Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3405

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
16/03589
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:100
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende maakt tijdige indiening beroepschrift niet aannemelijk. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Het staat de rechter vrij om terug te komen op een voorlopige oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2039
V-N 2017/51.18.6
Viditax (FutD), 30-08-2017
FutD 2017-2179
NTFR 2017/2333 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03589

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 juni 2016, nummer BRE 14/6878, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.364. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 1.088 aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 mei 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heren [A] en [B] . Belanghebbende is zonder kennisgeving van verhindering niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 23 maart 2017, met nummer [nummer] , aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

Hieruit volgt dat de uitnodiging op 25 maart 2017 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Het Hof heeft in deze zaak op 24 mei 2017 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 26 mei 2017 aan partijen verzonden.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 12 juli 2017 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 13 november 2014, door de Rechtbank ontvangen op 18 november 2014, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur met dagtekening 3 oktober 2014. Het poststempel op de enveloppe waarin het beroepschrift van belanghebbende is verzonden, vermeldt als datum maandag 17 november 2014 (17-XI-14).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en een ontvankelijk beroep. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 13 november 2014, door de Rechtbank ontvangen op 18 november 2014, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 3 oktober 2014. De enveloppe waarin het beroepschrift van belanghebbende is verzonden, is afgestempeld op 17 november 2014.

4.2.

De termijn voor het instellen van beroep bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb). In het onderhavige geval is, gelet op de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2014, de beroepstermijn aangevangen op 4 oktober 2014 (artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) en geëindigd op (vrijdag) 14 november 2014. Het beroepschrift van belanghebbende is – blijkens de afstempeling door de Rechtbank – op dinsdag 18 november 2014 bij de Rechtbank ingekomen. Geconcludeerd moet worden dat het beroepschrift van belanghebbende na het einde van de beroepstermijn, en dus niet tijdig, is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid, van de Awb).

4.3.

Bij verzending per post, zoals hier, is een beroepschrift (toch) tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb). Aan de eis dat het beroepschrift niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen is te dezen voldaan. De vraag is evenwel of belanghebbende het beroepschrift voor het einde van de termijn (vrijdag 14 november 2014 24.00 uur) ter post heeft bezorgd.

4.4.

In dat verband is van belang dat de Hoge Raad in het arrest van 28 januari 2011, nr. 10/02285, ECLI:NL:HR:2011:BP2138, BNB 2011/132, de volgende regels heeft geformuleerd:

- terpostbezorging vindt plaats op het moment waarop een poststuk in de brievenbus wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging wordt aangeboden (vgl. Hoge Raad 29 mei 1996, nr. 30.950, ECLI:NL:HR:1996:AA1892, BNB 1996/282);

- de omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd (vgl. Hoge Raad 17 juni 2005, nr. 40.737, ECLI:NL:HR:2005:AT7649, BNB 2005/305);

- dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld;

- voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat hij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd.

4.5.

Gelet op deze regels, heeft – nu sprake is van een duidelijk leesbare poststempel op de enveloppe (maandag 17 november 2014) – als bewijsrechtelijk uitgangspunt te gelden dat het beroepschrift op maandag 17 november 2014 door belanghebbende ter post is bezorgd. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij het beroepschrift eerder, dat wil zeggen uiterlijk 14 november 2014, 24.00 uur, ter post heeft bezorgd.

4.6.

Belanghebbende heeft in beroep gesteld en in hoger beroep herhaald, dat hij het beroepschrift op zijn verjaardag, 13 november 2014, ter post heeft bezorgd. In de brief van 29 november 2014 heeft belanghebbende vermeld dat hij tegen zijn vrouw had gezegd: “Gatverdikkeme zit ik op mijn verjaardag nog een bezwaar op te maken”. Ter zitting bij de Rechtbank heeft belanghebbende verklaard dat hij het beroepschrift op zijn verjaardag heeft gepost.

4.7.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met de blote stelling dat het beroepschrift door hem op donderdag 13 november 2014 ter post is bezorgd, zonder deze stelling met een nadere motivering en/of bewijsstukken te staven, het objectieve gegeven van de datum van het poststempel, en daarmee het bewijsrechtelijk uitgangspunt dat het beroepschrift op 17 november 2014 ter post is bezorgd, niet heeft ontzenuwd. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het beroep bij de Rechtbank niet tijdig is ingediend. Het enkele feit dat de Rechtbank op de eerste zitting een andersluidend voorlopig oordeel heeft gegeven, doet daar niet aan af. Zoals uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, betreft het een voorlopig oordeel. Het staat de rechter vrij om bij nadere bestudering van het dossier op een voorlopig oordeel terug te komen.

Feiten en omstandigheden op grond waarvan aannemelijk zou kunnen zijn dat het beroep verschoonbaar te laat is ingediend zijn gesteld noch gebleken. De Rechtbank heeft het beroep terecht niet ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 31 juli 2017 door T.A. Gladpootjes, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. Afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage