Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3435

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
200.212.156_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:641
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1996
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Externe bestuurdersaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.212.156/01

arrest van 1 augustus 2017

gewezen in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. B.G. Arends te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 maart 2017 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 4 mei 2016 en 18 januari 2017, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en onder meer geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/294727 / HA ZA 15-422)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de incidentele memorie tot voeging ex artikel 222 Rv met één productie van [appellant] ;

  • -

    de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde] .

Het hof heeft een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

De vordering van [appellant] strekt tot voeging van de onderhavige zaak met de zaak waarin [appellant] op 18 april 2017 door [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] is gedagvaard te verschijnen op de rol van 28 november 2017. Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [appellant] dat de zaken betrekking hebben op dezelfde vonnissen, dat hetzelfde feitencomplex aan de orde is en dat de zaken zich ook overigens in alle opzichten lenen voor gezamenlijke behandeling.

3.2.

[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Het hof stelt vast dat de onderhavige zaak en de zaak waarmee voeging wordt gevorderd betrekking hebben op dezelfde vonnissen. Die vonnissen zijn gewezen tussen [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] , appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd, en [geïntimeerde] als eisers en [appellant] als gedaagde. Te verwachten valt dat het feitencomplex en de juridische geschillen in beide zaken zodanig met elkaar samenhangen dat voeging in beginsel wenselijk is. De door [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] aanhangig gemaakte zaak is echter nog niet op de rol bij het hof geïntroduceerd. De appeldagvaarding is uitgebracht tegen 28 november 2017 en gesteld noch gebleken is dat [appellant] op de voet van artikel 126 Rv aan [appellant in de zaak waarmee voeging wordt gevorderd] een vroegere roldatum heeft aangezegd. Dat betekent dat voeging van beide zaken zou leiden tot ernstige vertraging in de voortgang van de onderhavige zaak. De incidentele vordering tot voeging wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.4.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de hoofdzaak niet wordt geschorst door het indienen van een incidentele memorie, dat de (ambtshalve) peremptoirstelling voor het nemen van de memorie van grieven daardoor niet vervalt en dat nu door [appellant] geen memorie van grieven is genomen, noch een nader uitstel daarvoor is verkregen, het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen is komen te vervallen en hij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hoger beroep.

3.5.

Juist is dat [appellant] op de rol dat hij de incidentele conclusie heeft genomen

– 6 juni 2017 – ambtshalve peremptoir stond voor het nemen van de memorie van grieven. Ook is juist dat ingevolge HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5664, de hoofdzaak niet wordt geschorst door het indienen van een incidentele memorie. In deze zaak heeft echter de rolraadsheer op 6 juni 2017 op de voet van artikel 209 Rv bepaald dat eerst in het incident wordt beslist voordat in de hoofdzaak wordt doorgeprocedeerd en geoordeeld dat geen akte van niet dienen wordt verleend, maar dat voor het nemen van de memorie van grieven uitstel wordt verleend. Dat betekent dat ingevolge deze beslissing van de rolraadsheer in dit geval het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen niet is komen te vervallen. Het verweer van [geïntimeerde] faalt. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven, ambtshalve peremptoir.

3.6.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [appellant] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 29 augustus 2017 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant] ambtshalve peremptoir;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 augustus 2017.

griffier rolraadsheer