Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3590

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
20-000550-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt wegens diefstal in vereniging veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Het hof is - anders dan de verdediging - van oordeel dat op grond van het dossier bewezen kan worden verklaard dat verdachte in de woning is geweest en de ten laste gelegde wegnemingshandelingen heeft verricht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000550-16

Uitspraak : 8 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 februari 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-879633-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij volledig zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft:

  • -

    integrale vrijspraak bepleit;

  • -

    een strafmaatverweer gevoerd;

  • -

    ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:

o primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding;

o subsidiair bepleit dat de vordering deels zal worden toegewezen (tot een bedrag van € 3.030,00) en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding;

- ten aanzien van het beslag bepleit dat:

o het in beslag genomen fototoestel zal worden teruggegeven aan verdachte;

o de in beslag genomen Apple iPad en beschermhoes zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 23 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [adres] heeft weggenomen een koffer en/of een hoeveelheid geld (ongeveer 3.160,00 euro) en/of een paar schoenen en/of een zwembroek en/of een jas en/of twee poloshirts, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s);

2.
hij in of omstreeks de periode van 5 december 2013 tot en met 26 augustus 2014 te Eindhoven, althans in Nederland, een iPad (met serienummer [serienummer iPad] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die iPad wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet komen vast te staan dat verdachte ten tijde van het verwerven van de iPad wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hoewel verdachte, zijn broer ( [broer verdachte] ) en zijn moeder ( [moeder verdachte] ) van elkaar afwijkende verklaringen hebben afgelegd over de wijze waarop de iPad in hun bezit is gekomen en van wie en tegen welke prijs die is verkregen, komt uit deze verklaringen naar voren dat de iPad eind 2013 is aangeschaft voor een prijs tussen de € 100,00 en € 250,00, terwijl de moeder en broer van verdachte hebben verklaard dat het scherm toen beschadigd was en is gerepareerd door een telefoonwinkel in de Kruisstraat.

Het hof is – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal – van oordeel dat dit geen dermate lage prijs is voor een iPad 2 die in juli 2012 door de eerste eigenaar is aangeschaft en waarvan het scherm aan de voorzijde gebarsten was, dat verdachte ten tijde van het verwerven van de iPad redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 23 maart 2014 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [adres] heeft weggenomen een koffer en een hoeveelheid geld (3.030,00 euro) en een paar schoenen en een zwembroek en een jas en twee poloshirts, toebehorende aan [aangever] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 26 maart 2014 (dossierpagina’s 715 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :

(pagina 715)

Ik doe aangifte van diefstal in de woning aan [adres] te Eindhoven.

Op zondagmorgen 23 maart 2014 rond 1.00 uur ben ik gaan stappen met [medeverdachte] , het broertje van [betrokkene 1] bij wie ik logeerde. Ook was [betrokkene 2] mee op stap. Om 4.30 uur werd ik gebeld door [betrokkene 1] . Hij was gebeld door de achterburen. Zij hadden gehoord dat het raam van de achterdeur was vernield. Zij hadden een getinte jongen met een muts en een half lange jas zien wegrennen met een tas bij zich.

(pagina 716)

Bij de woning aangekomen zag ik dat mijn koffer met inhoud weg was. Er zat geld in de koffer. Mijn winterjas was ook weg. In de slaapkamer had ik ook een tas met vuil wasgoed liggen. Het dure shirt dat in die tas zat, is ook weg. Door het gat in het raam kon je onmogelijk heen. De deur was afgesloten. Later ben ik gebeld door [getuige 1] . Hij had de buren gesproken. Volgens de buren is op beelden te zien dat om 2.47 uur een BMW aan kwam rijden en dat een getinte man naar de achterzijde van [huisnummer] liep en om 2.53 uur met mijn koffer uit de woning kwam. De eigenaar van de BMW heet [getuige 2] .

(pagina’s 718 en 719, bijlage goederen)

Weggenomen zijn onder andere een koffer, een paar schoenen, een zwembroek, een jas, twee poloshirts en geld (10 briefjes van € 100,00, 40 briefjes van € 50,00, 1 van € 20,00 en 1 van € 10,00 = € 3.030,00).

2. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 9 november 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :

[medeverdachte] heeft twee Turkse jongens naar de woning van [betrokkene 1] gestuurd. Hij wist echter niet dat ik deze jongens kende. Dit zijn [verdachte] en [getuige 2] . Ik heb gezien dat [medeverdachte] voor de Dubai met hen stond te smoezen. Ik heb gezien dat hij iets aan [verdachte] gaf. [medeverdachte] zei dat hij de stad in moest en de twee Turkse jongens zijn weggegaan.

Ik heb met de overbuurvrouw aan de achterkant gesproken en zij vertelde dat zij die nacht een jongen een raam heeft zien inslaan in de woning van [betrokkene 1] en die jongen meteen heeft zien wegrennen. Ik heb dat gat zelf gezien. Daar kan onmogelijk een persoon doorheen. Bovendien zat bij terugkomst de deur op slot. Die heb ik zelf met de sleutel moeten openmaken. De grote tv van [betrokkene 1] was gestolen. Die was zo groot dat deze onmogelijk door het raam kon. Van [getuige 1] heb ik nadien gehoord dat [medeverdachte] kleding en schoenen van mij aan anderen heeft aangeboden. Ik heb foto’s gezien van anderen met mijn kleren aan. Ik heb [verdachte] met mijn dierbare Moncler polo gezien op de foto. Ik heb na de diefstal op Instagram [verdachte] gezien met geld.

[getuige 2] zei dat hij zou regelen dat ik mijn spullen terug zou krijgen. Ik moest daarvoor bij [medeverdachte] zijn. [getuige 2] zei ook dat [verdachte] spullen van mij bij hem thuis zou hebben.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2014 (dossierpagina 721), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 23 maart 2014 omstreeks 3.35 uur hebben wij een onderzoek ingesteld aan de woning aan [adres] te Eindhoven. Wij zagen dat de ruit van de achterdeur was ingegooid en dat er binnen een driehoekige (straat)steen lag. Wij zagen verder dat er nog steeds stukken glas, puntvormig in de sponning zaten en dat inklimming niet mogelijk was zonder verwondingen dan wel beschadiging van de kleding. Wij zagen geen voetsporen in de woning.

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 augustus 2014 (dossierpagina’s 722-725), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

(pagina 722)

Over de periode van 23 maart 2014 (0.45 uur) tot 27 maart 2014 (8.28 uur) werden de tapgesprekken van het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte] , zijnde [telefoonnummer 1] , beluisterd.

De gebruikers van de telefoonnummers met wie [medeverdachte] in deze periode contact had werden achterhaald. Dit bleken de volgende personen te zijn:

(pagina 723)

Telefoonnummer Gebruiker Bron

1. [telefoonnummer 2] [aangever] Aangifte [betrokkene 1] PL2206-2014039801

2. [telefoonnummer 3] [betrokkene 1] Gekoppeld aan persoon in bedrijfssysteem

3. [telefoonnummer 4] [betrokkene 1] Pv documentcode 2014.04.19.1910.82818

4. [telefoonnummer 5] [verdachte] Pv documentcode 2014.05.27.1221.82818

5. [telefoonnummer 6] [getuige 2] Gekoppeld aan persoon in bedrijfssysteem

5. Een proces-verbaal van bevindingen stemherkenning d.d. 28 augustus 2014 (dossierpagina’s 792 en 793), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

(pagina 792)

Naar aanleiding van een gerechtelijk vooronderzoek woninginbraken in de gemeente Eindhoven werden er door mij tapgesprekken beluisterd van het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . De gebruiker van dit telefoonnummer betreft [verdachte] .

(pagina 793)

Op 28 augustus 2014 werd [verdachte] als verdachte gehoord op het politiebureau gelegen op de Mathildelaan 4 te Eindhoven. De verdachte bevond zich in een verhoorkamer. Ik bevond mij bij de verhoorkamer op de gang. Ik zag dat de deur van de verhoorkamer op een kier stond en ik hoorde de stem van [verdachte] . Ik hoorde de stem luid en duidelijk. Ik herkende de stem voor 100% als de stem die ik eerder in de afgeluisterde telefoongesprekken had gehoord welke gevoerd waren met telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Ik herkende de stem aan de manier van praten. In het kader van het onderzoek heb ik enkele tapgesprekken van [verdachte] met telefoonnummer [telefoonnummer 5] met sessienummers 2852, 2853 en 2885 nogmaals beluisterd. Uit deze telefoongesprekken blijkt dat de stem in deze afgeluisterde telefoongesprekken dezelfde stem is als de stem die ik vandaag hoorde van de verdachte die verhoord werd in de verhoorkamer op het politiebureau, zijnde [verdachte] .

6. De volgende in het politiedossier gevoegde tapgesprekken (dossierpagina’s 742-778), voor zover inhoudende:

Opmerking hof : gelet op de onder 4 en 5 genoemde bewijsmiddelen zal het hof de in de tapgesprekken als ‘NN ....’ omschreven personen telkens als volgt aanduiden:

- NN 0083 = [verdachte] ;

- NN 3945 = [getuige 2] . 2

Daarnaast zal het hof [medeverdachte] hierna telkens aanduiden als [medeverdachte] .

(pagina 747)

Op 23 maart 2014 om 2.09 uur wordt [medeverdachte] gebeld door [verdachte].

[medeverdachte] : kom snel naar Dubai (het hof begrijpt: Dubai Lounge) toe.

[verdachte] : ja.

[medeverdachte] : ben jij met de auto?

[verdachte] : ja.

[medeverdachte] : kom snel naar Dubai toe, snel.

[verdachte] : in een kwartiertje ben ik daar, is dat goed?

[medeverdachte] : ja, dat is goed.

(pagina’s 752-754 en 756)

Op 24 maart 2014 om 22.34 uur wordt [medeverdachte] gebeld door [verdachte] (sessienummer 2852).

[verdachte] : [getuige 2] kwam naar mij toe met zo’n boy met die broer van [betrokkene 3] (fonetisch).

[medeverdachte] : ja.

[verdachte] : hij kwam naar mij toe. Hij zo, ja die [aangever] zei tegen mij dat jij, [medeverdachte] en [getuige 2] , dat jullie afgesproken hadden hier bij, voor Dubai.

[medeverdachte] : ja.

[verdachte] : ik heb gehoord dat jullie afgesproken hebben. Hij zegt, die [aangever] zegt dat die jullie twee niet vertrouwt en dat [medeverdachte] (fonetisch) jullie sleutel of zo heeft gegeven. En dat hij een tip heeft gegeven aan jullie. Hij zegt, ik weet nog niet hoe jullie zijn en zo, maar hij kent dinge fucking goed. Hij kent [getuige 2] fucking goed.

[medeverdachte] : hij weet toch dat [getuige 2] dat niet doet.

[verdachte] : ja, maar hij verdacht mij.

[medeverdachte] : haha.

[verdachte] : ik zei, je weet toch die verhaaltje, je weet toch wat er precies is gebeurd?

[medeverdachte] : ja.

[verdachte] : dat zei die precies. Op de Koran, hij zei die gewoon precies. Hij zo, ik denk dat dat zo is gegaan, dit dat. Hij zo, misschien is dat zo gegaan, maar weet je wat het is. Hij zegt die geld, die is van mij. Hij zegt, al die spullen mogen jullie hebben, maar ja, die geld die had ik geleend. Hij zegt, die geld was ook van mij.

[medeverdachte] : ja?

[verdachte] : ik zo, ja, dat klopt, maar ik ken hem niet zo goed, zei ik zo. Hij zo, en ken jij die [medeverdachte] ? Ik zo, nee, maar alleen van school. Hij zo, ja weet je wat het is, [aangever] zegt zelf ook dat [medeverdachte] er iets mee te maken heeft en hij zo, [betrokkene 2] . Ik zo, wat is daar mee? Hij zegt, ken je hem? Ik zo, hem ken ik niet zo goed, man. Hij zo, weet je wat het is, hem vertrouw ik al helemaal niet. Hij is zo vieze kleine ventje. Wollah. Hij is volgens mij, ik weet niet zeker dat een van hun [medeverdachte] , [betrokkene 1] of dinge die heeft iets tegen jullie gezegd en jullie zijn er heen gereden, hij zo, er is een auto betrokken, op de Koran. (…) Hij zegt, die huis heeft drie camera’s.

[medeverdachte] : ging ie camerabeelden opvragen?

[verdachte] : ja.

(…)

[verdachte] : … hoe weet hij dat van die dinge, jongen. Hij weet alles precies hoe dat is gegaan. Hij zegt, er is een auto bij betrokken. Hij zegt er is een sleutel gebruikt, politie zei da zelf. Wollah. (…) Hij zo, er is een sleutel gebruikt en naderhand is er iets kapot gegooid. Hij zegt, da zie ik kei duidelijk.

(pagina’s 756 en 757)

Op 24 maart 2014 om 22.59 uur wordt [medeverdachte] gebeld door [verdachte] (sessienummer 2853).

[medeverdachte] : nee, nee, nee luister, je moet gewoon zeggen, da er, gewoon, er is niks gebeurd en die [getuige 2] moet gewoon zijn kont houden.

(pagina’s 759 en 761-763)

Op 25 maart 2014 om 11.24 uur wordt [medeverdachte] gebeld door [getuige 2].

[getuige 2] : weet je wat het is, [verdachte] heeft gisteren wel tegen die broer gezegd van, ja ik heb die spullen.

[medeverdachte] : ja wollah, heeft hij dat gezegd?

[getuige 2] : ja, daarom, ik zeg toch, anders ga ik toch niet voor niets zeggen wij moeten die spullen teruggeven want die broer van dat meisje weet nu alles jongen.

[medeverdachte] : luister, wat heeft [verdachte] nu precies gezegd?

[getuige 2] : hij zo, ik heb niet alle spullen, snap je. Deze stukken beetje is al verkocht zegt hij.

[medeverdachte] : hij heeft ontkend dus?

[getuige 2] : ja, hij heeft gewoon zichzelf erbij genaaid en daarna ging hij eromheen draaien, maar hij heeft het wel genaaid toen.

[medeverdachte] : heeft hij mijn naam gezegd?

[getuige 2] : ja, hij zei dat de spullen nog bij jou lagen wollah. Daarom, ik zeg toch, wij moeten die spullen teruggeven, want dan is alles klaar.

[medeverdachte] : luister, die spullen kunnen niet terug. Dat wordt een drama, gek. Luister, jij moet gewoon alles ontkennen. Je hebt de auto gewoon aan hem uitgeleend.

[getuige 2] : luister, maar ja, [verdachte] heeft gisteren dus wel gepraat hè.

[medeverdachte] : wat heeft hij precies gezegd wollah.

[getuige 2] : wollah kijk, hun waren zo aan het praten en toen zei hij zo, ik heb niet alle spullen meer want sommige dingen liggen bij hem, bij [medeverdachte] en hij heeft die verkocht.

(…)

[getuige 2] : hij zo, als jij voor mij een deel van mijn spullen teruggeeft, snap je? Dan is alles goed en ga ik geen verklaring afleggen en regelen de rest allemaal onder ons.

[medeverdachte] : ik ga zo niet bekennen maat. Als je teruggeeft is ook bekennen jongen. Hij weet die sleutel hij heeft met de sleutel klaar.

[getuige 2] : wollah die spullen moeten terug. (…) Heb jij die spullen nog?

[medeverdachte] : nee, ik heb niets jongen, [verdachte] heeft alles.

[getuige 2] : hoezo niet, dus alles ligt bij [verdachte] ?

[medeverdachte] : ja.

[getuige 2] : [verdachte] heeft gisteren zijn mondje voorbij gepraat. Hij zegt ik heb die maar de helft van de spullen liggen bij [medeverdachte] .

(pagina’s 764, 766 en 767)

Op 25 maart 2014 om 11.44 uur wordt [medeverdachte] gebeld door [verdachte] (sessienummer 2885).

[verdachte] : zij gaan de schuld aan mij geven, je weet toch dat ik heb gepraat. Ik ben zelf daar naar binnen gegaan man, denk jij dat ik mijzelf ga naaien of zo. Ik sta heterdaad op die camerabeelden en dat hij zal zeggen, dat ben ik.

[medeverdachte] : hun zeggen er zijn camerabeelden. (…) Er is een koffer gezien in de kofferbak.

[verdachte] : in de kofferbak terwijl dat niet eens is.

[medeverdachte] : ja van die BMW.

[verdachte] : die lag gewoon voorin. (…) Die had ik gewoon voorin gestopt.

7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 augustus 2014 (dossierpagina’s 794-802), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :

(pagina 796)

Over de inbraak op [adres] te Eindhoven waar jullie over hebben gevraagd weet ik wel iets. Ik wilde op stap gaan met [getuige 2] . We wilden parkeren bij de Dubai. Ik werd gebeld. Ik kreeg een vriend aan de telefoon. Die zei dat ik snel moest komen.

(pagina 797)

Ik ben met [getuige 2] naar het huis van de broer van [medeverdachte] gegaan in de auto van [getuige 2] . De broer van [medeverdachte] heet [betrokkene 1] . [getuige 2] bleef bij de auto.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 augustus 2014 (dossierpagina’s 809 en 810), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :

(pagina 809)

Ik was op 23 maart 2014 bij mijn vriendin genaamd [getuige 4] . Het exacte adres kan ik u niet geven, maar als u mij vertelt dat het een woning aan de [straatnaam] in Eindhoven is, dan kan ik zeggen dat dit wel kan kloppen. Ik was daar op bezoek bij mijn vriendin en omstreeks 3.30 uur hoorde ik een harde tik op een raam. Kort daarop hoorde ik samen met mijn vriendin nog een harde tik op het raam. Ik kan het geluid omschrijven als een tik waarbij een raam wordt vernield. Wij zijn gaan kijken. Het ging allemaal heel snel, want op het moment dat wij uit het raam keken, zagen ik en mijn vriendin een persoon uit een poort komen rennen. Ik zag dat die persoon hard wegrende in de richting van het veldje.

(pagina 810)

Wat ik me nu nog kan herinneren is dat de persoon een man van buitenlandse afkomst is en ik zag dat hij een bruine, te grote jas droeg. De jas kwam tot aan de bovenbenen van de man. Ik zag dat de man zijn rechterhand onder zijn jas hield. Ik en mijn vriendin hebben alleen hem gezien en voor de rest geen andere personen.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 september 2014 (dossierpagina’s 811-813), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] :

(pagina 811)

[getuige 3] , een vriendin van mij, was op 23 maart 2014 tussen 1.30 uur en 2.00 uur bij mij op [adres getuige 4] te Eindhoven.

(pagina 812)

Rond 3.30 uur hoorden wij ineens een hele harde knal. Daarna kwam er nog een knal achteraan. [getuige 3] en ik deden de gordijnen open en keken naar buiten door de voorruit van de woning. Ik zag dat de tuindeur van de tuin welke zich recht tegenover mijn woning bevindt open stond. Ik zag dat er een jongen uit de tuin kwam rennen. Ik zag dat hij in de richting van het [voetbalveldje] rende. Het duurde niet lang voordat de jongen wegrende na de knal. Het was maar één jongen die vanuit de achtertuin weg rende. Ik zag ook dat hij iets onder zijn arm geklemd had, een tas of iets. De jongen die ik uit de tuin zag rennen had een getinte huidskleur en droeg een donkergroen/bruinachtige jas. Ik zag dat het een wat langere jas was. Die kwam ongeveer tot zijn billen.

10. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 september 2014 (dossierpagina 817), voor zover inhoudende als de op 29 augustus 2014 afgelegde verklaring van getuige [getuige 1] :

[aangever] belde mij een dag na de inbraak op. Hij vertelde mij dat hij bij een vriend had geslapen en dat hij op stap was geweest en dat er toen goederen van hem uit de woning van zijn vriend waren weggenomen. Later die dag ben ik naar de woning op [adres] te Eindhoven gaan kijken. Ik zag een gat zitten in de ruit en kon zien dat je niet door het gat de woning binnen kon gaan. Ik zag dat er bij de buren camera’s aan de buitenmuur hingen. Ik zag dat dit een hoekwoning betrof. Ik ben toen naar de buren gegaan en heb gesproken met de bewoner. De bewoner vertelde dat hij op de camerabeelden had gezien dat er een jongen naar de auto liep met in zijn handen een koffer.

11. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 14 oktober 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

Mijn ouders wonen aan de [straatnaam] te Eindhoven, de buren wonen op [huisnummer] . Bij mijn ouders hangen camera’s die buiten opnemen. Er waren ook camerabeelden van de inbraak bij de buren. De ochtend na de inbraak kwamen er twee jongens bij mij aan de deur en die vroegen of de camera’s van mijn ouders iets hadden opgenomen. Ik heb de beelden bekeken. Hierop was te zien dat een jongen een uur voor de klap via de achterdeur naar buiten kwam met in zijn armen een koffer of een tv. Die jongen is naar een auto gelopen, is ingestapt en vervolgens waren ze weg. Een uur later volgde een klap en toen was op de beelden een jongen te zien die weer vanuit de achterdeur vanaf [adres] kwam en naar een auto rende die wegreed. De jongen had toen niets in zijn handen.

12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 september 2014 (dossierpagina’s 834-839), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

(pagina 838)

Tussen zaterdag 22 maart en zondag 24 maart (het hof begrijpt: 23 maart) werd [verdachte] gebeld door [medeverdachte] . Hij vroeg of wij naar Dubai Lounge konden komen. [verdachte] heeft daar buiten met [medeverdachte] gesproken en stapte daarna bij mij in de auto, de auto van mijn vader, een BMW. [verdachte] zei dat hij ergens iets moest ophalen. Het was een woning in de buurt van het [voetbalveldje] .

(pagina 839)

Achteraf bleek het te gaan om de woning van [betrokkene 1] . Ik heb de auto bij het veldje neergezet. [verdachte] was vijf minuten weg en kwam terug met een koffer in zijn hand. Ik zag dat hij sleutels in zijn zak stopte en vervolgens bij mij in de auto stapte. Wij zijn naar de woning van [verdachte] gereden en hij is zijn woning ingelopen met de koffer. Achteraf hoorde ik van [betrokkene 4] dat er geld en kleding in de koffer zat. Achteraf heb ik gehoord dat [verdachte] de sleutel bij [medeverdachte] heeft opgehaald, dat [verdachte] met de sleutel naar de woning is gegaan en terugkwam met een koffer. [medeverdachte] heeft gezegd dat daar een koffer zou liggen. [medeverdachte] en [verdachte] hebben dit tegenover mij bevestigd.

13. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 14 oktober 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik heb van [verdachte] begrepen dat hij iets moest ophalen uit de woning van [betrokkene 1] . Ik ben naar die woning gereden met [verdachte] , [verdachte] is uitgestapt en is teruggekomen met een koffer.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte vrij zal spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouwe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op grond van het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte in de woning is geweest. Het hof begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat hiermee is bedoeld te betogen dat verdachte niet de ten laste gelegde wegnemingshandelingen heeft verricht. Nu enkel kan worden vastgesteld dat verdachte een koffer heeft aangenomen van de daders van de ten laste gelegde diefstal is er voorts onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen, aldus de verdediging. Daarbij heeft de verdediging nog betoogd dat de verklaring van [getuige 2] – mede gelet op zijn procespositie als verdachte – onvoldoende betrouwbaar is om tot het bewijs te bezigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het geen reden heeft om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] te twijfelen, nu zijn verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, waaronder de uitspraak van verdachte zelf in het tapgesprek van 25 maart 2014 om 11.44 uur (sessienummer 2885): “Ik ben zelf daar naar binnen gegaan man, denk jij dat ik mijzelf ga naaien of zo. Ik sta heterdaad op die camerabeelden”. Hetgeen de verdediging omtrent de betrouwbaarheid van voornoemde [getuige 2] naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof zal zijn verklaringen dan ook bezigen tot het bewijs.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, is voor het hof het navolgende komen vast te staan.

[aangever] heeft verklaard dat er zich ten tijde van het delict aan hem toebehorende goederen in de woning van [betrokkene 1] , gelegen aan [adres] te Eindhoven, bevonden. Het gaat onder andere om een koffer, contant geld, kleding en schoenen. [aangever] heeft verder verklaard dat hij op 23 maart 2014 rond 1.00 uur uit is gegaan in Eindhoven met onder andere [medeverdachte] , het broertje van [betrokkene 1] en dat hij zag dat [medeverdachte] die nacht voor de Dubai Lounge met verdachte heeft staan smoezen, waarbij hij wat aan verdachte gaf. Om 4.30 uur werd hij door [betrokkene 1] gebeld met de mededeling dat hij van buren had gehoord dat er een ruit was vernield en dat zij een getinte jongen met een muts en een half lange jas weg hadden zien rennen met een tas bij zich. Bij de woning aangekomen zag [aangever] dat onder andere zijn koffer, geld, kleding en schoenen misten. [getuige 5] heeft verklaard dat bij de woning van zijn ouders camera’s hangen, welke camera’s ook opnames hadden gemaakt in de nacht van 23 maart 2014. Op de camerabeelden was te zien dat een jongen via de achterdeur van de woning aan [adres] naar buiten kwam met in zijn armen een op een koffer gelijkend voorwerp. De jongen liep naar een auto en is ingestapt. Vervolgens reed de auto weg. Verdachte heeft in een telefoongesprek – welk gesprek is weergegeven op dossierpagina 766 – tegen [medeverdachte] gezegd dat anderen de schuld aan hem gaan geven, nu hij daar zelf naar binnen is gegaan en op de camerabeelden staat. Tot slot heeft [getuige 2] een en ander verklaard wat aansluit op bovenstaande bewijsmiddelen, namelijk dat:

  • -

    verdachte die nacht is gebeld door [medeverdachte] en dat verdachte vervolgens met laatstgenoemde bij de Dubai Lounge heeft gesproken,

  • -

    dat hij van verdachte en [medeverdachte] later heeft gehoord dat [medeverdachte] verdachte daar de sleutel van de woning aan [adres] heeft gegeven en aan verdachte heeft gezegd dat in die woning een koffer lag,

  • -

    dat hij en verdachte vervolgens naar de woning van [betrokkene 1] zijn gereden, omdat verdachte had gezegd dat hij iets uit die woning moest ophalen,

  • -

    dat verdachte nabij de woning is uitgestapt en na ongeveer vijf minuten terugkwam met een koffer.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de diefstal moet zijn gepleegd met behulp van de huissleutel (bewijsmiddel 6: tap 2852, dossierpagina’s 753 en 756, en de bewijsmiddelen 10-12). Ten slotte blijkt uit de als bewijsmiddelen gebezigde tapgesprekken dat de gestolen goederen kort na de diefstal in het bezit waren van verdachte en [medeverdachte] .

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met in ieder geval [medeverdachte] voormelde diefstal heeft gepleegd.

De verklaring van verdachte – inhoudende dat hij slechts een koffer heeft aangenomen van de daders van de ten laste gelegde diefstal en dat hij niet in de woning is geweest – is in strijd met de bewijsmiddelen en acht het hof derhalve ongeloofwaardig.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt het hof het verweer van de verdediging in alle onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft het hof verzocht de door de rechtbank opgelegde straf te matigen en daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het feit dat verdachte niet als intellectuele dader van het bewezen verklaarde is aan te merken.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft geacht dan de rechtbank;

  • -

    de omstandigheid dat feiten als thans bewezen verklaard schade teweeg brengen aan de eigenaars van de weggenomen goederen dan wel de betrokken verzekeraars, alsmede de omstandigheid dat uit het handelen van verdachte minachting spreekt voor andermans eigendommen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2017, waaruit blijkt dat hij niet eerder bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld;

  • -

    zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheid dat hij een vaste baan bij een supermarkt heeft.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Beslag

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven fototoestel (Fuji Phine), nu het belang van strafvordering zich naar het oordeel van het hof niet meer tegen de teruggave ervan verzet.

Ten aanzien van de in beslag genomen Apple iPad en paarse beschermhoes zal het hof de teruggave aan de rechthebbende – [rechthebbende] – gelasten, nu het belang van strafvordering zich naar het oordeel van het hof niet meer tegen de teruggave ervan verzet.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.724,26. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep (hoofdelijk) toegewezen tot een bedrag van € 3.030,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De verdediging heeft – voor zover hier van belang – bepleit dat de vordering deels, namelijk tot een bedrag van € 3.030,00, kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.030,00, bestaande uit het contante geldbedrag dat volgens de bewezenverklaring is weggenomen. Het hof acht dit gedeelte van de vordering dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de overige schadeposten, nu het hof van oordeel is dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op zou leveren. Hoewel is komen vast te staan dat er kleding en schoenen zijn weggenomen, zou nader onderzoek naar de waarde van deze voorwerpen in zoverre een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Het hof stelt voorts vast dat verdachte het onder 1 bewezen verklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade.

Het hof ziet tot slot aanleiding te dezer zake de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een fototoestel (Fuji Phine).

Gelast de teruggave aan [rechthebbende] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een Apple iPad en een paarse beschermhoes.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.030,00 (drieduizend dertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.030,00 (drieduizend dertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. P.J. Hödl en mr. A.H. Klip, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 8 augustus 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.J. Hödl en mr. A.H. Klip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie, eenheid Oost-Brabant, Gezamenlijke Recherche Eindhoven, onderzoeksnummer BVH 2014062954, sluitingsdatum 28 november 2014, doorgenummerde dossierpagina’s 1-1350. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Zie het proces-verbaal van bevindingen Inbraak 2 d.d. 5 mei 2014 (dossierpagina 734).