Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3578

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
200.215.700_01 en 02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing;

Ondertoezichtstelling;

Gelet op het feit dat de moeder door de verhuizing naar (woonplaats) zich volledig aan de hulpverlening heeft onttrokken, de negatieve invloed van de vader op de minderjarige en op de houding van de moeder ten opzichte van de hulpverlening en het onderzoek van de raad naar de gezagsbeëindigende maatregel kan het hof niet anders dan vaststellen dat de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige op dit moment nog onverminderd aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 augustus 2017

Zaaknummers : 200.215.700/01 en 200.215.700/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/315149 / JE RK 16-1657

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Schlepers,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

- [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 4 mei 2017, hersteld bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 juli 2017, heeft de moeder verzocht:

  • -

    voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing af te wijzen;

  • -

    voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voormelde beschikking voor de duur van het bij het hof aanhangige hoger beroep te schorsen;

  • -

    althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juni 2017, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder en de vader, bijgestaan door mr. Schlepers. Voor de moeder en de vader is mevrouw J. Smetsers opgetreden als tolk in de Franse taal;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen d.d. 3 juli 2017 ingediend door de advocaat van de moeder;

  • -

    de stukken van de eerste aanleg ingediend door de GI en ingekomen ter griffie op 6 juli 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder en de vader is, op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

3.1.1.

Bij beschikking van 22 juni 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant de moeder en de vader gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 15 februari 2016 onder toezicht van de GI.

3.3.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 15 februari 2016 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 februari 2018 alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om [minderjarige] met ingang van 15 februari 2017 tot uiterlijk 15 februari 2018 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.1.

Tevens heeft de moeder bij voornoemd beroepschrift een incidenteel verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring ex artikel 360 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend, bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.215.700/01.

Ten aanzien van het schorsingsverzoek 200.215.700/02:

3.6.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder verklaard het hoger beroep, voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking, in te trekken. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de moeder in haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk zal verklaren.

In de hoofdzaak 200.215.700/01:

3.7.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat voldaan is aan het wettelijk criterium in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de door de GI gestelde omstandigheden ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] vormen en dat er onvoldoende mogelijkheden voor hulpverlening binnen het vrijwillig kader zijn. De moeder heeft gedurende een lange periode in het ziekenhuis verbleven; [minderjarige] is tijdens deze ziekhuisopname uit huis geplaatst. De moeder stelt dat zij geen hulpverlening heeft geweigerd. De moeder heeft hieraan ter zitting van het hof toegevoegd dat zij vanuit het ziekenhuis een eigen woonruimte heeft betrokken, maar dat er door de GI nooit hulpverlening in de thuissituatie is ingezet. De moeder is bereid om haar medewerking aan alle vormen van hulpverlening te verlenen, zelfs aan een opname in een ouder-kind-huis. Door de GI is nimmer onderzoek verricht naar de pedagogische vaardigheden van de moeder en de vader en naar wat hun mogelijkheden zijn. De moeder merkt op dat zij voorafgaand aan haar ziekenhuisopname – zonder hulpverlening – tweeënhalf jaar goed voor [minderjarige] heeft gezorgd. Er dient – naar de mening van de moeder – een onafhankelijk onderzoek te worden gelast. De door de GI geuite zorgen omtrent [minderjarige] acht de moeder weinig concreet. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat bij [minderjarige] sprake is van onverwerkte trauma’s en hechtings-problematiek; de moeder betwist uitdrukkelijk dat hiervan bij [minderjarige] sprake is. Deze stelling wordt door de GI niet met bewijsstukken onderbouwd. De rechtbank heeft verder ten onrechte bepaald dat de contactmomenten tussen [minderjarige] en de ouders te belastend zijn voor [minderjarige] . De moeder betwist dit uitdrukkelijk en voert aan dat deze stelling door de GI evenmin met bewijsstukken wordt onderbouwd. Het had op de weg van de GI gelegen om observaties door een gedragsdeskundige te laten verrichten. De contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] zijn op initiatief van de GI stopgezet, doch de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] niet. Recent heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank Noord-Nederland waarbij de gezinsvoogd het belang van contact tussen [minderjarige] en de moeder heeft onderstreept. De moeder heeft ter zitting van het hof verklaard dat het niet onbegrijpelijk is dat [minderjarige] na het contact met de moeder (gedrags)problemen vertoont, omdat [minderjarige] verdriet heeft van de uithuisplaatsing.

De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat de uithuisplaatsing – vanwege een combinatie van kindgebonden problematiek en omgevingsfactoren – noodzakelijk en in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] is. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat op dit moment geen sprake is van een veilig en voorspelbaar opvoedingsklimaat en dat de inzet van diverse vormen van ondersteuning de huidige zorgelijke situatie niet heeft kunnen voorkomen. Door problemen van zeer tijdelijke aard is de moeder minder goed in staat geweest sturing te geven aan de algehele opvoedingssituatie. De moeder stelt dat zij inmiddels voldoende is hersteld. Zij kan thans met de nodige ondersteuning [minderjarige] een veilig en stabiel opvoedingsklimaat bieden. De moeder heeft hieraan ter zitting van het hof toegevoegd dat zij inmiddels een bestendige relatie met de vader van [minderjarige] heeft en dat zij door hem wordt ondersteund bij zaken die zij – gelet op haar beperkingen – niet kan. De continuïteit in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] is op die manier voldoende gewaarborgd, zodat de wettelijke grond voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] niet meer aanwezig is.

3.8.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

Er is voldaan aan het wettelijke criterium voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging uithuisplaatsing. Destijds was er door het ziektebeeld van de moeder nog onvoldoende zicht op de mogelijkheden van de moeder om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] . Voorts moest er nog veel hulpverlening rondom de moeder worden georganiseerd om ervoor te zorgen dat zij haar eigen herstel zo goed mogelijk kon laten verlopen. Aangezien de situatie niet stabiel was en [minderjarige] in haar ontwikkeling werd bedreigd, was een beëindiging van de ondertoezichtstelling en een thuisplaatsing van [minderjarige] niet aan de orde. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat zij de mogelijkheden van de moeder wilde gaan inventariseren op het moment dat de vader van [minderjarige] weer in beeld kwam. De moeder liet daarop alles aan de vader over, waardoor de relatie tussen de moeder en [minderjarige] in het geding kwam. Het gedrag van de vader is schadelijk voor [minderjarige] . De hulpverlening is gestagneerd omdat de moeder en de vader niet aan de vraag en voorwaarden van de hulpverlening konden voldoen.

De GI is van mening dat [minderjarige] in haar gedrag laat zien dat de contactmomenten met de moeder en de vader te belastend voor haar zijn. Na een bezoekmoment zien de pleegouders een terugslag in haar gedrag. Daarbij komt dat de vader zich niet laat sturen en aanspreken op zijn gedrag. [minderjarige] is bang voor de vader. De vader en de moeder kunnen niet aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] en houden geen rekening met het effect van hun gedrag op [minderjarige] . Tijdens de contactmomenten hebben er incidenten plaatsgevonden, waarbij de politie moest worden betrokken. [minderjarige] ervaart geen enkel gevoel van vertrouwen en veiligheid in de ouders, hetgeen een mogelijke terugplaatsing in de weg staat. Na de bestreden beschikking hebben zich nieuwe incidenten voorgedaan, waardoor de GI heeft geconcludeerd dat een thuisplaatsing niet meer haalbaar is. De moeder heeft één keer per maand contact met [minderjarige] . De kinderrechter heeft de vader per 22 mei 2017 voor de duur van de ondertoezichtstelling het recht op contact met [minderjarige] ontzegd.

De GI stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] eerst in een rustige stabiele situatie moet opgroeien om trauma’s te kunnen verwerken. Zolang traumatiserende gebeurtenissen nog steeds plaatsvinden, kan er niet worden gewerkt aan de verwerking hiervan en kan er geen uitgebreid onderzoek worden verricht.

De GI voert verder aan dat de moeder – zonder de GI op de hoogte te stellen – op 15 maart 2017 naar [woonplaats] is verhuisd, alwaar zij in een klein appartement met de vader woont. Door de verhuizing is alle hulpverlening rondom de moeder stil komen te liggen en is het zicht vanuit de hulpverlening op de moeder volledig weg. De GI heeft – gelet op de gedrags-problemen van [minderjarige] – ervoor gekozen om de zaak niet naar [woonplaats] over te dragen.

De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de raad recent een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel van de moeder en de vader bij de rechtbank heeft ingediend.

3.9.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – verklaard dat hij en de moeder al een hele tijd aan het procederen zijn. De vader merkt op dat de liefde tussen een ouder en een kind het belangrijkste voor een kind is; niemand kan deze liefde vervangen.

3.10.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – verklaard dat door het ziekteproces van de moeder er dingen tussen haar en [minderjarige] zijn misgelopen. De raad is van mening dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder en de vader ligt, omdat zij hebben aangegeven dat zij geen hulp bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] nodig hebben. De ouders zijn niet gemotiveerd voor hulpverlening. Verder is de aansluiting tussen de vader en [minderjarige] verstoord, waardoor ook de band van [minderjarige] met de moeder een beschadiging heeft opgelopen. De raad plaatst vraagtekens bij de cognitieve vermogens en de leerbaarheid van de ouders, omdat ook de informatie met behulp van een tolk niet goed bij hen aankomt. De raad acht een volledig onafhankelijk onderzoek niet mogelijk. De raad is van mening dat er – door het onderzoek van de raad naar een gezagsbeëindigende maatregel – op een neutrale manier voldoende onderzoek is verricht naar de situatie van de vader en de moeder. De raad concludeert dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] inmiddels is verstreken.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.11.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.11.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.11.4.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.11.5.

Het hof stelt voorop dat, voor zover de moeder ter zitting in hoger beroep het hof heeft verzocht om een onafhankelijk onderzoek te gelasten, het hof zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende voorgelicht acht om in de onderhavige zaak een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Daarbij komt dat het hof een nader onderzoek op dit moment niet in het belang van [minderjarige] acht, omdat de raad onlangs nog een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel heeft verricht, waarvan de inhoud overigens niet aan het hof kenbaar is gemaakt. Het hof wijst derhalve het verzoek van de moeder om nu een onafhankelijk onderzoek te gelasten af.

3.11.6.

Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt het hof het volgende. Het hof stelt naar aanleiding van de inhoud van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing d.d. 28 november 2016 vast dat het perspectief van [minderjarige] op dat moment nog niet duidelijk was en dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dienden te worden verlengd teneinde hieromtrent duidelijkheid te verkrijgen. De GI was op dat moment voornemens om onderzoek te doen naar de mogelijkheid om [minderjarige] – met de ondersteuning van hulpverlening – bij de moeder terug te plaatsen, nu de GI op 4 oktober 2016 het besluit had genomen dat het in het belang van [minderjarige] was dat zij bij de moeder zou worden teruggeplaatst. Het hof stelt vast dat gaandeweg de procedure in eerste aanleg de GI dit standpunt heeft herzien, getuige de inhoud van de brief d.d. 26 januari 2017. De GI heeft in deze brief aan de moeder mede-gedeeld dat de GI haar beleid ten aanzien van het perspectief van [minderjarige] heeft gewijzigd en dat [minderjarige] niet meer bij de moeder terug wordt geplaatst. Uit voornoemde brief volgt onder meer dat het feit dat de vader een grote(re) rol in het leven van de moeder en [minderjarige] is gaan spelen een negatieve invloed heeft gehad op [minderjarige] alsmede op de relatie tussen de moeder en [minderjarige] . De GI heeft vastgesteld dat de vader tijdens de contacten met [minderjarige] dominant aanwezig was, zich niet door de hulpverlening liet begrenzen en dat de vader over de grenzen van [minderjarige] heen ging en hij niet naar [minderjarige] luisterde, hetgeen er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat de rechtbank op verzoek van de GI het contact tussen vader en [minderjarige] heeft ontzegd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.11.7.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder thans niet (meer) mogelijk is. Het hof voegt daar nog aan toe dat de moeder zich aan de hulpverlening van de GI heeft onttrokken door – zonder de GI hiervan op de hoogte te stellen – omstreeks 15 maart 2017 naar [woonplaats] te verhuizen en daar met de vader te gaan samenwonen. Door de verhuizing is alle hulpverlening rondom de moeder stil komen te liggen en is ieder zicht van de GI op de thuissituatie van de moeder komen te vervallen. Daarbij komt dat de moeder in [woonplaats] is gaan samenwonen met de vader en de vader een negatieve invloed heeft op [minderjarige] en op de houding van de moeder jegens de hulpverlening. Waar de moeder in het verleden nog open stond voor hulpverlening, geeft zij thans aan samen met de vader te kunnen voorzien in een veilig en stabiel opvoedingsklimaat voor [minderjarige] , hetgeen door de GI gemotiveerd is weersproken. Dit standpunt van de moeder wordt bevestigd door het feit dat zij thans in hoger beroep niet alleen om een afwijzing van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verzoekt, maar dat zij eveneens wenst dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] alsnog wordt afgewezen.

3.11.8.

Voorts is ter zitting van het hof gebleken dat de raad inmiddels een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel heeft afgerond, hetgeen geresulteerd heeft in een indiening van een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel bij de rechtbank Noord-Nederland. Het hof merkt op dat de inhoud van voornoemd rapport van de raad door betrokken partijen niet aan het hof bekend is gemaakt.

3.11.9.

Gelet op het feit dat de moeder door de verhuizing naar [woonplaats] zich volledig aan de hulpverlening heeft onttrokken, de negatieve invloed van de vader op [minderjarige] en op de houding van de moeder ten opzichte van de hulpverlening en het onderzoek van de raad naar de gezagsbeëindigende maatregel kan het hof niet anders dan vaststellen dat de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing op dit moment nog onverminderd aanwezig zijn.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.215.700/02:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2017.

in de zaak met zaaknummer 200.215.700/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2017;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en H.J. Witkamp en is op 10 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.