Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3626

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
200.179.861_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenzaak, al dan niet onrechtmatige hinder door lamp in achtertuin die boven schuttinghoogte uitsteekt. Geen bereidheid om de hinder door een eenvoudige verplaatsing te beëindigen; mede daarom onrechtmatige hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4309
NJF 2017/387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.861/01

arrest van 15 augustus 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. B.J. de Jong te Son,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M. Oudriss te Leusden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 januari 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven onder zaaknummer 3903356 15-2284 gewezen vonnis van 22 oktober 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 januari 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2016;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerde] woont aan de [adres 1] en [appellanten] aan de [adres 2] te [plaats] . Beide partijen zijn huurders van Woonstichting [Woonstichting] .

b) In 2012 hebben partijen zich naar aanleiding van enkele onderlinge geschillen gewend tot buurtbemiddeling te [plaats] . Gelet op het gesprekverslag van 7 december 2012 (prod. 1 inleidende dagvaarding) zijn partijen tot (onder meer) de volgende afspraken gekomen:
‘- [appellant] [ [appellanten] , hof] verwijdert voor 1 januari 2013 de 2 buitenlampen van de schutting tussen [adres 1] en [huisnummer adres 2]
- Incidenteel kan gebruik gemaakt worden van een losse lantaarn i.p.v. de 2 verwijderde buitenlampen.’

c) [appellanten] heeft in of na december 2012 de twee in het gespreksverslag bedoelde lampen aan de schutting tussen de woningen van partijen verwijderd.
d) [appellanten] heeft op of omstreeks 9 juni 2014 twee lampen aan de achtergevel van zijn woning bevestigd.

e) [geïntimeerde] heeft op of omstreeks 11 juni 2014 een camera(dummy) aan de achterzijde van haar woning aangebracht.

6.2.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in conventie gevorderd, samengevat, [appellanten] te veroordelen om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, binnen twee weken na betekening van het vonnis te verwijderen en verwijderd te houden de lamp die hinder veroorzaakt en verwijderd te houden lampen die boven schuttinghoogte worden geplaatst, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met rente.

6.2.2.

[appellanten] heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd en heeft in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te gebieden om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, binnen drie dagen na betekening van het vonnis te verwijderen en verwijderd te houden de/het camera(systeem) aan de achterzijde van de woning van [geïntimeerde] en om de gemaakte beelden waarop de achtertuin van [appellanten] zichtbaar is te verwijderen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met rente.

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd.

6.3.1.

In het tussenvonnis van 26 maart 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015.

6.3.2.

In het tussenvonnis van 2 juli 2015 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter zowel in conventie als in reconventie inhoudelijke beslissingen genomen en vervolgens in het dictum van dat vonnis (uitsluitend) in reconventie [geïntimeerde] een bewijsopdracht gegeven in verband met de camera(dummy).

6.3.3.

In het eindvonnis van 22 oktober 2015 (hierna: het eindvonnis) heeft de kantonrechter in conventie [appellanten] veroordeeld om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, binnen twee weken na betekening van het vonnis te verwijderen en verwijderd te houden de lamp die hinder veroorzaakt.
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] voor het overige afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met rente.
De vordering in reconventie van [appellanten] is integraal afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

6.4.1.

[appellanten] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis, tot het gelasten van een descente en tot het alsnog afwijzen van het door [geïntimeerde] gevorderde.
De grieven hebben alle betrekking op de beslissingen van de kantonrechter inzake ‘de lamp die hinder veroorzaakt’. Deze beslissingen zijn genomen in het eindvonnis, maar ook in het tussenvonnis, zodat dit laatste vonnis daarmee - en in zoverre - in dit hoger beroep is betrokken.

De grieven hebben geen betrekking op de afwijzing van de vordering in reconventie van [appellanten] . [geïntimeerde] heeft voorts geen hoger beroep ingesteld in verband met de afwijzing van haar vordering in conventie om verwijderd te houden ‘lampen die boven schuttinghoogte worden geplaatst’.
In dit hoger beroep gaat het daarom alleen nog over de vordering van [geïntimeerde] die ziet op ‘de lamp die hinder veroorzaakt’ (hierna: de lamp).

6.4.2.

Gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde foto’s (waaronder prod. 3 mvg) wordt daarmee gedoeld op één van de twee lampen die [appellanten] in juni 2014 heeft bevestigd tegen de achtergevel van zijn woning, aan weerszijden van de zich daarin bevindende raam- en deurpartij, en wel het exemplaar dat zich het dichtst bij de woning van [geïntimeerde] bevindt.
Het onderdeel van de lamp dat daadwerkelijk licht uitstraalt (hierna ook: het lichtpunt) bevindt zich op zodanige hoogte dat het boven de schutting uitsteekt en zichtbaar is vanuit de tuin van [geïntimeerde] .
Volgens [appellanten] is het licht afkomstig van een spaarlamp van 3 Watt, met een intensiteit van 100 Lumen, gelijk te stellen aan straatverlichting. [geïntimeerde] heeft dit niet betwist. Zij heeft harerzijds gesteld dat een 3 Watt spaarlamp neerkomt op een 25-30 Watt gloeilamp, hetgeen door [appellanten] niet is betwist.
Tussen partijen staat verder vast dat het aan- en uitgaan van de lamp wordt gereguleerd door een lichtschakelaar en dat de lamp in principe elke avond brandt, tot na middernacht. Volgens [geïntimeerde] brandt de lamp tot 01.15 uur of zelfs 02.00 uur, volgens [appellanten] tot 01.00 uur.

6.5.

[appellanten] maakt met zijn grieven bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat de lamp hinder veroorzaakt nu zij boven schuttinghoogte uitsteekt, zodat zij zichtbaar is vanuit de tuin van [geïntimeerde] (grief 1) en tegen het oordeel dat deze hinder onrechtmatig is, nu geen noodzaak bestaat om de lamp in het directe zicht van [geïntimeerde] te hangen (grief 2). Met grief 3 maakt [appellanten] bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter om geen descente te gelasten.
De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6.6.1.

Het hof stelt voorop dat partijen buren zijn van elkaar en huurders - en dus niet de eigenaren - zijn van hun woningen met bijbehorende achtertuinen. Die omstandigheid staat er niet aan in de weg dat [geïntimeerde] zich jegens haar buurman [appellanten] beroept op de hinder-bepaling in artikel 5:37 BW.
Op deze bepaling kan alleen een beroep worden gedaan als sprake is van het toebrengen van onrechtmatige hinder. Of daarvan sprake is, hangt af van de aard, de ernst en de omvang van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling van die verdere omstandigheden moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen te nemen ter voorkoming van schade (zie onder meer
HR 15 februari 1992, ECLI:NL:HR:1991:ZC0150, Aalscholvers).

6.6.2.

Het hof stelt verder voorop dat partijen in 2012 tot afspraken zijn gekomen in verband met de twee lampen die [appellanten] op dat moment had bevestigd aan de schutting tussen de tuinen van partijen (zie r.o. 3.1. onder b). De kantonrechter heeft geoordeeld dat de in 2014 aangebrachte lampen niet expliciet vallen onder de in 2012 gemaakte afspraken, tegen welke beslissing geen grief is aangevoerd, zodat het hof daarvan dient uit te gaan.

6.7.1.

Volgens [geïntimeerde] ondervindt zij hinder van de lamp, nu deze uitsteekt boven schuttinghoogte. Het licht van de lamp is daardoor rechtstreeks zichtbaar vanuit haar tuin. Die tuin wordt ook verlicht door de lamp, aldus [geïntimeerde] . De hinder wordt weggenomen als [appellanten] de lamp enkele decimeters lager ophangt. In dat geval kan het licht niet doordringen tot in de tuin van [geïntimeerde] , omdat het wordt tegengehouden door de - inmiddels met toestemming van de verhuurder licht-dicht gemaakte - schutting, en is het licht ook niet langer rechtstreeks zichtbaar vanuit van haar tuin, aldus [geïntimeerde] .

6.7.2.

[appellanten] verweert zich, stellend dat hij na het verwijderen van de twee lampen tegen de schutting merkte dat de verlichting van zijn tuin tekortschoot. [appellanten] stelt in dit verband dat hij werkzaam is in de avonduren en steeds op een tijdstip na middernacht via een poort aan de achterzijde van zijn achtertuin, dóór die achtertuin zijn achterdeur moet bereiken. Om dat goed en veilig te kunnen doen en om vervolgens het sleutelgat te kunnen zien, om de achterdeur open te maken, dient zijn tuin te worden verlicht. Om die reden - en omwille van het veiligheidsgevoel van mw. [appellante] , als [appellanten] van huis is, en vanwege het genot van zijn tuin - heeft hij in 2014 de twee lampen tegen zijn achtergevel aangebracht. Zij geven zó weinig licht, dat [geïntimeerde] daarvan geen hinder kán ondervinden, aldus [appellanten] .

6.7.3.

De stellingen van [geïntimeerde] komen erop neer dat sprake is van hinder, omdat de lamp - door haar zichtbaarheid en door het licht dat zij verspreidt - afbreuk doet aan het genot dat [geïntimeerde] heeft van haar achtertuin.
[appellanten] heeft weliswaar gesteld dat de lamp zo weinig licht geeft dat [geïntimeerde] daarvan geen hinder kán ondervinden, maar heeft dat standpunt onvoldoende onderbouwd. Het hof overweegt in dit verband dat [appellanten] zelf heeft gesteld dat de lamp net zo veel licht geeft als straatverlichting. Daarvan uitgaande is het hof, met de kantonrechter, van oordeel dat niet kan worden gesproken van (niet meer dan) sfeerverlichting. Ook uit de verdere stellingen van [appellanten] volgt dat de lamp méér dan een te verwaarlozen hoeveelheid licht verspreidt. Zou dat anders zijn, dan zou [appellanten] er namelijk geen voordeel van hebben als hij ’s nachts door zijn achtertuin loopt, van de poort naar zijn achterdeur.
Gelet hierop en gelet op de plaats waar de lamp is bevestigd (op enkele decimeters van de schutting en met het lichtpunt uitstekend boven die schutting) neemt het hof als vaststaand aan: (1) dat lichtpunt zichtbaar is vanuit de tuin van [geïntimeerde] en (2) dat het licht van de lamp niet alleen de tuin van [appellanten] maar ook de tuin van [geïntimeerde] verlicht.
Uitgaande van dit een en ander oordeelt het hof dat - als gesteld en onvoldoende weersproken - komt vast te staan dat de lamp van [appellanten] [geïntimeerde] hindert in het genot van haar achtertuin, nu zij die tuin ongevraagd en tot laat in de avond/nacht verlicht met een hoeveelheid licht gelijk aan straatverlichting.

6.7.4.

De vraag die vervolgens rijst is of sprake is van onrechtmatige hinder.
Het hof overweegt in dit verband dat [geïntimeerde] , die woont in een dichtbebouwde wijk in de bebouwde kom van een gemeente van enige omvang, niet kan verwachten dat haar achtertuin ’s avonds en ’s nachts te allen tijde donker is en alleen wordt verlicht op de momenten en in de mate die [geïntimeerde] wil. Zowel straatverlichting als licht van buurpercelen zal onherroepelijk zichtbaar zijn vanuit en ook doordringen tot in haar tuin. Dit licht zal [geïntimeerde] , in elk geval tot op zekere hoogte, moeten accepteren. Dat is des te meer het geval als het licht afkomstig is van lampen die een nuttige functie vervullen, zoals in verband met straatverlichting het geval is.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder moet echter tevens rekening worden gehouden met de mogelijkheid en de bereidheid aan de zijde van [appellanten] om maatregelen te nemen om de hinder te voorkomen. Als [appellanten] nalaat om dergelijke maatregelen te treffen, terwijl dat zonder bezwaar (van betekenis) mogelijk is, dan kan dat bijdragen aan het oordeel dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt dat in haar ogen aan de hinder een einde wordt gemaakt, als de lamp zoveel lager wordt opgehangen dat zij volledig onder schuttinghoogte blijft. In dat geval, zo overweegt het hof, heeft [appellanten] hetzelfde nut van de lamp als op dit moment - kennelijk - het geval is. [appellanten] heeft niets gesteld dat afdoet aan deze conclusie.
heeft gesteld dat het niet mogelijk is om de lamp (conform een overweging van de kantonrechter) ‘een geringe afstand lager’ te hangen, in verband met de aanwezigheid van een sierstrip op de gevel. Daaruit volgt echter niet dat het volledig onmogelijk is om de lamp zoveel lager te hangen dat het lichtpunt ervan niet (langer) uitsteekt boven de schutting. Op de door [appellanten] in het geding gebrachte foto’s van zijn achtergevel is te zien dat deze, afgezien van de raam- en deurpartij, volledig bestaat uit bakstenen, die op de aangewezen hoogte voldoende bevestigingsmogelijkheden bieden. [appellanten] heeft andermaal niets gesteld dat afdoet aan deze conclusie.
Vast staat dat [appellanten] niet de bereidheid heeft om de bestaande lamp zoveel lager te hangen dat zij volledig onder schuttinghoogte blijft, terwijl dat mogelijk is en tot een beëindiging van de hinder zou leiden. Die opstelling doet het hof tot het oordeel komen dat, alles afwegend, sprake is van onrechtmatige hinder.

6.7.5.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 en 2 falen.
Ook grief 3 faalt, nu het hof zich (evenals kennelijk de kantonrechter) door hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en door de door beide partijen in het geding gebrachte producties, voor zover zij zich daarop hebben beroepen, voldoende voorgelicht acht om tot een oordeel te komen. Het verzoek tot het gelasten en houden van een descente wordt dan ook afgewezen.

6.7.6.

Gelet op het voorgaande behoeft geen bespreking hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld in haar memorie van antwoord, inzake het ontbreken van belang en inzake misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [appellanten] .

6.8.

[appellanten] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.
De door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 311,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.I.M.W. Bartelds en W.J.J. Beurskens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 augustus 2017.

griffier rolraadsheer