Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3623

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
200.181.001_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel betaalde alimentatie.

Vordering schadevergoeding door man i.v.m. aan hem toebedeeld, maar vervolgens door de vrouw weggedaan meubilair

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.181.001/01

arrest van 15 augustus 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

advocaat: mr. J.L.E. Marchal te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

bij leven wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

na desisteren van advocaat mr. E. Meuwissen heeft zich geen advocaat gesteld,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 augustus 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, burgerlijk recht, zittingsplaats Maastricht van 27 mei 2015, gewezen tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/197139 / HA ZA 14-591)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep;

- de memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis, met producties;

- de door [appellant] genomen akte ter rolle.

Nadat [appellant] de stukken heeft gefourneerd, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Er zijn geen grieven aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten, zodat ook het hof van die feiten voor zover in dit hoger beroep nog relevant, zal uitgaan. Het hof zal nog van enkele feiten die niet zijn bestreden, uitgaan. Hierna volgt een weergave van de relevante feiten.

a. [appellant] en [geïntimeerde] zijn op 6 november 1965 te Maastricht gehuwd in een beperkte gemeenschap van vruchten en inkomsten.

b. Bij beschikking van 27 juli 2000 is de echtscheiding tussen [appellant] en

[geïntimeerde] uitgesproken. Die echtscheidingsbeschikking is op 17 oktober 2000

ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Per laatstgenoemde datum is het

huwelijk ontbonden.

c. Bij beschikking van 17 maart 2004 heeft de rechtbank te Maastricht [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] tot levensonderhoud (alimentatie) uit te keren een bedrag van € 2.000,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. Beide partijen zijn hiertegen in hoger beroep gegaan. Bij beschikking van 15 december 2004 heeft dit hof de door [appellant] te betalen bijdragen in de kosten van levensonderhoud (alimentatie) van [geïntimeerde] :

- met ingang van 17 oktober 2000 tot 1 januari 2001 vastgesteld op € 3.176,76 per maand,

- met ingang van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 vastgesteld op € 3.281,25 per maand,

- met ingang van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 vastgesteld op € 3.432,23 per maand,

- met ingang van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 vastgesteld op € 3.566,08 per maand,

- met ingang van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 vastgesteld op € 3.655,23 per maand.

d. Tot en met december 2004 heeft [appellant] aan de alimentatieverplichtingen zoals opgelegd door de rechtbank voldaan. [appellant] heeft niet voldaan aan de door dit hof opgelegde alimentatieverplichtingen, waardoor er een achterstand in de alimentatieverplichtingen is ontstaan.

e. In juli/augustus 2005 is door Nationale Nederlanden (hierna ook: NN) aan de advocaat van [geïntimeerde] naar aanleiding van het gelegde derdenbeslag € 134.089,76 overgemaakt (productie 2 bij dagvaarding).

f. Bij arrest van dit hof van 4 september 2012 (productie 12 dagvaarding in eerst aanleg) is het vermogen van partijen verdeeld. Hierbij heeft het hof de wijze waarop de rechtbank bij vonnis van 8 juli 2009 de inboedelgoederen tussen partijen had verdeeld (productie 11 dagvaarding in eerste aanleg) bekrachtigd. Aan [appellant] zijn aldus de volgende roerende zaken toebedeeld:

een ronde tafel met vier stoelen en tuinparasol, een ronde donker eiken tafel, vier donker eiken stoelen, een geloogd eiken tafel, vier geloogd eiken stoelen, twee geloogd eiken armstoelen, een geloogd eiken ronde salontafel, een geloogd eiken vierkant tafeltje, een geloogd eiken bijzettafeltje, een geloogd eiken toogkast, een groot Oosters karpet, een staande klok, twee hanglampen, drie schemerlampen, een halkastje, een twee x twee zits lederen bank, een stereo-installatie, twee schilderijen, 36-delen van het 72-delig roestvrijstaal W.M.F. bestek, een glasservies, een 20-delige Oosthoek, een weegschaal, een slaapkamer, twee stoffen stoelen en een lampetstel.

Deze zaken zijn door [geïntimeerde] op enig moment na maart 2013 afgevoerd naar een milieupark of een kringloopwinkel.

g. [geïntimeerde] heeft na het arrest van dit hof van 4 september 2012 ter executie van de achterstallige alimentatie beslag gelegd op de woning van [appellant] in België.

h. De alimentatieplicht van [appellant] jegens [geïntimeerde] is van rechtswege op 17 oktober 2012 geëindigd.

4.2

[appellant] heeft in eerste aanleg en na vermeerdering van eis gevorderd, zoals door de rechtbank is samengevat:

(I) veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 13.446,41, vermeerderd met rente over € 11.473,85 vanaf de dag der dagvaarding en over € 1.972,56 vanaf vermeerdering eis tot de dag der algehele voldoening;

(II) veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 40.600,- ten titel van schadevergoeding en

(III) veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

De rechtbank heeft aan de hand van een berekening geoordeeld dat niet is gebleken dat [appellant] te veel alimentatie aan [geïntimeerde] heeft betaald. De executiekosten komen verder voor rekening van [appellant] nu die kosten zijn veroorzaakt door zijn gedrag. De vordering tot betaling van € 40.600,- wegens schadevergoeding voor de door [geïntimeerde] afgevoerde inboedel die aan [appellant] was toebedeeld, is toegewezen tot een bedrag van € 500,- als door de rechtbank geschatte waarde die deze zaken hadden ten tijde van het weggooien daarvan. Al met al is [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van € 500,- ter compensatie van de aan [appellant] toebedeelde, maar niet in zijn bezit verkregen inboedelgoederen, te vermeerderen met rente. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

4.3

Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis vermeerderd en onder het voordragen van zeven grieven, gevorderd dat het hof, voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 27 mei 2015 zal vernietigen en [geïntimeerde] zal veroordelen:

I. aan [appellant] te betalen € 18.005,59, althans € 13.446,41, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 11.473,85 met ingang van de dag van dagvaarding tot aan die der algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.972,56 met ingang van de dag van de vermeerdering van eis, zijnde 7 januari 2014, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. aan [appellant] ten titel van schadevergoeding te betalen € 40.600,- althans een door het hof te begroten althans te schatten bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

III. in de kosten van beide instanties.

4.4

[geïntimeerde] is volgens de door [appellant] genomen akte ter rolle overleden op 11 mei 2016. Nu geen schorsing conform art. 225 lid 2 Rv heeft plaatsgevonden, wordt dit geding op naam van de overleden [geïntimeerde] voortgezet zoals art. 225 lid 2 Rv bepaalt.

4.5

In zijn grieven I tot en met VI voert [appellant] aan dat hij aan [geïntimeerde] verschuldigd was € 322.022,26, maar in totaal aan haar heeft betaald € 340.027,85. Het verschil tussen die twee bedrage, € 18.005,59, heeft hij teveel betaald. De grieven lenen zich, aldus beschouwd, voor een gezamenlijke beoordeling en zullen niet afzonderlijk worden beoordeeld.

4.6.1

In het onderhavige door [appellant] als executiegeschil aangeduide geding voert [appellant] aan dat er onder hem via executiemaatregelen in totaal € 18.005,59 meer aan verschuldigde alimentatie is uitgewonnen dan waarop [geïntimeerde] recht had. Gelet daarop dient het vertrekpunt van de berekening te zijn het bedrag aan achterstallige alimentatie dat [appellant] betaald had moeten hebben. Tegen het door de rechtbank in r.o. 4.7 genoemde bedrag van € 478.812,02 heeft [appellant] geen grieven aangevoerd, zodat dit bedrag als uitgangspunt heeft te gelden.

4.6.2

Van dit bedrag van € 478.812,02 is € 134.089,76 betaald via een uitkering van de levensverzekeringspolis bij NN (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg), zodat resteert € 344.722,26. Verder blijkt uit de door [appellant] als productie 16 bij conclusie van repliek overgelegde brief van de SVB d.d. 9 oktober 2013 dat er per juli 2011 beslag is gelegd op het AOW-pensioen van [appellant] en dat er tot en met september 2013 in totaal € 27.593,29 op dat pensioen is ingehouden en aan de deurwaarder is uitgekeerd. Dit betekent dat nog € 317.128,97 resteert.

4.6.3

[appellant] heeft op 16 augustus 2013 ter betaling overgeboekt € 400.031,77, zodat hij toen rekenkundig € 82.902,80 teveel had betaald. Hij heeft naar aanleiding hiervan retour ontvangen € 33.668,76 (zie nr. 13 dagvaarding in eerste aanleg en productie 10 dagvaarding in eerste aanleg). Dit betekent dat hij toen nog € 49.234,04 teveel had betaald (€ 82.902,80 min € 33.668,76).

4.6.4

[appellant] moest echter ook nog betalen € 12.146,70 aan kosten deurwaarder, beslag, rente, enz (productie 5 inleidende dagvaarding), € 148,40 wegens rente (pag. 4 memorie van grieven) en € 15.200,04 wegens een fiscale vordering Directe Belastingen te [kantoorplaats] (eveneens pag. 4 memorie van grieven) en € 5.140,02 notariskosten met betrekking tot het opstarten van het uitvoerend beslag (eveneens pag. 4 memorie van grieven). Deze vier posten bedragen in totaal € 32.635,16. Het restant van € 16.598,88 (€ 49.234,04 min € 32.635,16) is door [appellant] teveel betaald. In zoverre slagen zijn grieven I tot en met VI.

4.7.1

In zijn zevende grief voert [appellant] aan dat de aan hem toebedeelde inboedel die door [geïntimeerde] is weggedaan, een waarde had van € 40.600,- en niet het door de rechtbank begrote bedrag van € 500,-.

[appellant] heeft ter onderbouwing van de waarde van de inboedel alleen maar gesteld dat de volledige inboedel in 2005 tegen nieuwwaarde was verzekerd voor € 81.200,-. Gesteld noch gebleken is dat die inboedel niet in twee gelijke delen tussen partijen is verdeeld. Verder is gesteld noch gebleken dat sinds 2005 inboedelzaken zijn vervangen, vernieuwd of uitgebreid. Het hof houdt het er daarom voor dat elke partij de helft van de waarde van de inboedel toegedeeld heeft gekregen en dat hetgeen tussen partijen ter zake is verdeeld dezelfde zaken waren die al in 2005 tot de inboedel behoorden. Dit betekent dat de vordering van [appellant] voor zover deze is gebaseerd op de helft van de nieuwwaarde die de zaken in 2005 hadden, in elk geval niet kan worden toegewezen. De betreffende zaken waren ten tijde van het arrest van dit hof van 4 september 2012 waarbij de inboedel is verdeeld, immers al minimaal 7 jaar oud. Het enkele feit dat [geïntimeerde] deze zaken ten onrechte niet aan [appellant] heeft afgegeven, maakt niet dat bij een vordering tot schadevergoeding aan die zaken de verzekerde nieuwwaarde moet worden toegekend volgens de polis uit 2005.

4.7.2

Gelet op het hoger beroep dat tegen het verdelingsvonnis van de rechtbank was ingesteld, heeft [appellant] terecht geen aanspraak gemaakt op een deel van de inboedel voordat het hof de verdeling van deze zaken had bekrachtigd. [appellant] was dus rechtens niet eerder dan vanaf 4 september 2012, eventueel te vermeerderen met de cassatietermijn, gehouden om zijn deel van de zaken op te halen. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij [appellant] na het arrest van 4 september 2012 in staat heeft gesteld de zaken op te halen. Zij verwijst hierbij naar een door haar bij conclusie van antwoord overgelegde verklaring die volgens haar van de zonen van partijen is. Die verklaring is echter niet ondertekend en de in de verklaring genoemde fax die door de zonen zou zijn gestuurd is niet overgelegd. Het hof acht de stelling van [geïntimeerde] met deze verklaring onvoldoende onderbouwd.

Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan, zoals [appellant] heeft aangevoerd, dat hij in juni 2013 [geïntimeerde] heeft gesommeerd om de aan hem toegedeelde zaken af te geven, waarna hem werd meegedeeld dat die zaken waren afgevoerd en niet meer beschikbaar waren. Daarmee heeft [geïntimeerde] het [appellant] onmogelijk gemaakt om in bezit te komen van de aan hem toegedeelde zaken, en is zij schadeplichtig.

4.7.3

[geïntimeerde] heeft bij haar conclusie van dupliek een aantal Marktplaats advertenties overgelegd. Zij heeft gesteld dat indien zij schadeplichtig is, bij de berekening van de schade aansluiting moet worden gezocht bij de waarde die op Marktplaats aan de betreffende zaken is gegeven. Het hof geeft hierna een overzicht.

- een ronde tafel met vier stoelen en tuinparasol: € 25,-;

- een ronde donker eiken tafel: gratis;

- vier donker eiken stoelen: gratis;

- vier geloogd eiken stoelen; marktplaatsbiedingen: € 40,-;

- twee geloogd eiken armstoelen: € 19,95;

- een geloogd eiken salontafel: € 50,-;

- een geloogd eiken vierkant tafeltje: € 45,-;

- een geloogd eiken bijzettafeltje: € 45,-;

- een geloogd eiken toogkast: € 30,-;

- een groot Oosters karpet:€ 15,-;

- een staande klok: € 50,-;

- twee hanglampen: gratis;

- drie schemerlampen: gratis;

- een halkastje: € 10,-;

- een twee x twee zits lederen bank: gratis;

- een stereo-installatie: € 1,-;

- twee schilderijen: gratis;

- een glasservies: € 3,-;

- een 20-delige Oosthoek: gratis;

- een weegschaal: gratis;

- een slaapkamer: gratis;

- een lampetstel: € 5,-.

[appellant] heeft tegen deze waardebepalingen in zijn memorie van grieven niets concreets aangevoerd zoals bijvoorbeeld andere advertenties van tweedehands zaken waaruit blijkt dat de door [geïntimeerde] genoemde (ver)koopprijzen onjuist zijn. Hij stelt wel dat hij in geval van diefstal de helft van de verzekerde waarde zou hebben gekregen, maar die stelling maakt niet dat aan de door [geïntimeerde] afgevoerde zaken ook die waarde moet worden toegekend. Al met al heeft [appellant] geen voldoende concrete informatie verstrekt aan de hand waarvan het hof tot andere waardebepalingen kan komen dan aan de hand van de door [geïntimeerde] overgelegd advertenties uit Marktplaats. Het hof leidt uit de verdere inhoud van die overgelegde producties wel af dat de door [geïntimeerde] overgelegde advertenties absolute bodemprijzen vermelden. Dat blijkt met name uit de vermeldingen rechtsonder die betreffende advertenties waar ook hogere bedragen voor soortgelijke producten zijn vermeld. Met inachtneming van het feit dat [geïntimeerde] geen advertenties heeft overgelegd ter zake een geloogd eiken tafel en 36-delen van het 72-delig roestvrijstaal W.M.F. bestek, kent het hof aan de aan [appellant] toebedeelde zaken in totaal een waarde toe van € 2.500,-. Dit betekent dat de zevende grief gedeeltelijk slaagt. Voor zover [appellant] bewijs heeft aangeboden, heeft hij dit niet voldoende specifiek gedaan wat betreft de waarde die moet worden toegekend aan de aan hem toebedeelde inboedel, zodat het hof niet toekomt aan bewijslevering. Alleen al daarom komt het hof niet toe aan het in algemene woorden geformuleerde bewijsaanbod van [appellant] .

4.8

Al met al zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen als hierna is vermeld. Het hof zal de kosten van de procedure in eerste aanleg en van dit hoger beroep compenseren omdat partijen ex-echtgenoten zijn.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 27 mei 2015 en doet opnieuw recht als volgt:

I. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen € 16.598,88, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding in eerste aanleg, 25 september 2014, tot aan die der algehele voldoening;

II. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] ten titel van schadevergoeding te betalen € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding in eerste aanleg, 25 september 2014, tot aan die der algehele voldoening;

III. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. compenseert de kosten van de eerste aanleg en van dit beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 augustus 2017.

griffier rolraadsheer