Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3564

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
200.215.373_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ;

strikte handhaving appeltermijn;

geen verlenging van de appeltermijn met de termijn waarmee verzoek tot ontbinding kon worden ingetrokken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 augustus 2017

Zaaknummer : 200.215.373/01

Zaaknummer eerste aanleg : 5518745 \ EJ VERZ 16-772

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerder,

hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,

advocaat: mr. G. Leijten te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 31 januari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 2 mei 2017;

  • -

    een V8 formulier van de zijde van [appellant] , ingekomen ter griffie op 25 mei 2017, waarin, op verzoek van het hof, redenen zijn gegeven waarom het beroep ontvankelijk verklaard dient te worden;

  • -

    een brief van de zijde van [de vennootschap] , ingekomen ter griffie van 2 juni 2017, met het verzoek uitstel te verlenen voor het indienen van een verweerschrift totdat op de ontvankelijkheid van het hoger beroep is beslist;

- de op 26 juli 2017 gehouden mondelinge behandeling; bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van der Marel;

- mr. Leijten namens [de vennootschap] ;

- de ter zitting namens [de vennootschap] overgelegde pleitnota.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 31 januari 2017 heeft de kantonrechter (onder meer) de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [de vennootschap] ontbonden met ingang van 1 maart 2017. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de termijn waarbinnen [de vennootschap] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 14 februari 2017. [de vennootschap] heeft geen gebruik gemaakt van deze intrekkingsmogelijkheid.

3.2.

Op grond van artikel 358 lid 2 Rv dient het hoger beroep door de in de procedure verschenen belanghebbenden te worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak. Zoals hiervoor al is vermeld, is het beroepschrift van [appellant] op 2 mei 2017 ingekomen ter griffie van het hof, dus buiten de beroepstermijn. [appellant] heeft met diverse argumenten betoogd dat hij desondanks ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

3.3.

Het hof stelt vast dat de bestreden beschikking een voorwaardelijke eindbeschikking betreft. De toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is immers afhankelijk gesteld van de vervulling van een voorwaarde, maar in het dictum is wel definitief beslist op dat verzoek. Nu het gaat om een eindbeschikking, dient dadelijk na de uitspraak hoger beroep te worden ingesteld binnen de toepasselijke appeltermijn (vgl. Snijders/Wendels, Civiel appel, 4e druk, nr. 63).

3.4.

Volgens vaste rechtspraak dient tot uitgangspunt dat rechtsmiddeltermijnen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Voorts dient tot uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Op laatstgenoemd uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten (vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3192, NJ 2009/488, HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0510, NJ 2012/626 en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413).

3.5.

Vast staat dat in dit geval geen sprake is van een apparaatsfout. [appellant] is van mening dat er andere bijzondere omstandigheden zijn, die een uitzondering op het hiervoor genoemde uitgangspunt rechtvaardigen.

3.6.

In de eerste plaats heeft [appellant] erop gewezen dat de termijn waarbinnen [de vennootschap] het verzoek kon intrekken voor hem tot gevolg had, dat hij pas na ommekomst van die termijn op de hoogte is geraakt van de feitelijke gevolgen van de beschikking. Dat levert volgens hem een ongerechtvaardigde inperking op van de beroepstermijn. Daarmee ziet [appellant] over het hoofd dat hij op het moment van de beschikking al op de hoogte was of kon zijn van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat die ontbinding voorwaardelijk was uitgesproken, belemmerde [appellant] niet in zijn mogelijkheid om zich reeds tijdens de intrekkingstermijn te beraden op zijn positie voor het geval [de vennootschap] geen gebruik zou maken van de mogelijkheid om het verzoek in te trekken. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, is er dus geen inkorting van de termijn waarbinnen hij zich diende te beraden.

3.7.

[appellant] heeft erop gewezen dat met de invoering van de Wet werk en zekerheid (hierna: WWZ) een nieuwe situatie is ontstaan. Voorheen was immers geen mogelijkheid om in hoger beroep te komen van een beschikking waarmee de arbeidsovereenkomst werd ontbonden, aldus [appellant] . Deze stelling is onjuist. Vóór de invoering van de WWZ was het niet onmogelijk om in hoger beroep te komen van een beschikking waarmee de arbeidsovereenkomst werd ontbonden. Die mogelijkheid was beperkt tot de situatie dat de rechter buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW was getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing had gelaten of zulke fundamentele rechtsbeginselen had geschonden dat niet gesproken kon worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Ook toen was het mogelijk (en gebruikelijk) dat in de ontbindingsbeschikking een termijn werd gegeven om het verzoek in te trekken en ook toen bedroeg de appeltermijn drie maanden. In zoverre heeft de WWZ dus geen wijziging gebracht, zodat het hof dit niet als bijzondere omstandigheid ziet. Het hof ziet hierin dus geen aanleiding om niet strikt vast te houden aan de beroepstermijn.

3.8.

[appellant] heeft aangevoerd dat uit de Memorie van Toelichting op de WWZ blijkt dat zijn interpretatie in lijn is met de bedoeling van de WWZ. [appellant] heeft echter niet toegelicht op welke passages uit de Memorie van Toelichting hij doelt, terwijl het hof geen argumenten aan de parlementaire geschiedenis heeft kunnen ontlenen waaruit de juistheid van het standpunt van [appellant] kan worden afgeleid.

3.9.

Volgens [appellant] moeten de concrete omstandigheden van het geval beslissend zijn of al dan niet tijdig een beroepschrift is ingediend. Het arbeidsrecht vergt maatwerk en de aanvang van de beroepstermijn moet afhankelijk zijn van het moment waarop de verzoeker laat weten dat het verzoek niet wordt ingetrokken, aldus [appellant] . Wanneer het hof deze stelling zou volgen, zou dat betekenen dat iedere keer moet worden onderzocht wanneer een dergelijke mededeling is gedaan en of, en wanneer, deze mededeling de verwerende partij heeft bereikt. Dat strookt niet met het uitgangspunt dat omwille van de rechtszekerheid duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt.

3.10.

Het hof ziet geen redenen om een uitzondering te aanvaarden op het in 3.4 genoemde uitgangspunt. Dat heeft tot gevolg dat het hof op processuele gronden niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak en dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof zal [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de vennootschap] op € 894,- aan salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en F. Kooijman en is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.