Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3426

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
200.214.211_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beperking contact in schriftelijke aanwijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 juli 2017

Zaaknummer: 200.214.211/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/229072 / JE RK 16-2644

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

verblijvende in de P.I. te [verblijfplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. I. Bakker,

tegen

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

verblijvende in de P.I. te [verblijfplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.J.M. Kammers.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 januari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 april 2017, heeft de vader het hof verzocht hem ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, de beschikking in eerste aanleg te vernietigen en zijn verzoek in eerste aanleg gegrond te verklaren.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 mei 2017, heeft de moeder zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 31 mei 2017, heeft de GI het hof verzocht de vader in zijn ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Bakker;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    mr. Kammers.

2.4.1.

De moeder is niet ter zitting verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat, mr. Kammers.

2.4.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 januari 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) is geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] uit het huwelijk tussen de moeder en de vader. Beide ouders zijn belast met het gezag over [minderjarige] . De ouders zitten sinds 3 november 2015 in detentie.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 27 juni 2016 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 27 juni 2017 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor jeugdigen met een verstandelijke beperking verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling wordt thans uitgevoerd door de GI. [minderjarige] verblijft sinds eind mei 2016, in aanvang op vrijwillige basis, in een voorziening voor jeugdigen met een verstandelijke beperking.

3.4.

Bij schriftelijke aanwijzing van de GI van 18 november 2016 zijn de contact- en belmomenten tussen [minderjarige] en de vader beperkt. Volgens de aanwijzing mag de vader eenmaal per maand tijdens de ouder-kind-dagen en eenmaal per maand op woensdagmiddag onder begeleiding van AnaCare contact hebben met [minderjarige] . Bovendien mag de vader enkel telefonisch contact hebben met [minderjarige] op dinsdagen en donderdagen tussen 18.15 uur en 18.45 uur. Voordat de schriftelijke aanwijzing werd gegeven, kwam [minderjarige] wekelijks op bezoek bij de vader in de P.I. en was er vrijwel dagelijks telefonisch contact.

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, het verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en te bepalen dat [minderjarige] wekelijks bij de vader op bezoek kan komen in de P.I. en dat de vader dagelijks telefonisch contact met [minderjarige] kan hebben, afgewezen.

3.6.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. Door de kinderrechter is vastgesteld dat de GI de beslissing tot beperking van de contacten tussen [minderjarige] en de vader heeft gemotiveerd door te stellen dat [minderjarige] negatief gedrag (op de groep) vertoont nadat zij contact met de vader heeft gehad. Zij zou dan agressiever zijn en zich moeilijker laten corrigeren. De motivering van de GI en daarmee de overweging van de kinderrechter ter onderbouwing van de beslissing kunnen evenwel geen stand houden. [minderjarige] was ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg slechts drie maal bij de vader geweest. Zij ging na afloop van het contact niet naar de groep maar naar [broer van de minderjarige 1] en pas op maandag weer naar de groep. Ook de belcontacten verlopen goed, maar de vader merkt wel dat [minderjarige] dan wordt gestoord door wat er verder op de groep gebeurt. Dat [minderjarige] geïrriteerd raakt kan eerder daardoor komen. De vader vindt dat het bellen geen bijzondere belasting voor [minderjarige] met zich brengt en acht het van belang dat hij betrokkenheid toont. Verder betwist de vader dat de rechtbank een brief heeft gekregen van [minderjarige] zoals vermeld in de bestreden beschikking. De brief is tijdens de zitting bij de rechtbank voorgelezen en de vader heeft daarvan via zijn advocaat kennisgenomen. De brief kan onmogelijk door [minderjarige] zijn geschreven. [minderjarige] is niet in staat tot het schrijven van een dergelijke brief en de inhoud wijkt sterk af van hetgeen de vader van [minderjarige] verneemt. [minderjarige] wil iedere week bij de vader op bezoek komen en zij wil vaker dan twee keer per week met de vader kunnen bellen.

3.8.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. De moeder heeft één keer per maand anderhalf uur omgang met [minderjarige] op de ouder-kind-dagen. Daarnaast ziet de moeder [minderjarige] één keer per maand op woensdag onder begeleiding van medewerkers van AnaCare. Voorts blijft [minderjarige] eens per twee maanden bij haar logeren en vindt er één keer per week op dinsdag een belmoment plaats. De moeder ervaart de omgangsmomenten als prettig en heeft de indruk dat het goed gaat met [minderjarige] . De moeder probeert de gespreksonderwerpen tijdens de omgangsmomenten luchtig te houden. Er wordt bewust niet gesproken over de omgang met de vader. Zij weet dan ook niet hoe [minderjarige] de omgang met de vader ervaart en hoe zij zich daarna gedraagt. De moeder wil niet tussen [minderjarige] en de vader in staan. Zij is er niet mee bekend of [minderjarige] de brief aan de kinderrechter zelf heeft opgesteld.

3.9.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan. De vader belast [minderjarige] met name door veelvuldig te bellen. Er is een belafspraak op dinsdag en op donderdag. De vader houdt zich hier niet aan. De vader belt doordeweeks en in het weekend veelvuldig op de groepstelefoon en/of de gsm van [minderjarige] , en dit op willekeurige momenten en soms wel tien keer achter elkaar totdat wordt opgenomen. Dat hoort de GI van [minderjarige] zelf, van de groepsleiding en van anderen om haar heen. [minderjarige] kan hierop geïrriteerd reageren en dan minder goed corrigeerbaar zijn. Ook laat zij dan negatief gedrag zien. De GI acht het van belang dat er structuur en voorspelbaarheid wordt gecreëerd met betrekking tot de telefoongesprekken, zodat [minderjarige] daarop kan worden voorbereid. Verder moeten de bezoekmomenten worden ingeperkt om [minderjarige] te beschermen. Zij wil contact onderhouden met zowel haar vader als haar moeder en haar twee broers (die allen op verschillende adressen verblijven), maar zij is een meisje van veertien dat ook wil zwemmen en met vriendinnen af wil spreken. Haar leven mag niet alleen bestaan uit school en bezoeken aan haar ouders in de P.I. Bovendien heeft [minderjarige] een beperking en bevindt zij zich in een loyaliteitsconflict. Er wordt zonder enige terughoudendheid aan haar getrokken door de vader en haar broers. [minderjarige] krijgt bovendien niet altijd de emotionele goedkeuring om contact met alle familieleden te hebben. [minderjarige] vindt het moeilijk om eerlijk te zeggen wat zij zelf wil en zegt tegen de verschillende mensen om haar heen verschillende dingen. De brief die de kinderrechter heeft voorgelezen was niet bekend bij de GI. De jeugdzorgwerker was hiervan ook niet op de hoogte. Of [minderjarige] hulp heeft gehad bij het schrijven van de brief is de jeugdzorgwerker ook niet bekend. [minderjarige] geeft aan dat zij de vader graag ziet, maar dat zij het ook druk heeft met school, de behandelgroep, vriendinnen, zwemmen et cetera. Zij worstelt hiermee. De in de aanwijzing vastgestelde en door de kinderrechter bekrachtigde omgangsregeling dient gehandhaafd te blijven, aldus de GI.

3.10.

Het hof overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:265f, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige kan beperken.

Op grond van het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de gecertificeerde instelling als een schriftelijke aanwijzing en zijn de artikelen 1:264 en 1:265 BW van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 1:264, eerste lid, BW kan de kinderrechter – voor zover hier van belang – op verzoek van de met het gezag belaste ouder de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

3.11.

Het hof is van oordeel dat de beperking van de contacten tussen [minderjarige] en de vader noodzakelijk is in verband met haar uithuisplaatsing en overweegt hiertoe als volgt.

3.12.

Het hof acht door de GI voldoende aannemelijk gemaakt dat een hogere frequentie van de bezoekregeling dan in de schriftelijke aanwijzing is omschreven, niet in het belang van [minderjarige] is. Zoals hiervoor overwogen heeft [minderjarige] op basis van die aanwijzing twee keer per maand een bezoekmoment met de vader in de P.I. en heeft zij twee keer per week een belmoment met hem. Daarnaast gaat [minderjarige] twee keer per maand op bezoek bij de moeder, die in een andere P.I. verblijft. Ook heeft zij één keer per week een belmoment met de moeder en logeert zij eens per twee maanden bij haar. In de weekenden verblijft [minderjarige] bij haar broer [broer van de minderjarige 1] dan wel bij haar broer [broer van de minderjarige 2] of op de behandelgroep. [minderjarige] heeft vanwege school en deze contactregelingen met haar familieleden een drukke agenda en het hof acht het in haar belang dat zij ook tijd overhoudt voor hobby’s, sport en vriendinnen.

Daarbij komt dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt. Het hof acht voldoende aannemelijk gemaakt dat er door verschillende familieleden, waaronder de vader, aan [minderjarige] wordt getrokken en dat zij geen volledige goedkeuring voor contact met alle familieleden krijgt, terwijl zij wel loyaal wil blijven aan ieder van hen. Dat maakt het voor [minderjarige] erg moeilijk om aan te geven wat zij zelf wil. [minderjarige] zal hierin moeten worden beschermd en begeleid. Daarbij past, ook de huidige (verdeling van de) contacten met de verschillende familieleden in aanmerking nemend, geen uitbreiding van de contacten met de vader.

Het hof gaat er wel vanuit dat alle betrokkenen zich maximaal zullen inspannen om de omgang met de vader zoals omschreven in de schriftelijke aanwijzing, en die in de afgelopen periode niet steeds doorgang heeft gevonden, daadwerkelijk te laten plaatsvinden.

3.13.

Voorts acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat frequenter belcontact met de vader dan in de schriftelijke aanwijzing is omschreven, niet in het belang van [minderjarige] is. De vader heeft ter zitting niet weersproken dat hij [minderjarige] veelvuldig en op willekeurige momenten belt, buiten de afgesproken tijden. Het gedrag van [minderjarige] ná de telefoongesprekken, zoals omschreven door de GI, en de noodzaak om duidelijkheid over en structuur in de belmomenten aan te brengen, zijn door de vader onvoldoende weersproken.

3.14.

De stelling van de vader dat de door de kinderrechter voorgelezen brief onmogelijk door [minderjarige] zelf geschreven kan zijn, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het hof heeft die brief niet in bezit en heeft de inhoud daarvan dan ook niet in zijn oordeel betrokken.

3.15.

Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing in stand zal laten. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 januari 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.J. Witkamp en is op 20 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.