn volledig zou nakomen. [Winkelinterieurs] stelt dan ook ten onrechte dat haar verplichting om interieurdelen tot het meergenoemde bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW te produceren met ingang van 1 januari 2014 is vervallen.
3.6.6. Verder heeft [Winkelinterieurs] een beroep gedaan op de hoge kosten van de door [de vennootschap] verlangde leverantie.
Dit standpunt heeft [Winkelinterieurs] echter niet nader onderbouwd, wat op haar weg had gelegen, des te meer nu zij de bij haarzelf aanwezige voorraad [de vennootschap] -interieurdelen in december 2012 heeft geleverd aan [de vennootschap] (zie r.o. 3.5.2.) en in de loop van 2013 is gebleken dat haar leveranciers de bereidheid hadden om zonder extra kosten andere interieurdelen te leveren dan in 2009 overeengekomen (zie r.o. 3.5.10.).

Los daarvan betekenen de (gestelde) hoge kosten niet dat zonder meer sprake is van een situatie waarin [de vennootschap] niet langer kan verlangen dat [Winkelinterieurs] haar kant van de (nadere) overeenkomst nakomt. Voor zover [Winkelinterieurs] heeft bedoeld te stellen dat dit alsnog presteren voor haar (praktisch, relatief) onmogelijk is, heeft zij dat standpunt in elk geval onvoldoende onderbouwd.

3.6.7.

[Winkelinterieurs] heeft tevens een beroep gedaan op de schade die zij inmiddels zou hebben geleden, doordat [de vennootschap] keer op keer haar afnameverplichting niet tijdig is nagekomen.

Ook dat standpunt kan [Winkelinterieurs] niet baten.
heeft het bestaan van deze schade in de eerste plaats niet deugdelijk onderbouwd, wat op haar weg had gelegen, met name gelet op de (eerder genoemde) bereidheid van haar afnemers om zonder extra kosten over te schakelen op de productie/levering van interieurdelen conform de nieuwe winkelformule.
heeft nog gesteld dat zij na december 2013 voor [de vennootschap] bestemde interieurdelen heeft vernietigd, omdat zij ervan uitging dat zij deze niet aan [de vennootschap] zou (behoeven te) leveren. Desgevraagd is [Winkelinterieurs] tijdens het pleidooi in hoger beroep echter niet in staat geweest om aan te geven op welke interieurdelen deze stelling betrekking heeft. Die vraag lag voor de hand, gelet op de (eerder genoemde) levering in 2012 van alle tot dan toe door [Winkelinterieurs] voor [de vennootschap] op voorraad gehouden interieurdelen.

Los van het voorgaande overweegt het hof dat de (gestelde) schade voor [Winkelinterieurs] aanleiding had kunnen vormen om jegens [de vennootschap] aanspraak te maken op een (aanvullende) schadevergoeding, en om in het verlengde daarvan een beroep te doen op een opschortingsbevoegdheid (ter zake de verplichting onder F) of op verrekening (in verband met de openstaande facturen inzake [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] ).
[Winkelinterieurs] heeft dit alles niet gedaan en heeft tot op heden zelfs geen concreet schadebedrag genoemd en onderbouwd. Het hof ziet daarom geen aanleiding om [Winkelinterieurs] , overeenkomstig haar aanbod, toe te laten tot het bewijs van de door haar geleden schade.

3.6.8.

Mede gelet op het voorgaande faalt, ten slotte, ook [Winkelinterieurs] ’ beroep op rechtsverwerking.
Dat beroep zou kunnen slagen als zou komen vast te staan dat [de vennootschap] zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nu, alsnog, geldend maken van haar recht op nakoming van de nadere overeenkomst onder F. Dat zou met name het geval kunnen zijn als [de vennootschap] in of na 2014 het gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gewekt dat zij niet langer deze nakoming zou verlangen of als de positie van [Winkelinterieurs] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard door deze nakoming (zie onder meer HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708, HR 29 september 1995, NJ 1996, 89 en HR 24 mei 2002, NJ 2003, 267).

Aan [Winkelinterieurs] kan worden toegegeven dat [de vennootschap] in eerste aanleg uitsluitend aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van het (in haar ogen) te veel betaalde. Daar staat tegenover dat juist [Winkelinterieurs] aanleiding heeft gegeven tot deze opstelling, door haar niet-correcte verrekening in de brief van 18 september 2014 (zie r.o. 3.5.9.). Daarin lag immers besloten het standpunt dat [Winkelinterieurs] niet langer interieurdelen wilde leveren aan [de vennootschap] en streefde naar een uitsluitend-financiële afwikkeling van de onderlinge relatie. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het [de vennootschap] is geweest die bij [Winkelinterieurs] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij niet langer aanspraak zou maken op de nakoming van de nadere overeenkomst onder F.
Gelet op hetgeen het hof in het voorgaande heeft overwogen over de (gestelde, maar niet deugdelijk onderbouwde) hoge kosten en de (gestelde, maar niet deugdelijk onderbouwde) geleden schade kan ook niet worden geoordeeld dat [de vennootschap] aanspraak op nakoming van de nadere overeenkomst onder F leidt tot onredelijk nadeel bij [Winkelinterieurs] .

3.6.9.

Dit een en ander betekent dat [Winkelinterieurs] in de periode na het wijzen van het eindvonnis in eerste aanleg ten onrechte heeft geweigerd om, terwijl dat mogelijk was en van [Winkelinterieurs] kon worden verlangd, alsnog interieurdelen conform de nadere overeenkomst onder F te leveren aan [de vennootschap] .
Deze gang van zaken heeft ertoe geleid dat [Winkelinterieurs] inmiddels in verzuim is komen te verkeren op grond van het bepaalde in artikel 6:83, aanhef en sub c BW.
heeft nog gesteld dat haar (vermeende) tekortkoming de gevorderde ontbinding niet rechtvaardigt, maar heeft nagelaten dit standpunt te onderbouwen. Reeds gelet op het geldbedrag dat met de op [Winkelinterieurs] rustende plicht tot levering van interieurdelen is gemoeid, is het hof van oordeel dat geen sprake is van de situatie dat de tekortkoming de partiële ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
heeft verder een beroep gedaan op overmacht, maar miskent daarmee dat de ontbinding van een wederkerige overeenkomst ook mogelijk is in het geval de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
Anders dan [Winkelinterieurs] lijkt te stellen, is ter zake de verbintenis tot aflevering van interieurdelen conform de nadere overeenkomst onder F geen sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [de vennootschap] . [Winkelinterieurs] heeft niet gesteld en onderbouwd dat ter zake is voldaan aan de vereisten in de artikelen 6:58 of 6:59 BW.
Gezien dit een en ander is voldaan aan de vereisten voor de subsidiair gevorderde partiële ontbinding.

3.6.10.

Gelet op het voorgaande slagen de grieven 6 en 7, die betrekking hebben op de beslissingen van de rechtbank, in conventie en in reconventie, inzake de betalingsverplichtingen van partijen.

3.6.11.

Het hof zal het eindvonnis waarvan beroep vernietigen (behoudens ten aanzien van de beslissing in reconventie inzake de buitengerechtelijke kosten; zie r.o. 3.4.4.) en zal de overeenkomst tussen partijen, zoals gewijzigd en aangevuld in de nadere overeenkomst, met ingang van heden partieel ontbinden, namelijk voor het deel van de overeenkomst dat door [Winkelinterieurs] nog niet is nagekomen (de verplichting tot levering van interieurdelen in de nadere overeenkomst onder F), inclusief de daar tegenover staande betalingsverplichting van [de vennootschap] tot het bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW.
In het voorgaande is gebleken dat [de vennootschap] deze betalingsverplichting reeds is nagekomen (mede als gevolg van de betaling van € 1.505,- naar aanleiding van het eindvonnis waarvan beroep, op grond van het oordeel van de rechtbank dat [Winkelinterieurs] recht had op dit bedrag uit hoofde van de overeenkomst). Het hof zal [Winkelinterieurs] daarom veroordelen om het genoemde bedrag op de voet van het bepaalde in artikel 6:271 BW terug te betalen aan [de vennootschap] .
heeft recht op wettelijke rente over het terug te betalen bedrag conform de in het dictum neer te leggen beslissing.

3.6.12.

Voor het geval het hof haar zou veroordelen om ten gevolge van de ontbinding enig bedrag te betalen aan [de vennootschap] , heeft [Winkelinterieurs] een beroep gedaan op matiging. [Winkelinterieurs] heeft niet toegelicht op welke wettelijke bepaling zij dit verweer baseert. Los daarvan kunnen de ter onderbouwing van het beroep op matiging aangevoerde omstandigheden (de niet-nakoming door [de vennootschap] , de schade bij [Winkelinterieurs] ) niet overtuigen. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hij heeft overwogen in de r.o. 3.6.5. en volgende.

3.6.13.

Het slagen van de grieven 6 en 7 en de daarop te baseren vernietiging van het eindvonnis waarvan beroep betekenen dat het hof ook opnieuw dient te beslissen op de (reconventionele) vordering van [Winkelinterieurs] (behoudens ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten, zoals in het voorgaande overwogen).
Deze vordering heeft, in hoofdsom, betrekking op het bedrag van € 12.390,10 exclusief BTW. Tussen partijen staat vast dat [de vennootschap] dit bedrag nog verschuldigd is aan [Winkelinterieurs] , ter zake [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] .
Zowel [Winkelinterieurs] als [de vennootschap] hebben dit bedrag steeds verdisconteerd in hun berekeningen die hebben geresulteerd in het bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW, dat [Winkelinterieurs] nu aan [de vennootschap] dient (terug) te betalen (zie de r.o. 3.5.5. en 3.5.6.). Daarom bestaat geen grond om [de vennootschap] afzonderlijk te veroordelen tot betaling van de hoofdsom ad € 12.390,10 exclusief BTW aan [Winkelinterieurs] .
kan jegens [de vennootschap] wel nog aanspraak maken op betaling van de BTW over dit bedrag, zijnde € 1.601,92, en op de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 12.390,10 vanaf 5 december 2013. Het hof overweegt in dit verband dat [de vennootschap] inzake de BTW en de wettelijke handelsrente geen verweer heeft gevoerd (afgezien van de meer algemene stelling dat [Winkelinterieurs] per saldo niets van haar, [de vennootschap] , te vorderen heeft).

3.7.

Het hof zal [Winkelinterieurs] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van beide instanties.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [de vennootschap] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 82,34

- griffierecht € 1.909,00

- totaal verschotten € 1.991,34

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, voor conventie en reconventie tezamen:

3 punten x € 579,- € 1.737,-.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de vennootschap] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 82,63

- griffierecht € 1.937,00

totaal verschotten € 2.019,63

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3 punten x € 1.158,- € 3.474,-.

Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

De door [de vennootschap] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordelingen zal op na te melden wijze worden toegewezen.

De vordering om [Winkelinterieurs] te veroordelen om aan [de vennootschap] terug te betalen het bedrag dat laatstgenoemde aan proceskosten heeft betaald uit hoofde van het eindvonnis waarvan beroep zal worden toegewezen.

Het over en weer gevorderde zal voor het overige worden afgewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [de vennootschap] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van
18 maart 2015,

bekrachtigt het eindvonnis van 9 september 2015 ten aanzien van de beslissing in reconventie inzake de buitengerechtelijke kosten tot het bedrag van € 225,75,
vernietigt het genoemde eindvonnis voor het overige,

en opnieuw rechtdoende:

ontbindt met ingang van heden de tussen partijen gesloten overeenkomst van 18/20 maart 2009, zoals gewijzigd en aangevuld in de nadere overeenkomst van 27/30 november 2012, maar uitsluitend voor zover het betreft het deel van de overeenkomst dat door [Winkelinterieurs] nog niet is nagekomen (zijnde de verplichting tot levering van interieurdelen conform de nadere overeenkomst onder F), inclusief de daar tegenover staande betalingsverplichting van [de vennootschap] tot het bedrag van € 33.784,19 exclusief BTW,


veroordeelt [Winkelinterieurs] om aan [de vennootschap] te betalen een bedrag groot € 33.784,19 exclusief BTW, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na heden moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt [de vennootschap] om aan [Winkelinterieurs] te betalen een bedrag groot € 1.601,92, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 5 december 2013 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt [de vennootschap] om aan [Winkelinterieurs] te betalen de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag groot € 12.390,10 vanaf 5 december 2013 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt [Winkelinterieurs] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de vennootschap] op € 1.991,34 aan verschotten en op € 1.737,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 2.019,63 aan verschotten en op € 3.474,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep,

en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na heden is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden,

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na heden moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt [Winkelinterieurs] om aan [de vennootschap] terug te betalen het bedrag dat laatstgenoemde aan proceskosten heeft betaald uit hoofde van het eindvonnis waarvan beroep,

verklaart de veroordelingen in dit dictum uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders door [de vennootschap] gevorderde,

wijst af het meer of anders door [Winkelinterieurs] gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 augustus 2017.

griffier rolraadsheer