Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3562

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
16 /00443
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:203, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indelingsbeschikking Wfsv. Bezwaar tegen indelingsbeschikking te laat ingediend, geen verschoonbare termijnoverschrijding. De Inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-08-2017
FutD 2017-2181
V-N Vandaag 2017/2028
Viditax (FutD), 16-02-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00443

Uitspraak op het beroep van

[belanghebbende] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking van 8 juni 2015 met beschikkingsnummer [beschikkingsnummer] heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat zij is aangesloten bij sector 33 (Horeca algemeen). Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 20 april 2016 gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 juli 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] en de heer [B] , vennoten van belanghebbende, alsmede als gemachtigde de heer [C] , verbonden aan [D] , Belastingadviseurs, tot bijstand vergezeld van de heer [E] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [F] en mevrouw [G] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7.

Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek bij brief van 28 juli 2017 een stuk ingediend bij het Hof. Aangezien dit stuk ter informatie aan het Hof is gezonden zal het Hof bij de beoordeling van deze zaak daar geen acht op slaan.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende houdt zich sinds de start van haar onderneming bezig met het bereiden van frites, burgers en het merendeels (90%) daarvan thuis bezorgen bij de klant.

2.2.

Bij indelingsbeschikking van 8 juni 2015 is belanghebbende per 1 mei 2015 aangesloten bij sector 33, Horeca algemeen. Op de indelingsbeschikking is onder meer het volgende vermeld:

Bezwaar maken

U kunt bezwaar maken tegen deze beschikking. De brief met uw bezwaar moet uiterlijk op 20 juli 2015 bij uw belastingkantoor binnen zijn. Vermeld altijd de reden van uw bezwaar en het beschikkingsnummer.”.

2.3.

Bij brief van 28 september 2015, door de Inspecteur aangemerkt als bezwaar, verzoekt belanghebbende de Inspecteur de indelingsbeschikking te wijzigen met terugwerkende kracht tot 1 mei 2015 in die zin dat belanghebbende wordt aangesloten bij sector 17, Detailhandel en ambachten.

2.4.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2016 verklaart de Inspecteur het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. Ambtshalve heeft de Inspecteur belanghebbendes verzoek beoordeeld en de indelingsbeschikking gehandhaafd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bezwaar van belanghebbende terecht niet ontvankelijk is verklaard. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord is vervolgens in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht is ingedeeld in sector 33.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en indeling in sector 17 (Detailhandel). De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken; deze termijn eindigde op 20 juli 2015. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is het nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb).

4.2.

De brief van belanghebbende van 28 september 2015 is door de Inspecteur als bezwaar aangemerkt, hetgeen het Hof juist acht. Belanghebbende heeft ook niet bestreden dat de brief van 28 september 2015 als bezwaar moet worden aangemerkt. Vaststaat dat deze brief na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. Niet‑ontvankelijkverklaring kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb nog slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft echter geen feiten en omstandigheden aangevoerd die verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zouden kunnen opleveren.

4.3.

Belanghebbende stelt dat de brief van Inspecteur van 20 april 2016 als de primaire en voor bezwaar vatbare beschikking moet worden aangemerkt. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. De beschikking van 8 juni 2015 is zowel naar inhoud als vorm slechts te duiden als de primaire en voor bezwaar vatbare beschikking. Ook de hierop vermelde bezwaarclausule is duidelijk en niet voor andere uitleg vatbaar. Dat tussen partijen tussen 29 september 2015 en 20 april 2016 overleg is geweest en is gecorrespondeerd maakt evenmin dat de status van de beschikking van 8 juni 2015 een andere is, noch dat de brief van 20 april 2016 als primaire indelingsbeschikking zou moeten worden aangemerkt.

4.4.

Belanghebbende betoogt dat de niet-ontvankelijkheid hooguit betrekking kan hebben op de periode tussen 8 juni 2015 en 28 september 2015, doch dat het bezwaar vanaf 28 september 2015 ontvankelijk is. Voor deze opvatting - niet-ontvankelijkheid voor het verleden, ontvankelijkheid voor de toekomst - is echter geen steun te vinden in het recht.

4.5.

Gelet op het voorgaande is het bezwaar van belanghebbende naar het oordeel van het Hof terecht niet ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het Hof niet toekomt aan beantwoording van de tweede onder 3.1 vermelde vraag.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het beroep van belanghebbende ongegrond is en de uitspraak op bezwaar moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 10 augustus 2017 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.