Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:350

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
200 186 653_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling.

Verrekening.

Huwelijksvermogensrecht; huwelijkse voorwaarden: vernietiging wegens bedrog; redelijke vergoeding in de zin van artikel 1:165 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 165
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 2 februari 2017 (bij vervroeging)

Zaaknummer: 200.186.653/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/279441/FA RK 14-2878

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.C.M. van Gool,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. L.H.M. Zonnenberg.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 februari 2016, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij:

- is bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om tot drie maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, in de woning aan het adres [adres] te [plaats] (hierna: de woning) te blijven wonen en gebruik te blijven maken van de tot de inboedel daarvan behorende zaken, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

- de door de vrouw aan de man te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning is bepaald op een bedrag van € 1.156,- per maand, ingaande op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en eindigende drie maanden daarna;

- is afgewezen het verzoek van de vrouw zoals verwoord in rov. 3.1 onder D1 sub B, te weten te bepalen dat de man binnen tien dagen na de beschikking inzage dient te verschaffen in zijn financiële situatie (zowel zakelijk als privé) door het verstrekken van de (digitale, via USB of PDF-file) kopie van grootboeken, kolommenbalansen en kasstroomoverzichten van zowel zijn BV’s als zijn privévermogen, opgesteld volgens de directe methode (eveneens zowel betreffende zijn BV’s als zijn privévermogen) over de jaren 2009, 2010, 2011 met bijbehorende financiële verslagen, op zodanige wijze dat de vermogensopstellingen en diverse kasstromen ten gunste van de man naar verleden, heden en toekomst worden vastgesteld ten behoeve van het vaststellen van de behoefte van de vrouw en de minderjarige [minderjarige] in het kader van de vast te stellen alimentatieverplichtingen;

- zijn afgewezen de verzoeken van de vrouw om te bepalen dat de man aan de vrouw dient te:

vergoeden een bedrag van € 14.000,- als het aan haar privévermogen onttrokken bedrag aan door de vrouw betaalde huishoudkosten;

betalen ter zake van door de vrouw te veel betaalde bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huishouding gedurende de huwelijkse periode een bedrag van € 158.305,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- is bepaald dat de tot dan toe gemaakte proceskosten dienen te worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,

en in zoverre opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

  1. de bewoning van de woning exclusief aan de vrouw en haar kinderen toekomt tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, waarbij de vrouw geen woonvergoeding aan de man is verschuldigd voor deze termijn;

  2. de man binnen tien dagen na de te geven beschikking inzage dient te verschaffen in zijn financiële situatie (zowel zakelijk als privé):

  1. door het verstrekken van de (digitale, via USB of PDF-file) kopie van grootboeken, kolommenbalansen en kasstroomoverzichten van zowel zijn BV’s als zijn privévermogen, opgesteld volgens de directe methode (eveneens zowel betreffende zijn BV’s als zijn privévermogen) over de jaren 2011 tot en met 2014 met bijbehorende financiële verslagen, op zodanige wijze dat de vermogensopstellingen en diverse kasstromen ten gunste van de man naar verleden, heden en toekomst worden vastgesteld, een en ander ten behoeve van het bepalen van de bijdrage van de man naar evenredigheid in de kosten van de gezamenlijke huishouding conform de huwelijkse voorwaarden, alsmede ter bepaling van de feitelijke draagkracht van de man tot het betalen van een onderhoudsbijdrage, alsmede;

  2. door het verstrekken van de (digitale, via USB of PDF-file) kopie van grootboeken, kolommenbalansen en kaststroomoverzichten van zowel zijn BV’s als zijn privévermogen, opgesteld volgens de directe methode (eveneens zowel betreffende zijn BV’s als zijn privévermogen) over de jaren 2009, 2010, en 2011 met bijbehorende financiële verslagen, op zodanige wijze dat de vermogensopstellingen en diverse kasstromen ten gunste van de man naar verleden, heden en toekomst worden vastgesteld ten behoeve van het vaststellen van de behoefte van de vrouw en de minderjarige [minderjarige] in het kader van de vast te stellen alimentatieverplichtingen;

3. primair de tussen partijen opgestelde huwelijkse voorwaarden als nietig/vernietigd dienen te worden beschouwd;

subsidiair de man aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 14.000,- als het aan haar privévermogen onttrokken bedrag aan door de vrouw betaalde huishoudkosten,

waarbij de vrouw zich het recht voorbehoudt haar verzoek te dezen te wijzigen/aan te vullen in afwachting van de lopende strafrechtelijke onderzoeken jegens de man;

4. meer subsidiair de man aan de vrouw dient te betalen ter zake van door de vrouw te veel betaalde bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huishouding gedurende de huwelijkse periode een bedrag van € 158.305,-, waarbij de vrouw zich het recht voorbehoudt haar verzoek in dezen te wijzigen/aan te vullen in afwachting van de lopende strafrechtelijke onderzoeken jegens de man, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

5. de man in de proceskosten van de vrouw wordt veroordeeld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 mei 2016, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 december 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Gool;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Zonnenberg.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 1 december 2016, waaraan gehecht de producties 1 tot en met 10;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de vrouw overgelegde pleitnotitie.

Voor zover de man ter zitting in hoger beroep bezwaar heeft gemaakt tegen de tijdigheid van de indiening van de hiervoor weergegeven brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 1 december 2016, gaat het hof hieraan voorbij nu deze stukken binnen de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn zijn ingekomen en de indiening ook niet in strijd komt met de eisen van een goede procesorde.

De man heeft voorts nog bezwaar gemaakt tegen indiening van productie 1 (“Reactie van de vrouw op het verweerschrift in hoger beroep van de man met bijlagen d.d. 25 mei 2016”). Hierop zal het hof hieronder, in rov. 3.6, beslissen.

3 De beoordeling

3.1.1.

Partijen zijn op 31 oktober 2007 te Maasdriel na het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

3.1.2.

De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

“(…)

Gemeenschap van inboedel

Artikel 1.a

Tussen partijen bestaat een gemeenschap van inboedel. De echtgenoten sluiten elke andere gemeenschap van goederen uit.

Artikel 1.b

  1. Tot de gemeenschap van inboedel behoren de huisraad en hetgeen dient tot stoffering en meubilering van de woning of woningen van de echtgenoten, de vakantiewoningen daaronder begrepen.

  2. Tot de gemeenschap van inboedel behoren niet

  1. boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geneeskundige aard;

  2. de roerende zaken die door de echtgenoten tijdens het huwelijk krachtens erfrecht of schenking worden verkregen (…).

(…)

Vergoedingsrechten

Artikel 4

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

(…)

Kosten van de huishouding

Artikel 7

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

Tot het inkomen behoren niet de werkelijke inkomsten uit vermogen.

2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning.

Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel (en van de voor het gezin bestemde auto’s).

Indien aan die kosten waaronder begrepen de kosten van een geldlening die in verband

met de aanschaf zijn aangegaan, door beide echtgenoten is bijgedragen, komt de eigendom daarvan aan ieder van hen voor de helft toe.

3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 bepaald.

4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan die hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

5. Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.

(…)”

3.1.3.

Uit de voorhuwelijkse relatie van partijen is op [geboortedatum] 2001 geboren [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

3.2.1.

Op 28 mei 2014 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.

3.2.2.

Bij de bestreden beschikking van 1 december 2015 is daarop onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 3 maart 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang:

  • -

    bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot drie maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

  • -

    de door de vrouw aan de man te betalen vergoeding voor het gebruik van de woning bepaald op een bedrag van € 1.156,- per maand, ingaande op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en eindigende drie maanden daarna;

  • -

    afgewezen het verzoek van de vrouw zoals verwoord in rov. 3.1 onder D.1, sub B van die beschikking, voor zover dat afwijkt van het door de rechtbank in rov. 5.9 bepaalde;

- afgewezen de verzoeken van de vrouw om te bepalen dat de man aan de vrouw dient:

te vergoeden een bedrag van € 14.000,- als het aan haar privévermogen onttrokken bedrag aan door de vrouw betaalde huishoudkosten;

te betalen ter zake van door de vrouw te veel betaalde bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huishouding gedurende de huwelijkse periode een bedrag van € 158.305,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaald dat de tot dan toe gemaakte proceskosten dienen te worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3.4.

De vrouw kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vrouw heeft vier grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    voortgezet gebruik echtelijke woning / redelijke vergoeding echtelijke woning (grief 1);

  • -

    verschaffen inzage financiële administratie (grief 2);

  • -

    afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 3);

  • -

    proceskosten (grief 4).

3.6.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw overgelegde productie 1 in hoger beroep, die een reactie is op het verweerschrift in hoger beroep. Het hof acht dit bezwaar gegrond. De reactie van de vrouw op het verweerschrift van de man is in strijd met de zogenoemde twee conclusie-regel. Van uitzonderingen op die regel is niet gebleken. Genoemde productie zal het hof daarom buiten beschouwing laten. De vrouw is bij de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld te reageren op het verweerschrift van de man, en van die gelegenheid heeft zij ook gebruik gemaakt.

3.7.

Voortgezet gebruik / redelijke vergoeding echtelijke woning (grief 1)

3.7.1.

Grief 1 van de vrouw keert zich tegen de beslissing van de rechtbank om het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw in duur te beperken tot een periode van drie maanden. Verder keert grief 1 zich ook tegen de beslissing dat de vrouw ter zake van het gebruik van de woning een gebruiksvergoeding aan de man dient te betalen van € 1.156,- per maand. Ter toelichting op haar grief voert zij het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte de door de vrouw verzochte termijn van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking afgewezen en deze beperkt tot drie maanden. De vrouw is economisch gebonden aan ’s-Hertogenbosch en gelet op haar inkomen en de huidige situatie op de woningmarkt is het voor de vrouw niet gemakkelijk een passende woning te vinden.

Ter zake van de gebruiksvergoeding voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan de redelijkheid van de hoogte van dit bedrag in relatie tot haar huidige inkomen. Met het bepalen van een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding voor de woning aan de man, zonder een – voorlopige – aan de man op te leggen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, wordt de vrouw door de rechtbank ten onrechte en onnodig nog verder financieel de duimschroeven aangedraaid.

3.7.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens de man heeft de vrouw op 12 januari 2016 een woning gekocht die op 1 april 2016 aan haar is geleverd en waar zij begin april 2016 onaangekondigd naar toe is verhuisd. Derhalve is haar grief tegen de beslissing met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning achterhaald.

Aangaande de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding, merkt de man op dat partneralimentatie en een gebruiksvergoeding twee verschillende onderwerpen zijn waarop de rechter onafhankelijk van elkaar kan beslissen. Een belangrijk gegeven is dat de vrouw vanaf januari 2012 tot 3 maart 2016 met haar dochters (en tot 24 september 2014 ook met [minderjarige] ) kosteloos in de woning van de man heeft kunnen wonen. De man heeft al die tijd de volledige hypotheekrente voldaan, terwijl hij in die periode geen woongenot heeft gehad. De vrouw hoefde voor het woongenot geen gebruiksvergoeding aan de man te betalen.

3.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Voortgezet gebruik van de woning

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw haar grief dat de duur van het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw zes maanden diende te zijn (in plaats van de door de rechtbank toegewezen drie maanden) ingetrokken. De grief behoeft op dit punt dan ook geen verdere bespreking meer.

Redelijke vergoeding

Krachtens artikel 1:165 BW kan de rechter bepalen dat aan het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de echtgenoot die ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in die woning woont een redelijke vergoeding wordt verbonden.

Terecht en op goede gronden, die het hof na eigen beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, heeft de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen redelijke vergoeding op zijn plaats geacht. Het hof merkt hierbij op dat de door de man gevraagde vergoeding mede zijn grondslag vindt in het gemis van het genot van de woning (die zijn volledige eigendom is) na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, van welk gemis hier sprake was.

De rechtbank heeft aan de vrouw de bevoegdheid tot voortgezet gebruik van de woning toegekend voor de duur van drie maanden (van 3 maart 2016 (de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven) tot 3 juni 2016) tegen een vergoeding van € 1.156,- per maand. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat de vrouw mag volstaan met het betalen van een redelijke vergoeding van in totaal € 1.695,47, hetgeen hij heeft berekend op basis van de vergoeding van € 1.156,- per maand over de periode van 3 maart 2016 tot 15 april 2016, de dag waarop de vrouw de sleutels van de woning heeft ingeleverd. Aldus zal het hof bepalen.

De vrouw heeft in reactie op het aanbod van de man nog betoogd dat als einddatum van de gebruiksvergoeding 8 april 2016 heeft te gelden (omdat de vrouw, naar haar eigen zeggen, toen de woning heeft verlaten), maar dat betoog verwerpt het hof. De rechtbank heeft op verzoek van de vrouw zelf de bevoegdheid tot voortgezet gebruik van de woning toegekend voor een periode van drie maanden (eigenlijk wilde de vrouw die bevoegdheid nog voor een langere periode, maar dat verzoek heeft zij ter zitting in hoger beroep ingetrokken). Over die periode, waarin zij bevoegd was tot voortgezet gebruik, diende zij dan ook een vergoeding te betalen; het is het aanbod van de man, waartoe hij geenszins verplicht was, dat maakt dat de vrouw kan volstaan met betaling van het lagere (aangeboden) bedrag van € 1.695,47. Dit in aanmerking nemende, acht het hof de hoogte van deze vergoeding redelijk.

Met haar blote, niet-onderbouwde stellingen dat zij genoodzaakt werd onevenredig hoge gebruikslasten voor de woning te blijven voldoen, dat de hoogte van de vergoeding “30% van de woonnorm van de vrouw te boven gaat”, alsmede dat een gratis voortgezet gebruik van de woning is afgesproken tussen partijen, heeft de vrouw niet aan de ter zake op haar rustende stelplicht voldaan, terwijl de man die stellingen voorts gemotiveerd heeft weersproken en de vrouw van haar stellingen geen bewijs heeft aangeboden, zodat ook om die reden aan hetgeen de vrouw aldus betoogt, moet worden voorbijgegaan.

Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat de grief van de vrouw faalt.

3.8.

Verschaffen inzage financiële administratie (grief 2)

3.8.1.

Grief 2 van de vrouw keert zich tegen de afwijzing van haar verzoek te bepalen dat de man binnen tien dagen na de beschikking inzage dient te verschaffen in zijn financiële situatie (zowel zakelijk als privé) door het verstrekken van de (digitale, via USB of PDF-file) kopie van grootboeken, kolommenbalansen en kasstroomoverzichten van zowel zijn BV’s als zijn privévermogen, opgesteld volgens de directe methode (eveneens zowel betreffende zijn BV’s als zijn privévermogen) over de jaren 2009, 2010, 2011 met bijbehorende financiële verslagen, op zodanige wijze dat de vermogensopstellingen en diverse kasstromen ten gunste van de man naar verleden, heden en toekomst worden vastgesteld ten behoeve van het vaststellen van de behoefte van de vrouw en [minderjarige] in het kader van de vast te stellen alimentatieverplichtingen.

Ter toelichting op haar grief voert zij het volgende aan.

De vrouw is het niet eens met de overweging van de rechtbank onder 4.9.5 dat geen aanleiding wordt gezien om te bepalen dat de man grootboeken, kolommenbalansen en kasstroomoverzichten (gebaseerd op de directe methode) moet overleggen. De man is inmiddels onderwerp van strafrechtelijke onderzoeken wegens verdenking van fraude, valsheid in geschrifte en overige malversaties en mogelijk tevens van bedreiging en afpersing. De man heeft reeds tegenover de politie bekend dat hij de door hem in het geding gebrachte producties 2 en 12 opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en ondertekend. Aan het waarheidsgehalte van alle door de man in de procedure overgelegde documentatie dient daarmee te worden getwijfeld. Ook aan de door de man ingebrachte belastingaangiften en jaarrekeningen (en daarmee op de daarop gebaseerde aanslagen) moet worden getwijfeld. Derhalve is er meer dan gegronde reden voor toewijzing van het verzoek van de vrouw.

3.8.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij betreurt het dat de vrouw alles aangrijpt om hem in een kwaad daglicht te stellen en daarmee ten onrechte twijfel tracht te zaaien over het waarheidsgehalte van de door hem in het geding gebrachte stukken. De beschuldigingen van de vrouw zijn ongefundeerd en nemen lasterlijke proporties aan. Zij stelt van alles, maar bewijst niets. Van een strafrechtelijke vervolging is geen sprake. De man is nog nooit met justitie in aanraking geweest en hij heeft een blanco strafblad. De overwegingen van de rechtbank zijn logisch en begrijpelijk, evenals de daarop gebaseerde beslissing in rov. 5.11. De grief van de vrouw dient daarom als ongegrond te worden afgewezen.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Waar de rechtbank in de bestreden beschikking in het kader van de partneralimentatie (die nog immer voorligt bij de rechtbank) afwijzend heeft beslist op het verzoek van de vrouw samengevat, om inzage in de financiële administratie, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een eindbeslissing, omdat daarmee niet omtrent enig deel van het verzochte een einde wordt gemaakt aan het geding. Onder het verzochte in deze zin is immers te verstaan het verzoek dat inzet van het geding is (hier de alimentatie). Daartoe behoren niet op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbende verzoeken. Hoger beroep van de afwijzende beslissing staat dan niet open. Het hof zal de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

3.9.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 3)

3.9.1.

Primair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de huwelijkse voorwaarden tot stand zijn gekomen door bedrog van de man waardoor deze nietig zijn. De vrouw voert hiertoe het volgende aan:

“Op dit moment wenst de vrouw te volstaan met de opmerking dat de man ook om zakelijke redenen haar met bedrog in het huwelijk heeft gelokt, met de bedoeling dat alleen hij hiervan kon profiteren. Vanwege de koude uitsluiting was de man zich zeer bewust van het feit dat hij mij in geen enkele bate van zijn zakelijke activiteiten wilde laten delen. Het lijkt er sterk op dat de man de notaris die dit alles indertijd heeft begeleid – en die overigens de man in al zijn onroerend goed transacties bijstond – door de man evenzo opzettelijk is misleid, door hem essentiële informatie te onthouden, waaronder het feit dat de man nog een ander gezin had met nog een zoon van hem.”

Ter zitting heeft de vrouw haar beroep op bedrog nader toegelicht; als zij had geweten dat de man tijdens hun voorhuwelijkse relatie ook een kind had verwekt bij een andere vrouw, was zij niet met de man getrouwd.

Subsidiair keert de grief zich tegen de afwijzing van het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 14.000,- als het aan haar privévermogen onttrokken bedrag aan door de vrouw betaalde huishoudkosten, alsmede tegen de afwijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 158.305,-, ter zake van door de vrouw te veel betaalde bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huishouding gedurende de huwelijkse periode.

Ter bepaling van de bijdrage van de man in de kosten van de huishouding heeft de vrouw in haar petitum nog verzocht om inzage in de financiële situatie van de man (zie rov. 2.1 hiervóór).

3.9.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft de vrouw een verklaring voor recht verzocht inhoudende dat de akte huwelijkse voorwaarden nietig is. De grieven, noch het petitum van het verzoekschrift in hoger beroep, bevatten een dergelijk verzoek. Verder is onbegrijpelijk op welke wijze de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden als onderbouwing van onderhavige grief kan gelden, vooral omdat de vrouw in eerste aanleg met betrekking tot haar verzoeken ter zake van de kosten van de huishouding juist een beroep op de huwelijkse voorwaarden heeft gedaan. Zonder de huwelijkse voorwaarden zou de rechtsgrond aldus wegvallen en zouden de verzoeken ongegrond zijn. Geconcludeerd moet worden dat de vrouw niet voldaan heeft aan haar stelplicht. Voor het overige volstaat de man met een verwijzing naar hetgeen hij in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd tegen onderhavige verzoeken van de vrouw, te weten het hiernavolgende.

Een notaris heeft een informatieplicht. Zonder nadere toelichting en/of bewijs is het zeer onwaarschijnlijk dat hij deze plicht jegens beide partijen niet is nagekomen. Dat de vrouw onwetend was, is minstens zo onwaarschijnlijk. Voor beide partijen betreft dit hun tweede huwelijk. Beiden hadden de ervaring van een mislukt huwelijk en de gevolgen van een echtscheiding al op zak. In geval van tweede huwelijken komt een huwelijksvermogensregime van ‘koude uitsluiting’ vaker voor dan bij eerste huwelijken. Echtelieden zijn dan minder vaak bereid om opnieuw het gehele vermogen met de ander te delen, vanwege eerdere negatieve ervaringen. Dit was ook bij het huwelijk van partijen het geval, zodat de destijds gemaakte huwelijkse voorwaarden goed aansluiten bij de bedoeling van partijen. Dat dit niet conform de bedoeling van de vrouw was, is ongeloofwaardig.

Ter zake van de kosten van de huishouding is in artikel 7 lid 4 van de akte huwelijkse voorwaarden een vervalbeding opgenomen van een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar. Binnen die termijn moet een vordering ter zake van te veel betaalde kosten van de huishouding worden ingesteld. De vrouw zou de man tijdens het huwelijk meermaals om verrekening van de huishoudkosten hebben verzocht, maar toont dat niet aan. Zij heeft de man nooit om verrekening gevraagd en daar was en is ook geen enkele aanleiding toe. De man weerspreekt dat de vrouw een vordering op hem heeft, omdat zij meer dan haar aandeel zou hebben bijgedragen in de huishoudkosten. De vrouw tracht via de kosten van de huishouding nog enige vordering op de man te verkrijgen nu zij jegens hem geen vermogensrechtelijke aanspraak heeft.

3.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

Vernietiging huwelijkse voorwaarden wegens bedrog

Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op (artikel 3:44 lid 3 BW).

Het feit dat de man volgens de vrouw haar had moeten mededelen (in de zin van artikel 3:44 BW) was dat hij tijdens hun voorhuwelijkse relatie ook een kind had verwekt bij een andere vrouw. Als de vrouw dit had geweten, was zij niet met de man getrouwd. Het “bedrog” ziet daarmee niet op de huwelijkse voorwaarden (de vrouw wilde namelijk ook niet in de wettelijke gemeenschap zijn gehuwd), maar, naar de vrouw zelf heeft verklaard op het huwelijk zelf. Daarvan heeft de vrouw echter niet de nietigheid of vernietiging ingeroepen. De grief faalt in zoverre.

Kosten van de huishouding

In eerste aanleg heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man aan haar dient te vergoeden een bedrag van € 14.000,- als het aan haar privévermogen onttrokken bedrag aan door de vrouw betaalde huishoudkosten, welk bedrag zij heeft becijferd op de schenkingen van haar ouders van € 2.000,- per jaar over een periode van zeven jaar. Primair doet zij daarbij een beroep op artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden, subsidiair op artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden.

Ter zake van de schenkingen ad € 14.000,- heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“Met de man is de rechtbank van oordeel dat een beroep op artikel 7., lid 4 HVW ten aanzien van de schenkingen, welke de vrouw van haar ouders stelt te hebben ontvangen, in dit verband niet opgaat. Genoemd artikel ziet immers alleen op de situatie dat een van partijen méér dan naar evenredigheid heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan de ander. Dit heeft de vrouw niet gesteld, laat staan onderbouwd. Nog daargelaten dat de man gemotiveerd heeft betwist dat de vrouw schenkingen tot een bedrag van € 14.000,- van haar ouders heeft ontvangen, welke zij vervolgens aan de kosten van de huishouding zou hebben besteed, betekent dit geenszins dat de man om die reden gehouden is genoemd bedrag aan de vrouw te vergoeden. De kosten van de huishouding dienen te worden gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen en indien het inkomen onvoldoende is, naar evenredigheid van ieders vermogen. Alleen in het geval er door de een meer dan naar evenredigheid is bijgedragen ontstaat er een vorderingsrecht op de andere echtgenoot. Dit is door de vrouw niet gesteld, zodat de rechtbank ook niet kan toekomen aan een oordeel over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden, welke zich in deze zaak tegen het hiervoor genoemde uitgangspunt verzetten.

Ten aanzien van het door de vrouw in het kader van de schenkingen subsidiair gedane beroep op artikel 4. HVW overweegt de rechtbank dat evenmin door de vrouw is gesteld of dat anderszins is gebleken dat aan haar vermogen bedragen zijn onttrokken ten behoeve van de man in de zin van dat artikel. Van een verschuiving van het vermogen van de ene echtgenoot naar de andere is geen sprake geweest.

Het verzoek te bepalen dat de man gehouden is € 14.000,00 aan de vrouw te vergoeden wordt afgewezen.”

Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat het bedrag van € 14.000,- uit privévermogen afkomstig is, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de aanspraak ter zake door de man, onvoldoende onderbouwd. Door de vrouw is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet verwezen naar producties waaruit dit privévermogen zou moeten blijken. Evenmin heeft de vrouw met stukken onderbouwd dat een bedrag van € 14.000,- aan de kosten van de huishouding is uitgegeven, althans ontbreken verwijzingen naar die stukken in een dossier dat – naar schatting – meer dan 2.000 pagina’s omvat. In zoverre faalt de grief.

Wat vervolgens het door de vrouw te veel betaalde bedrag van € 158.305,-, aan kosten van de huishouding betreft, oordeelt het hof als volgt.

De vrouw laat na te stellen wat de totaalkosten van de huishouding waren en welk deel zij daarvan voor haar rekening diende te nemen. Zij noemt enkel een door haar betaald bedrag € 158.305,-. Enige onderbouwing van dit bedrag ontbreekt. Het valt niet te herleiden tot en correspondeert evenmin met de bedragen die de vrouw heeft genoemd in punt 5 van haar beroepschrift. Ook op dit onderdeel faalt daarom de grief. In haar petitum heeft de vrouw nog verzocht om inzage in de financiële situatie van de man, maar bij dat verzoek heeft de vrouw gelet op het voorgaande geen belang.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 3 van de vrouw op alle onderdelen faalt.

3.10.

Proceskosten (grief 4)

3.10.1.

Grief 4 van de vrouw keert zich tegen de beslissing van de rechtbank dat de gemaakte proceskosten dienen te worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Ter toelichting op haar grief voert zij het volgende aan.

Na de mondelinge behandeling op 2 februari 2015 en na de bestreden beschikking van 1 december 2015 is de man onderwerp geworden van strafrechtelijke onderzoeken. De verdenkingen jegens de man richten zich op fraude en valsheid in geschrifte, waartoe de man reeds heeft bekend dat hij in de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank opzettelijk valse verklaringen heeft opgesteld en ingebracht. Het staat buiten kijf dat de man daarmee heeft beoogd zichzelf te bevoordelen ten koste van de vrouw. Op grond van deze verdenkingen jegens de man, alsmede zijn bekennende verklaring, dient ook aan de waarde van de inhoud overige door de man in de procedure in eerste instantie ingebrachte stukken en informatie ernstig te worden getwijfeld. De houding en het gedrag van de man zijn gegronde reden voor zijn veroordeling in de proceskosten van de vrouw.

3.10.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Er is geen enkele reden om af te wijken van de gebruikelijke regel in dit soort zaken om de proceskosten te compenseren.

3.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn gewezen echtgenoten. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel voor een zaak met een familierechtelijke aard als de onderhavige, die inhoudt dat de proceskosten worden gecompenseerd. De grief faalt mitsdien.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover het is gericht tegen de afwijzing van haar verzoek tot, samengevat, inzage in de financiële administratie (zie rov. 3.8.3.);

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 december 2015, voor zover daarbij de door de vrouw aan de man te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning op een bedrag van € 1.156,- per maand is bepaald,

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

bepaalt conform rov. 3.7.3 de door de vrouw aan de man te betalen totaalvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning op een bedrag van € 1.695,47;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de in hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.