Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3446

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
20-000891-15 (OWV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000891-15

Uitspraak : 24 juli 2017

VERSTEK, DNIP

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 10 maart 2015 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-830048-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij beslissing van 10 maart 2015 heeft de eerste rechter onder bovenstaand parketnummer het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van

€ 369.506,41. Tevens is aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 332.500,-- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een bedrag van € 538.175,80 en in verband met schending van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM, de betalingsverplichting zal opleggen tot een bedrag van € 533.175,80.

Bij het instellen van het appel is namens veroordeelde een appelschriftuur ingediend bevattende beschouwingen op de overwegingen van de rechtbank, met als conclusie dat de berekening van de rechtbank een te speculatief karakter heeft om te komen tot een startperiode van 1 september 2008. Het hof heeft hiervan kennis genomen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Limburg van 10 maart 2015 (parketnummer 03-830048-12) ter zake het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd op 8 februari 2011, veroordeeld tot straf.

De wettelijke grondslag

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan (eerdere oogsten), een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

De beoordeling

Op 8 februari 2011 is er binnengetreden in de woningen aan de [locaties] . Beide woningen zijn van vanaf juli 2008 eigendom van veroordeelde. Tijdens de doorzoeking is gebleken dat de kelders van beide panden met elkaar waren doorverbonden en in die ene doorgetrokken kelderruimte is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 870 planten.

Oogsten

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit de bewijsmiddelen kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vastgesteld worden dat er meerdere keren door de veroordeelde is geoogst, waarbij telkens in totaal 870 hennepplanten zijn geoogst.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dient te worden uitgegaan van 31 december 2008 als startdatum. Blijkens de rapportage elektriciteitsverbruik is vanaf die datum een duidelijke verhoging van het elektriciteitsverbruik te zien. De einddatum is de datum van binnentreden.

Het hof overweegt dat de periode tot 31 december 2008 naar het oordeel van het hof ruim voldoende tijd geweest voor de veroordeelde om de kwekerij op te bouwen, zodat het hof, anders dan de rechtbank, het aantal oogsten niet zal beperken in verband met een opbouwperiode.

Het hof houdt tevens geen rekening met een beperking van het aantal oogsten in verband met de door de rechtbank aangenomen mogelijkheid dat niet altijd alle planten tot oogst zijn gekomen en evenmin met gemiste oogsten als gevolg van mogelijk genoten vakanties. Het hof acht deze omstandigheden, bij gebrek aan enige concrete aanwijzing in het dossier dat sprake is geweest van (een van) deze omstandighe(i)d(en), niet aannemelijk geworden.

Uitgaande van een kweekcyclus van 10 weken over de periode van 31 december 2008 tot en met 8 februari 2011, levert op dat het hof ervan uitgaat dat de veroordeelde 11 keer heeft geteeld. Rekening houdende met de op 8 februari 2011 aangetroffen hennepplanten gaat het hof derhalve uit van een aantal van 10 eerdere oogsten.

Opbrengst

Nu veroordeelde geen inzicht heeft gegeven in de opbrengst van de eerdere oogsten, zal het hof bij de berekening van de daaruit genoten opbrengst uitgaan van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, 2005” (hierna te noemen: BOOM-rapport).

Het hof overweegt dat indien het aantal planten per vierkante meter niet bekend is, zoals in deze zaak het geval is, volgens het BOOM-rapport uitgegaan zal moeten worden van 15 hennepplanten per vierkante meter. Het hof stelt ingevolge het BOOM-rapport mitsdien de gebruikelijke opbrengst op 28,2 gram per plant.

Voorts is de gebruikelijke opbrengst per geoogste kilo hennep ingevolge het BOOM-rapport te stellen op € 2.370,-- en derhalve op € 2,37 per gram.

Het hof komt mitsdien op een bruto genoten voordeel per oogst van:

870 x 28,2 x € 2,37 = € 58.145,58.

Kosten

Voorts dient bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel acht te worden geslagen op de door de veroordeelde naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten, dan wel de kosten zoals deze worden vermeld in het BOOM-rapport.

Naar het oordeel van hof dienen op het bruto genoten voordeel de volgende kosten, die in directe relatie staan tot het delict en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien, in mindering te worden gebracht.

Op grond van het BOOM-rapport stelt het hof de afschrijvingskosten vast op € 500,--. Voorts zal het hof rekening houden met een bedrag van € 4,40 per hennepplant aan variabele kosten (BOOM-rapport).

Overige kosten zijn gesteld noch gebleken.

Het hof komt mitsdien op een netto genoten voordeel per oogst van:

€ 58.145,58 minus (870 x € 4,40) minus € 500,-- = € 53.817,58.

Het totale netto genoten voordeel bij 10 oogsten bedraagt dan: 10 x € 53.817,58

€ 538.175,80.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met de advocaat-generaal en de rechtbank, constateert het hof dat dat in eerste aanleg het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn – in de zin van artikel 6 EVRM – is geschonden. De aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn moet worden gesteld op 8 februari 2011, de datum waarop conservatoir beslag is gelegd. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 10 maart 2015. Deze periode bedraagt dus meer dan twee jaren, terwijl daarvoor geen bijzondere rechtvaardiging is. Het hof zal vanwege deze schending van de redelijke termijn het te betalen bedrag verminderen met 10 %.

Het hof zal in onderhavig geval aldus beslissen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 538.175,80 (vijfhonderdachtendertigduizend honderdvijfenzeventig euro en tachtig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 533.175,80 (vijfhonderddrieëndertigduizend honderdvijfenzeventig euro en tachtig cent).

Aldus gewezen door

mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter,

mr. P.T. Gründemann en mr. H.A.W. Vermeulen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 24 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Vermeulen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.