Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:35

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
200.179.885_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contractoverneming. Inbreng van overeenkomsten van eenmanszaak in besloten vennootschap die vervolgens failliet gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/213
AR 2017/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.885/01

arrest van 10 januari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. W.H.F.L. Rademakers te Dongen,

tegen:

Azza Yachting Belgium BVBA,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] (België),

geïntimeerde,

advocaat: mr. F. Wubbena te Oosterhout.

op het bij exploot van dagvaarding van 27 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis van 29 april 2015 tussen appellant - [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in (deels voorwaardelijke) reconventie en geïntimeerde - Azza - als gedaagde in conventie, eiseres in (deels voorwaardelijke) reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/278207/HA ZA 14-177)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, waarin de rechtbank is aangeduid als rechtbank Breda, en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 30 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 27 juli 2015;

- de memorie van grieven van [appellant] van 22 december 2015 met producties;

- de memorie van antwoord van Azza van 2 februari 2016.

Azza heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

In het eindvonnis van 29 april 2015 heeft de rechtbank onder 2. een aantal feiten vastgesteld. Deze vaststelling luidt als volgt:

  1. AZZA houdt zich onder meer bezig met het ontwikkelen van pleziervaartuigen. [appellant] heeft van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2009 een eenmanszaak gevoerd als scheepstimmerman. Deze eenmanszaak was ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] .

  2. Partijen hebben op 15 juli 2004 een koopovereenkomst gesloten, in het kader waarvan AZZA aan [appellant] heeft verkocht het casco van een schip, type AZZA CUTTER 1600 FB, kadastraal bekend en gebrandmerkt met nummer [schipnummer] (hierna het casco), tegen betaling van een koopsom van € 80.500,= met arbeidsuren.

  3. Eveneens op 15 juli 2004 hebben partijen een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, in het kader waarvan [appellant] zich heeft verbonden om 4.600 uren arbeid voor AZZA te verrichten, bestaande uit het produceren en plaatsen van interieursegmenten in drie andere casco’s van schepen van AZZA, te weten type AZZA 1600, type AZZA 1320 en type AZZA 1700, althans enig ander door AZZA aangeboden casco. Partijen zijn overeengekomen dat ieder uur een waarde van € 32,50 vertegenwoordigt, waarvan € 17,50 wordt verrekend met de koopsom opdat [appellant] per uur 1/4.600ste deel van het eigendom van het casco verkrijgt.

  4. [appellant] heeft in totaal 1.837,5 uren aan de casco’s type AZZA 1600 en type AZZA 1320 gewerkt, waarna de casco’s op respectievelijk 25 februari 2008 en 26 maart 2009 zijn opgeleverd. Het casco type AZZA 1700 is niet aan [appellant] ter beschikking gesteld.

  5. Ten tijde van het sluiten van beide overeenkomsten handelde [appellant] onder de naam ‘ [handelsnaam appellant 1] ’. Vanaf 1 juni 2005 tot en met 31 december 2009 heeft [appellant] onder de naam ‘ [handelsnaam appellant 2] ’ gehandeld.

  6. Op 31 maart 2010 heeft [appellant] , handelend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Holding] Holding BV (hierna de Holding), de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Yacht Design BV opgericht. Artikel 31 van de akte van oprichting vermeldt, voor zover thans van belang:

“Ter storting op de aandelen zal de oprichter in de vennootschap inbrengen zijn gehele te [vestigingsplaats 2] gevestigde onderneming, die hij drijft onder de naam [handelsnaam appellant 2] (ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor Brabant, inschrijfnummer [nummer] ) - echter vanaf één januari tweeduizend tien (...) voor rekening en risico van de vennootschap - omvattende deze inbreng derhalve alle activa van gemelde onderneming, onder de vermelding voor de vennootschap alle passiva van die onderneming voor haar rekening te nemen (…).”

Op 17 oktober 2010 is Yacht Design BV failliet verklaard. Bij beschikking van 28 mei 2013 is het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten.

[appellant] heeft op 31 december 2013 met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland -West-Brabant conservatoir beslag doen leggen op het casco.

Bij dagvaarding van 7 januari 2014 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen Azza aanhangig gemaakt.

4.2

In deze procedure stelt [appellant] dat hij ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst werkzaamheden voor Azza heeft verricht, die een waarde vertegenwoordigen van € 32.156,25. Azza heeft volgens [appellant] verzuimd een derde casco aan hem ter beschikking te stellen, zodat Azza tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. [appellant] stelt dat hij Azza bij brieven van 8 april 2010 en 26 april 2010 heeft aangemaand, waarna hij beide overeenkomsten heeft ontbonden. Azza dient hem het bedrag van € 32.156,25 te voldoen. Subsidiair stelt [appellant] dat hij door zijn werkzaamheden een deel van het eigendom van het casco heeft verkregen. Op grond hiervan vordert [appellant] in conventie, samengevat,

  • -

    primair: te verklaren voor recht dat beide overeenkomsten zijn ontbonden, althans deze overeenkomsten te ontbinden, met veroordeling van Azza tot betaling van het bedrag van € 32.156,25, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 8 april 2010;

  • -

    subsidiair: verdeling van het casco door toedeling aan Azza dan wel door verkoop en levering aan een derde, in beide gevallen tegen betaling van € 32.156,25 aan [appellant] , althans 1.837,5/4.600ste deel van de waarde van het casco, vermeerderd met de wettelijke handelsrente met ingang van 8 april 2010;

  • -

    veroordeling van Azza in de proces-, beslag- en nakosten.

Azza heeft deze vorderingen bestreden. Azza voert primair aan dat [appellant] de overeenkomsten heeft ingebracht bij de oprichting van Yacht Design BV, waaraan Azza stilzwijgend medewerking heeft verleend, zodat sprake is van contractoverneming door Yacht Design BV en [appellant] geen vordering heeft op Azza. Subsidiair betwist Azza dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomsten.

In reconventie vordert Azza, samengevat, een verklaring voor recht dat het beslag op het casco onrechtmatig is gelegd en opheffing van dat beslag. Daarnaast heeft Azza in voorwaardelijke reconventie een vordering inzake de verdeling van de opbrengst van het casco ingesteld.

[appellant] heeft deze vorderingen op zijn beurt bestreden.

4.3

Bij tussenvonnis van 30 juli 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 6 maart 2015 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 29 april 2015 heeft de rechtbank in conventie het primaire verweer van Azza gehonoreerd en [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. In reconventie heeft de rechtbank het beslag op het casco opgeheven en het meer of anders gevorderde afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.

4.4

Azza was ten tijde van de inleidende dagvaarding gevestigd in België. Het geschil heeft internationale aspecten, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van het geschil kennis te nemen moet worden vastgesteld. Omdat de vordering in eerste aanleg is ingesteld vóór 10 januari 2015 wordt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ingevolge overgangsartikel 66 lid 2 Herschikte EEX-Verordening 1215/2012 beoordeeld op grond van de EEX-Verordening 44/2001 (hierna te noemen: Verordening). Het geschil betreft een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in artikel 1 Verordening. Artikel 5 lid 1 onder a) Verordening bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst in een andere lidstaat voor het gerecht kan worden opgeroepen van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Omdat dit in Nederland is, is de Nederlandse rechter de internationaal bevoegde rechter. Op grond van artikel 767 Rv is bevoegd de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter het verlof voor het conservatoir beslag heeft verleend, hetgeen in dit geval de rechtbank Zeeland-West-Brabant is.

4.5

Partijen noch de rechter in eerste aanleg hebben zich uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in casu is toegestaan.

4.6

Grief 2 betreft de hiervoor in 4.1 weergegeven vaststelling van de feiten. Volgens [appellant] is de aannemingsovereenkomst gesloten met (alleen) [appellant] als eenmanszaak, terwijl de koopovereenkomst is gesloten met zowel [appellant] als eenmanszaak als met [appellant] in privé. De rechtbank heeft dit laatste onderscheid in entiteiten volgens [appellant] miskend.

4.7

Deze grief wordt verworpen. Nog afgezien van het feit dat [appellant] in eerste aanleg een dergelijk onderscheid niet heeft gemaakt, is de omstandigheid dat in de koopovereenkomst naast [appellant] als eenmanszaak ook [appellant] in privé is vermeld niet relevant voor de vraag wie als wederpartij van Azza heeft te gelden. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen, zodat [appellant] zelf en diens eenmanszaak geen van elkaar te onderscheiden entiteiten zijn zoals hij thans voorstaat. Ook indien partijen met de vermelding van [appellant] in privé naast de eenmanszaak enig rechtsgevolg zouden hebben beoogd, verandert dat de zaak niet aangezien daarvan geen sprake kan zijn.

4.8

Met zijn grieven 3 tot en met 7 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van beide overeenkomsten sprake is van contractoverneming door Yacht Design BV zodat [appellant] zelf geen vordering meer heeft op Azza uit hoofde van die overeenkomsten. Voor zover [appellant] hierbij beoogt zich te beroepen op een verschil tussen zijn eenmanszaak en hemzelf, gaat het hieraan voorbij om de reden die hiervoor bij de bespreking van grief 2 is gegeven.

4.9

De eenmanszaak van [appellant] is onder nummer [nummer] in het handelsregister ingeschreven geweest met achtereenvolgens de handelsnamen [handelsnaam appellant 1] (de naam die in de overeenkomsten met Azza is vermeld), [handelsnaam appellant 2] (de naam die in de oprichtingsakte van Yacht Design BV is vermeld) en Yacht Design BV i.o., waarna ten slotte met ingang van 31 maart 2010 onder dit nummer Yacht Design BV is ingeschreven. De vermelding van de inbreng van zijn gehele onderneming, in artikel 31 van de akte van oprichting van Yacht Design BV, hiervoor in 4.1 onder f) aangehaald, betreft alle activa en passiva van de eenmanszaak van [appellant] zonder dat daarbij blijkt van enig voorbehoud of uitzondering, derhalve de eenmanszaak in zijn geheel. De omstandigheid dat de curator in het faillissement van Yacht Design BV betwijfelde of de koopovereenkomst in die vennootschap was ingebracht dan wel door deze was overgenomen, zoals blijkt uit haar e-mail van 19 november 2011 (prod. 7 mvg), maakt dit niet anders aangezien deze twijfel niet door enig concreet gegeven wordt onderbouwd. Het dient er daarom voor gehouden te worden dat beide overeenkomsten door [appellant] via zijn tegelijkertijd opgerichte Holding zijn ingebracht in Yacht Design BV. Dit wordt ook bevestigd door de omstandigheid dat [appellant] daarna Azza uitsluitend in zijn hoedanigheid van directeur van Yacht Design BV heeft aangeschreven en niet in enige andere hoedanigheid. De contractoverneming is volgens Azza stilzwijgend geaccepteerd en in ieder geval is dat bij conclusie van antwoord expliciet gebeurd. Volgens [appellant] heeft de directeur van Azza te kennen gegeven dat hij niets met Yacht Design BV te maken zou hebben, maar deze - door Azza uitdrukkelijk betwiste - stelling wordt door [appellant] niet met concrete gegevens onderbouwd en is ook niet in overeenstemming te brengen met het feit dat Azza op 18 november 2010 uit eigen beweging de curator in het faillissement van Yacht Design BV heeft aangeschreven over het casco (cva punt 18). Met de rechtbank gaat het hof er daarom van uit dat Azza heeft ingestemd met de contractoverneming door middel van de inbreng van beide overeenkomsten in Yacht Design BV, zodat sprake is van contractoverneming in de zin van artikel 6:159 BW. De consequentie hiervan is dat de rechten en verplichtingen uit beide overeenkomsten daarna niet langer op (de eenmanszaak van) [appellant] rustten maar op Yacht Design BV. Dit betekent dat aan [appellant] thans geen vordering op Azza uit hoofde van de overeenkomsten toekomt. De grieven 3 tot en met 7 worden daarom verworpen.

4.10

Grief 8 betreft de opheffing van het beslag en de proceskostenveroordelingen in eerste aanleg. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de grieven 2 en 3 tot en met 7 is geoordeeld volgt dat ook deze grief wordt verworpen. Grief 1, ten slotte, betreft het eindvonnis van 29 april 2015 in het algemeen en heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis zodat ook deze grief wordt verworpen.

4.11

Door [appellant] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat bewijslevering als door hem aangeboden niet aan de orde is.

4.12

Nu alle grieven zijn verworpen, wordt het eindvonnis van 29 april 2015 bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep, met de wettelijke rente en nakosten als gevorderd.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis van 29 april 2015 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Azza begroot op € 1.937,= aan vast recht en op € 1.158,= aan salaris advocaat en wat betreft de nakosten met € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, aldeze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 januari 2017.

griffier rolraadsheer