Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3471

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
200.179.874_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4349, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

stelplicht/uitleg overeenkomst/maatstaf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.874/01

arrest van 1 augustus 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,

tegen

[Internationaal Transport BVBA] Internationaal Transport BVBA,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 augustus 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 27 mei 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/119299/ HA ZA 12-335)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met één productie;

  • -

    de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met één productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    het bericht van mr. Daniëls van 10 juli 2017 dat partijen niet tot een regeling zijn gekomen met het verzoek om arrest te wijzen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door de rechtbank vastgestelde feiten.

3.1.1.

[appellant] en [geïntimeerde] waren, gezamenlijk met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Services Group BV] Services Group BV (verder: [Group] Group), aandeelhouder van [Services Wegtransport BV] Services Wegtransport BV te [plaats] (verder: Wegtransport) en wel in de verhouding 51% ( [geïntimeerde] ), 39% ( [Group] Group) en 10% ( [appellant] ).

3.1.2.

Op 1 september 2006 is tussen [geïntimeerde] , [Group] Group en [appellant] een aandeelhouders-overeenkomst gesloten waarin voor zover van belang het navolgende is bepaald:

3. [appellant] in privé verkreeg een belang van 10% van de aandelen van Wegtransport van [Group] Group, waarbij de gezamenlijke aandeelhouders overeenkwamen, dat deze 10% beschouwd moest worden als deel van het later te verkrijgen belang van [geïntimeerde] .

(…)

7. [geïntimeerde] ontvangt van [appellant] tegelijkertijd een call optie, inhoudende het recht om het aandelenbelang van 10% van [appellant] in zijn geheel te kopen op enige datum die [geïntimeerde] verkiest, doch uiterlijk op de dag dat [appellant] niet langer in dienst zal zijn van [Group] Group of haar rechtsopvolger.

8. De koop prijs van het 10% belang in deze call optie wordt bepaald door de intrinsieke waarde van de aandelen zoals die ten tijde van de uitoefening van de optie zal luiden, eventueel te verhogen met een alsdan nader te bepalen “goodwill”.

9. [geïntimeerde] aanvaardt deze hiervoor omschreven call optie.

3.1.3.

Bij schrijven van 8 oktober 2010 heeft [geïntimeerde] de call optie ingeroepen en heeft zij aan de heer [financieel directeur Group] (verder: [financieel directeur Group] ) volmacht verleend om namens haar de onderhandelingen te voeren. [financieel directeur Group] is de financieel directeur van [Group] Group. Partijen zijn overeengekomen dat de aandelen tegen de intrinsieke waarde op de balansdatum 31 december 2010 zouden worden overgedragen.

3.1.4.

Partijen hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken over de hoogte van die intrinsieke waarde per die datum. Ook over de vraag of de koopprijs verhoogd dient te worden met een bedrag wegens goodwill verschillen partijen van mening.

3.1.5.

Na overleg zijn partijen overeengekomen dat [appellant] onder protest zou meewerken aan de overdracht van de aandelen tegen de intrinsieke waarde per 31 december 2010 zoals die bleek uit de jaarrekening. Die intrinsieke waarde werd op basis daarvan voor het 10% aandeel van [appellant] per 31 december 2010 bepaald op € 135.470,-. Onder voorbehoud van rechten ten aanzien van de juistheid van die intrinsieke waarde, de goodwill en de verschuldigde rente over de koopsom heeft [appellant] meegewerkt aan de overdracht van de aandelen. Bij notariële akte van 4 oktober 2011 werden de aandelen van [appellant] (onder protest) voor een koopprijs van € 135.470,- overgedragen aan [geïntimeerde] .

3.2.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg, na eiswijziging, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“1. over te gaan tot benoeming van een deskundige;

2. de te benoemen deskundige op te dragen de intrinsieke waarde van de aandelen van de besloten vennootschap [Services Wegtransport BV] Services Wegtransport B.V. per ultimo

31 december 2010 vast te stellen;

3. de te benoemen deskundige op te dragen de hoogte van de goodwill te bepalen van de besloten vennootschap [Services Wegtransport BV] Services Wegtransport B.V. per ultimo

31 december 2010;

4. na vaststelling van de onder 2. van dit petitum bedoelde waarde, gedaagde te veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het verschil tussen de reeds aan eiser betaalde € 135.470,- en de door de deskundige vastgestelde werkelijke 10% van de intrinsieke waarde van de aandelen per 1 januari 2011, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 5 oktober 2011, subsidiair vanaf de dagvaarding, telkens tot aan de dag van algehele voldoening;

5. gedaagde te veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen 10% van het door de deskundige vastgestelde bedrag aan goodwill, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 5 oktober 2011, subdidiair vanaf de dagvaarding, telkens tot aan de dag van algehele voldoening;

6. alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen.”

3.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

In het vonnis van 27 mei 2015 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

“A. De vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen, welke na eiswijziging

luiden:

1. over te gaan tot benoeming van een taxateur;

2. die taxateur op te dragen om de economische waarde van het wagenpark

van [Group] per 31-12-2010 vast te stellen;

3. over te gaan tot benoeming van een deskundige;

4. die te benoemen deskundige op te dragen om aan de hand van de door

de taxateur vastgestelde economische waarde van het wagenpark van

[Group] , de intrinsieke waarde van de aandelen van [Group] per ultimo 31

december 2010 vast te stellen;

5. die te benoemen deskundige op te dragen de hoogte van de goodwill te

bepalen van [Group] per ultimo 31 december 2010, althans per 8 oktober

2010;

6. na vaststelling van de onder 4 van dit petitum bedoelde waarde, [geïntimeerde] te

veroordelen om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen

het verschil tussen de reeds aan [appellant] betaalde € 135.470,-- en de door

de deskundige vastgestelde werkelijke 10% van de intrinsieke waarde van

de aandelen per 1 januari 2011, vermeerderd met de wettelijke rente ex

artikel 6:119 BW daarover vanaf 5 oktober 2011, subsidiair vanaf de

dagvaarding, telkens tot aan de dag van algehele voldoening;

7. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te

voldoen 10% van het door de deskundige vastgestelde bedrag aan

goodwill, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW

daarover vanaf 5 oktober 2011, subsidiair vanaf de dagvaarding, telkens

tot aan de dag van algehele voldoening.

B. Voor het geval uw hof geen taxateur en/of geen deskundige benoemt, [geïntimeerde]

te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen:

1. een bedrag ad € 10.000--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

5 oktober 2011, althans de dag der dagvaarding, steeds tot aan de dag

der algehele voldoening;

2. een bedrag ad € 153.550,--, te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf 5 oktober 2011, althans de dag der dagvaarding, steeds tot aan de

dag der algehele voldoening;

C. Alles met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, te

vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na

dagtekening van het arrest, alsmede geïntimeerde bij bevelschrift te

veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over

deze kosten vanaf 14 dagen na dagtekening van het arrest, alsmede het

bedrag van de noodzakelijke verschotten.”

3.5.1.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] op basis van de overeenkomst van 1 september 2006 aanvullend nog een koopprijs verschuldigd is (memorie van grieven nrs. 30. en 66.). Het hof begrijpt hieruit dat [appellant] aan zijn vordering ten grondslag legt dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar verplichting om de gehele koopprijs als bedoeld in artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst aan hem te voldoen en dat hij van die verplichting nakoming vordert.

3.6.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de grieven met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente over deze kosten vanaf twee dagen na betekening van het arrest.

Stille reserves wagenpark en containers.

3.7.

[appellant] stelt dat de balans over 2010 geen enkel inzicht geeft in de werkelijke waarde van het wagenpark van Wegtransport (memorie van grieven nr. 14.) en dat er verschillen zijn tussen de boekwaardes en de actuele waarde van de voertuigen per 31 december 2010 (memorie van grieven nr. 26.).

3.7.1.

In zijn memorie van grieven in nrs. 35. tot en met 62. heeft [appellant] voormelde stelling voldoende onderbouwd en gespecificeerd. [appellant] brengt namelijk naar voren dat de gehanteerde afschrijvingstermijn vijf jaar was, dat de afschrijving plaats vond over de aanschafprijs verminderd met de restwaarde en dat op de restwaarde in drie jaar tot nihil werd afgeschreven. De restwaarde werd bij aanschaf bepaald en is nooit tussentijds bijgesteld. Dat is wel gebeurd in 2010 met een extra afschrijving van € 68.096,-. Er is in 2010 dus afgeweken van de tot dan toe gebruikelijke wijze van afschrijven, aldus [appellant] . De taxatie van [leverancier aan Wegtransport] van 25 november 2010, waarop de bijstelling van de restwaarde is gebaseerd, is volgens [appellant] niet gemotiveerd. Bovendien is die taxatie niet onafhankelijk omdat [leverancier aan Wegtransport] trucks aan Wegtransport had geleverd en nog zou gaan leveren en de van [geïntimeerde] de opdracht had gekregen om het wagenpark laag te taxeren. Daarbij komt dat tot en met 2010 nog niet eerder een trekker was verkocht die minder had opgebracht dan de boek/restwaarde.

Voorts brengt [appellant] naar voren dat de tweedehands markt juist profiteerde van de crisis, doordat die meer gewild waren en dat vanaf 2010 het aantal verkochte vrachtwagens en trekkers steeg.

[appellant] merkt verder op dat de technische levensduur van een trekker minimaal dertien jaar is en die van een oplegger tweeëntwintig jaar. Na acht jaar afschrijving hebben de voertuigen dus weliswaar een boekwaarde van € 0,-, maar ze hebben dan nog een economische waarde die veel hoger is dan € 0,-.

[appellant] specificeert het wagenpark per 31 december 2010 door aan te geven dat het bestaat uit 26 vrachtwagens (trekkers, opleggers en 4x4) en dat daarbij ook containers moeten worden gerekend (memorie van grieven nrs. 51. en 52.).

[appellant] concludeert dat het complete wagenpark voor € 654.946,- per 31 december 2010 in de boeken staat en dat de stille reserves minimaal € 100.000,- bedragen.

3.8.

[geïntimeerde] heeft de hiervoor aangehaalde stellingen van [appellant] voldoende weersproken, zodat ze niet vast staan. Het hof acht het daarom nodig een deskundigenbericht te bevelen met betrekking tot de vraag of per 31 december 2010 ter zake van de vrachtwagens en containers een stille reserve kan worden vastgesteld en zo ja, van welke omvang.

Het hof is voornemens één deskundige, te weten een accountant te benoemen. Een taxateur zal het hof, anders dan [appellant] wenst, niet benoemen omdat [appellant] niet voldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat het wagenpark dat op 31 december 2010 tot het vermogen van Wegtransport behoorde, thans nog aanwezig is. Wel zal de deskundige, indien hij dat nodig acht, een taxateur om (markt)informatie kunnen vragen.

3.8.1.

De kosten van de deskundige zullen, zo neemt het hof zich voor, ten laste van [appellant] worden gebracht aangezien hij eiser is en op hem de bewijslast van zijn stelling rust.

Partijen, eerst [appellant] en daarna [geïntimeerde] , kunnen zich bij akte, respectievelijk antwoordakte uitlaten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige. Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige voor te leggen vragen.

Goodwill.

3.9.

[appellant] stelt dat op het moment van uitoefenen van de calloptie op 8 oktober 2010 door [geïntimeerde] goodwill in Wegtransport aanwezig was (memorie van grieven nr. 78.).

3.9.1.

Deze stelling heeft [appellant] in zijn memorie van grieven in de nrs. 71. tot en met 76. voldoende onderbouwd en gespecificeerd.

[appellant] voert aan dat onder Goodwill in de zin van de overeenkomst dient te worden verstaan de contante/gekapitaliseerde waarde van de overwinst, dat wil zeggen de normale jaarwinst. Die goodwill vertegenwoordigt de toekomstige inkomsten die nog niet gewaardeerd zijn op de balans maar die wel al bestaan in de vorm van kennis, klanten en personeel.

Volgens [appellant] is het verschil tussen de marktwaarde, berekend met de DCF-methode en de intrinsieke waarde de goodwill.

[appellant] heeft de goodwill laten begroten door een accountant, te weten [accountant] AA. Aan de hand van de DCF-methode heeft [accountant] de ondergrens bepaald op € 503.500,- en de bovengrens op € 1.353.500,-.

3.9.2.

[appellant] heeft bij pleidooi in hoger beroep verklaard dat op zijn verzoek de goodwill door [financieel directeur Group] in de overeenkomst is gezet, dat hij, [appellant] , een extra beloning wilde voor de tijd dat hij de beschikking had over de aandelen, dat hij dat vanaf september 2006 beloond wilde zien, dat [financieel directeur Group] daarop een nieuwe versie van de overeenkomst aan hem toezond waarin punt 8 was toegevoegd, dat zij er verder niet over gesproken hebben en dat hij, [appellant] , geen uitleg heeft gekregen over de inhoud van de goodwill.

3.10.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat onder goodwill in de aandeelhoudersovereenkomst dient te worden verstaan de persoonlijke bijdrage van [appellant] aan de winstgevendheid van Wegtransport. [appellant] heeft op geen enkele wijze bijgedragen aan de uitbreiding van de klantenkring of de winstgevendheid van Wegtransport. Uitdrukkelijk is niet bedoeld de goodwill op basis van winstcapaciteit als vermogensbestanddeel van Wegtransport (memorie van antwoord nr. 52.). Dit is volgens [geïntimeerde] ook logisch omdat [appellant] zijn 10% aandelenbelang slechts kreeg als tijdelijke oplossing in afwachting van de verwerving van de aandelen door [geïntimeerde] . [appellant] hield de aandelen niet voor zichzelf en hij heeft een koopprijs betaald die was gebaseerd op de intrinsieke waarde van Wegtransport. [appellant] heeft voor de aandelen nooit enig bedrag aan goodwill op basis van winstcapaciteit betaald. Het ging slechts om een tijdelijke stalling van de aandelen bij [appellant] (memorie van antwoord nr. 53.).

De prijs van de aandelen zou worden vastgesteld op basis van gelijke uitgangspunten als bij de verwerving door [appellant] per 31 december 2003 (memorie van antwoord nr. 54.).

3.10.1.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [financieel directeur Group] , gevolmachtigde van [geïntimeerde] , verklaard dat punt 8 van de aandeelhoudersovereenkomst op verzoek van [appellant] in de tweede versie van die overeenkomst is opgenomen, dat de tekst van deze versie door hem, [financieel directeur Group] , is opgemaakt, dat het een prikkel was voor [appellant] om zich extra commercieel in te spannen, dat naderhand, als [appellant] zich extra had ingespannen en dat tot extra resultaten zou hebben geleid, gekeken zou worden of daar een passende vergoeding tegenover kon komen te staan, dat dat in overleg nader bepaald zou worden en dat, indien ze niet uit dat gezamenlijk overleg zouden komen, geen goodwill zou worden uitgekeerd.

“Goodwill”, zo heeft [financieel directeur Group] verder ten overstaan van het hof verklaard, staat in de overeenkomst met een hoofdletter en tussen aanhalingstekens geschreven omdat het woord goodwill niet werd gebruikt en bedoeld zoals het in zijn originele betekenis geldt en dat hij, [financieel directeur Group] dat ook zo heeft uitgelegd aan [appellant] .

[financieel directeur Group] heeft verder verklaard dat hij niet heeft uitgelegd aan [appellant] wat de betekenis was van “nader te bepalen” en dat, indien zij niet uit het overleg zouden komen, geen vergoeding zou worden uitgekeerd. De elementen die van belang zouden zijn voor het bepalen van de goodwill zijn niet met [appellant] besproken, zo heeft [financieel directeur Group] verder verklaard.

Met het woord “eventueel” in de overeenkomst was een voorwaarde bedoeld en wel in die zin dat het om een extra inspanning van [appellant] ging die daadwerkelijk iets had opgeleverd, hetgeen hij, [financieel directeur Group] ook zo met [appellant] heeft besproken, aldus de verdere verklaring van [financieel directeur Group] bij pleidooi.

3.11.

Voor het geval voorgaande uitleg niet wordt gevolgd, is [geïntimeerde] van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] aanspraak maakt op goodwill omdat hij de aandelen slechts tijdelijk verkreeg, hij bij de verwerving nooit enig bedrag aan goodwill heeft betaald en [appellant] de goodwill nog voor de peildatum is gaan afbreken door relaties van Wegtransport te bedienen met zijn eigen onderneming.

3.12.

Tenslotte betwist [geïntimeerde] de begroting van de goodwill, zoals opgemaakt door [accountant] voornoemd.

3.13.

Gezien de betwisting als verwoord in 3.10. van de inhoud van de overeenkomst staat de door [appellant] bepleite uitleg niet vast en dient het hof allereerst de inhoud van de overeenkomst vast te stellen. Daarbij geldt als maatstaf dat de betekenis van een omstreden

beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen.

[appellant] zal overeenkomstig zijn aanbod in de gelegenheid worden gesteld de door hem voorgestane uitleg te bewijzen. Het hof zal die gelegenheid bieden na het nemen van de aktes als bedoeld in 3.8.1. en tegelijkertijd met het bevelen van het deskundigenbericht.

3.14.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 15 augustus 2017 voor het nemen van een akte door [appellant] zoals bedoeld in 3.8.1. en verwijst de zaak vervolgens naar de rol van 29 augustus 2017 voor het nemen van een antwoordakte door [geïntimeerde] zoals bedoeld in 3.8.1.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, L.S. Frakes en S.O.H. Bakkerus en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 augustus 2017.

griffier rolraadsheer