Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3620

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
200.206.536_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3618
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding.

executiegeschil kinderbijdrage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.206.536/01

arrest van 15 augustus 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. L.A.M. Hartman te Mijdrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. J.P.M.M. Heijkant te Dongen,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 december 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 november 2016, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/312320 FA RK 16-1266)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    een brief van de zijde van de man d.d. 30 december 2016;

  • -

    een brief van de zijde van de man d.d. 18 januari 2017;

  • -

    een brief van de zijde van de man met bijlagen d.d. 23 januari 2017;

  • -

    de beschikking van dit hof van 15 augustus 2017 met zaaknummer 200.198.587/01.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken met zaaknummers 200.206.536/01 en 200.198.587/01 heeft het hof deze zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en gelijktijdig – weliswaar bij afzonderlijke uitspraken – beslist.

2.3.

De mondelinge behandeling in beide zaken heeft op 6 juli 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert de man, voor zover thans van belang, (bij akte vermeerdering c.q. aanvulling van eis) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te veroordelen per direct de executie van de beschikking van 23 mei 2016 te staken c.q. te schorsen totdat de rechter in de bodemzaak op het verzoek van eiser tot nihilstelling, althans wijziging van de in genoemde beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van (het hof leest:) verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft beslist, e.e.a. op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft;

II. de vrouw te verbieden tot executoriale maatregelen over te gaan, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag per overtreding;

III. te bepalen dat de door het LBIO aangevangen executie dient te worden gestaakt, c.q. geschorst;

IV. met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding;

V. althans zodanige beslissingen te treffen als U E.A. in goede justitie zult vermenen te behoren.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft de man, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat bij de vaststelling van de bijdrage ten onrechte geen rekening is gehouden met de draagkracht van de vrouw, noch met het feit dat de man een Wajong-uitkering ontvangt en derhalve geen of nauwelijks draagkrachtruimte heeft.

3.2.3.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

In het vonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – de vorderingen van de man in het executiegeschil afgewezen.

3.4.

De man heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. De man heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.5.

Het hof verwijst naar zijn beschikking van heden, uitgesproken onder zaaknummer 200.198.587/01, waarin de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) d.d. 23 mei 2016 – welke beschikking ten grondslag ligt aan de door de vrouw ingestelde executiemaatregelen – door het hof is vernietigd en waarbij de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun beider zoon [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , is bepaald op een aanzienlijk lager bedrag.

Met de vernietiging van voornoemde beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 23 mei 2016 vervalt de titel voor de tenuitvoerlegging met terugwerkende kracht. Nu de executoriale titel is komen te vervallen, is daarmee ook de grondslag van het beslag komen te vervallen. Aldus zal het hof de vrouw bevelen de aangevangen executiemaatregelen per direct te staken op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft.

3.6

Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de man verzocht, de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding en zal de kosten van dit geding tussen partijen compenseren, aldus dat ieder partij zijn eigen kosten draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

beveelt de vrouw de aangevangen executie van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) d.d. 23 mei 2016 per direct te staken op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag;

compenseert de kosten van dit geding, aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans en H. Witkamp en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 augustus 2017.

griffier rolraadsheer