Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3368

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
200.199.634_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie jongmeerderjarige; deel eigen inkomen jongmeerderjarige ter vrije besteding buiten beschouwing; geen terugbetalingsverplichting ten aanzien van te veel ontvangen onderhoudsbijdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.199.634/01

zaaknummer rechtbank : C/01/302235 / FA RK 15-6775

beschikking van de meervoudige kamer van 27 juli 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.Th.L. van Zandvoort te Oss,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerder] ,

advocaat mr. L.M. Bakker te Oss.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 20 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 19 september 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

[verweerder] heeft op 30 november 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 april 2016.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 22 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit het huwelijk van de man en mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder) is op [geboortedatum] 1993 [verweerder] geboren. Het huwelijk is op 5 juli 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 juni 2007 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Bij voormelde beschikking van 22 juni 2007 heeft de rechtbank de getroffen onderlinge regelingen, zoals vermeld in het tussen partijen overeengekomen convenant d.d. 22 mei 2007, opgenomen in de beschikking onder verwijzing naar de aangehechte kopie van voormeld convenant. In het convenant zijn de man en de moeder van [verweerder] , voor zover relevant, kort samengevat, het volgende overeengekomen:

a. het behoeftebedrag van de twee kinderen is op € 1.170,- in totaal per maand gesteld;

b. met ingang van de datum van de echtscheiding betaalt de man € 150,- per kind per maand aan [verweerder] ’s moeder als bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie);

c. indien de tevens bij convenant bepaalde partneralimentatie voor de moeder wijzigt of eindigt, wordt per diezelfde datum de door de man te betalen kinderalimentatie aangepast met inachtneming van het hiervoor genoemde behoeftebedrag van de kinderen van € 1.170,- per maand;

d. zodra een kind 18 jaar wordt zullen de man, de moeder en het kind in onderling overleg met elkaar vaststellen welke bijdrage het kind behoeft in de kosten van levensonderhoud en studie en in welke mate ieder der ouders daarin kan bijdragen;

e. partijen verplichten zich aan een meerderjarig kind van 21 jaar en ouder een (studie)bijdrage te betalen zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met de ouders met een beroepsopleiding bezig is of studeert, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop het kind de 25-jarige leeftijd bereikt.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van voormelde beschikking van 22 juni 2007 en voormeld convenant d.d. 22 mei 2007, voor zover deze betreffen de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder] (hierna ook: bijdrage), de door de man aan [verweerder] verschuldigde bijdrage bepaald op:

- nihil over de periode 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012;

- € 239,68 per maand gedurende het jaar 2013;

- € 257,11 per maand over de periode 1 januari (het hof begrijpt: januari) en februari 2014;

- nihil met ingang van 1 maart 2014.

4.2

De grieven van de man zien op de behoefte van [verweerder] aan een door de man te betalen aanvullende bijdrage voor [verweerder] na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar en de verplichting van [verweerder] om de door de man – gezien de inkomsten van [verweerder] – te veel betaalde bijdragen aan de man terug te betalen.

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de door de man aan [verweerder] te betalen bijdrage met ingang van 1 maart 2012 wordt bepaald op nihil, dan wel op een door het hof juist geacht bedrag en verder [verweerder] te veroordelen om het ter zake te veel betaalde, vanaf 1 maart 2012 een bedrag groot € 14.365,57, dan wel een door het hof juist geacht bedrag, aan de man terug te betalen.

4.3

[verweerder] verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het beroep van de man als ongegrond en onbewezen aan de man te ontzeggen, dan wel een zodanige voorziening te treffen als – naar het hof begrijpt – het hof juist acht.

5 De motivering van de beslissing

Behoefte [verweerder]

5.1

De behoefte van [verweerder] , waarbij is aangesloten bij de normbedragen voor het hoger onderwijs zoals genoemd in de Wet Studiefinanciering (WSF) en welke behoefte door de rechtbank is becijferd op € 768,53 per maand in 2013 en op € 786,36 per maand in 2014, is tussen partijen niet in geschil. Evenmin is in geschil dat [verweerder] tot 1 maart 2014 heeft gestudeerd aan de Radboud Universiteit te [plaats] .

5.2

De man voert aan dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [verweerder] aan een aanvullende bijdrage van de man ten onrechte een bedrag van € 200,- per maand van de inkomsten van [verweerder] als zakgeld ter vrije besteding buiten beschouwing heeft gelaten. De man stelt dat enkel indien de inkomsten van een jongmeerderjarige niet substantieel zijn, een bepaald bedrag buiten beschouwing kan worden gelaten. De inkomsten van [verweerder] zijn echter substantieel, zodat hiermee ten volle rekening moet worden gehouden.

De man stelt dat [verweerder] in 2013 een inkomen genoot van € 733,77 per maand, bestaande uit inkomsten uit loondienst bij [Software] Software B.V. en een basisbeurs. De behoefte van [verweerder] aan een aanvullende bijdrage bedroeg in 2013 dan ook slechts € 34,76 per maand.

De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat [verweerder] over de maanden januari en februari 2014 gemiddeld hetzelfde inkomen heeft genoten als in 2013. Uit het overgelegde transactie-overzicht van [verweerder] ’s bankrekening blijkt immers dat hij over de maanden januari en februari 2014 netto inkomsten heeft genoten van in totaal € 3.204,98. Met dit inkomen kon [verweerder] volledig in zijn behoefte voorzien.

5.3

[verweerder] voert aan dat de onderhoudsplicht van een ouder jegens een jongmeerderjarig kind blijft gelden, ongeacht de behoeftigheid van de jongmeerderjarige. Eigen inkomsten van de jongmeerderjarige blijven veelal buiten beschouwing bij de behoeftebepaling. Volgens vaste jurisprudentie mag een (studerende) jongmeerderjarige een (bij)baan hebben zonder dat de daaruit verworven inkomsten in mindering op de bijdrage van de ouder komen, zodat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met een vrijstelling van € 200,- per maand.

In 2013 genoot [verweerder] geen vaste, maar variabele inkomsten. Hij werkte op basis van een nul urencontract en hij was voor zijn werktijden volledig afhankelijk van zijn werkgever. Ook bepaalde zijn studie het aantal uren dat hij inzetbaar was en bepaalde zijn psychische gesteldheid mede hoeveel uren hij kon werken. [verweerder] is al vanaf zijn twaalfde jaar in behandeling bij de GGZ. Hij heeft last van depressiviteit en hij lijdt aan dyslexie en Asperger. In de periode in geding is hij opgenomen geweest in ’t Warant (GGZ Helmond) en in het Leo Kannerhuis te [plaats] . [verweerder] voert aan dat hij om deze redenen moeilijk van te voren de hoogte van zijn maandinkomen kon bepalen. In 2013 was zijn maandinkomen negen keer lager dan het minimumloon. Daarbij heeft [verweerder] in verband met zijn dyslexie, Asperger en de opnames extra onkosten moeten maken, die behoefte verhogend hebben gewerkt.

5.4

Ten aanzien van de stelling van de man dat [verweerder] in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien, zodat hij geen behoefte had aan een aanvullende bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, overweegt het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [verweerder] , als volgt.

5.4.1

De man heeft niet bestreden dat [verweerder] aan dyslexie, autisme en Asperger lijdt. Hij was zich ervan bewust dat hieruit bijzondere, niet vergoede medische kosten kunnen voortvloeien. Dit blijkt ook uit artikel 4.6 van voormeld convenant, waarin de man zich immers verplicht om de helft van dergelijke kosten te zullen dragen. Ook heeft de man [verweerder] ’s stelling niet, dan wel onvoldoende, weersproken dat hij vanwege zijn problematiek daadwerkelijk extra kosten heeft moeten maken, welke kosten niet geacht kunnen worden in de voornoemde WSF-bedragen te zijn begrepen en derhalve behoefte verhogend werken.

Onbestreden staat voorts vast dat [verweerder] gedurende de periode in geding opgenomen is geweest in ’t Warant te [plaats] en in het Leo Kannerhuis te [plaats] .

Gezien het voorgaande acht het hof de beslissing van de rechtbank ter zake de kwestie met welk inkomen van [verweerder] bij de bepaling van diens behoefte rekening moet worden gehouden, redelijk en billijk. Het hof zal de daartegen gerichte grief van de man dan ook afwijzen.

5.4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] over de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012 in zijn levensonderhoud kon voorzien, zodat hij geen behoefte had aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie. Onbestreden staat vast dat de man over deze periode € 5.920,- aan [verweerder] heeft betaald.

5.4.3

In 2013 bedroeg het inkomen van [verweerder] uit hoofde van zijn werkzaamheden voor [Software] Software B.V. conform de jaaropgave 2013 € 629,- netto per maand. Van dit inkomen wordt voormeld bedrag van € 200,- per maand buiten beschouwing gelaten, zodat als inkomen resteert een bedrag van € 429,- netto per maand. Daarnaast ontving [verweerder] een basisbeurs van € 97,85 netto per maand. Gelet op deze inkomsten kon [verweerder] in 2013 gedeeltelijk in zijn levensonderhoud voorzien. De behoefte van [verweerder] aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie bedroeg derhalve € 241,68 per maand (behoefte € 768,53 minus inkomen € 429,- minus basisbeurs € 97,85). Dit bedrag verschilt dermate weinig van het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 239,68 dat het hof hieraan geen gevolg verbindt.

Onbestreden staat vast dat de man in 2013 een bedrag van € 7.224,- aan [verweerder] heeft betaald, derhalve een bedrag van € 4.323,- meer dan [verweerder] ’s aanvullende behoefte in dat jaar.

5.4.4

Uit de door [verweerder] overgelegde loonstroken van januari en februari 2014 blijkt dat [verweerder] voor zijn werkzaamheden bij [Software] Software B.V. in januari 2014 een inkomen heeft genoten van € 1.475,36 per maand en in februari 2014 van € 1.264,87 per maand. Gemiddeld bedroeg zijn inkomen derhalve € 1.370,12 netto per maand. Van dit inkomen wordt voormeld bedrag van € 200,- per maand buiten beschouwing gelaten, zodat als inkomen resteert een bedrag van € 1.170,12 netto per maand. Daarnaast ontving [verweerder] een basisbeurs van € 100,25 netto per maand. Gelet hierop kon [verweerder] in de maanden januari en februari 2014 in zijn levensonderhoud voorzien en had hij geen behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie.

Onbestreden staat vast dat de man in 2014 een bedrag van € 613,57 aan [verweerder] heeft betaald.

5.4.5.

Het voorgaande in aanmerking nemende, stelt het hof vast dat de man in de periode van

1 maart 2012 tot 1 maart 2014 een bedrag van € 10.856,57 meer aan [verweerder] heeft betaald dan diens aanvullende behoefte. De eerste grief van de man slaagt in zoverre en treft tevens doel voor zover de man heeft beoogd te stellen dat zijn bijdrage aan [verweerder] voor de maanden januari en februari 2014 op nihil dient te worden gesteld.

Draagkracht

5.5

De draagkracht van de man tot het betalen van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage is niet in geschil en staat daarmee vast.

Terugbetaling

5.6.

Het hof stelt voorop dat volgens gangbare jurisprudentie de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In het vorenstaande ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

5.6.1

De man onderbouwt zijn stelling dat [verweerder] tot terugbetaling is gehouden aldus.

Hij voert aan dat er na de echtscheiding nauwelijks of niet sprake is geweest van contact en communicatie tussen hem, [verweerder] en zijn gewezen echtgenote. Nadat [verweerder] ’s moeder per

1 januari 2012 is gaan samenwonen met een nieuwe partner en zijn onderhoudsverplichting jegens haar is komen te vervallen, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de man aan kinderalimentatie een bedrag diende te betalen dat vrijwel de behoefte van de kinderen dekte. In april 2014 heeft [verweerder] ’s moeder aan de advocaat van de man desgevraagd financiële gegevens doen toekomen, onder meer met betrekking tot de spaarrekeningen welke partijen tijdens hun huwelijk voor de minderjarige kinderen van partijen hadden geopend. [verweerder] ’s moeder heeft toen ook de gegevens van [verweerder] ’s bankrekening aan de man doen toekomen, zodat de man eerst toen bekend is geworden met de hoogte van de inkomsten van [verweerder] . De advocaat van de man heeft bij brief van 4 juli 2014 aan [verweerder] ’s moeder bericht dat de man van [verweerder] terugbetaling wenste van een bedrag van € 14.365,57 en de advocaat heeft in die brief aan [verweerder] ’s moeder verzocht te bewerkstelligen dat [verweerder] dit bedrag aan de man zou betalen. De man kon moeilijk een procedure starten zolang hij niet over de juiste gegevens beschikte, louter en alleen op basis van vermoedens dat [verweerder] een inkomen genoot. De advocaat van de man heeft [verweerder] met de brief d.d. 21 januari 2015 op de hoogte gesteld van het standpunt van de man dat [verweerder] tot terugbetaling van te veel ontvangen onderhoudsbijdragen was gehouden.

De man voert verder aan dat [verweerder] niet alleen inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, maar dat hij ook over een spaartegoed beschikte en dat hij waarschijnlijk nog een behoorlijke vordering op zijn moeder heeft omdat zij spaargeld bestemd voor de studie van [verweerder] heeft verbruikt. Gelet op het saldo van de spaarrekening van [verweerder] kan niet worden gezegd dat [verweerder] de door de man betaalde onderhoudsbijdragen volledig zou hebben verbruikt.

5.6.2

[verweerder] stelt dat hij niet tot terugbetaling is gehouden van hetgeen de man meent aan hem te veel te hebben betaald. Hij voert hiertoe het volgende aan.

Door het nul urencontract en zijn voornoemde beperkingen wist hij zijn maandinkomen nooit van tevoren. Ook waren [verweerder] en zijn moeder er niet mee bekend dat de inkomsten/bezittingen van kinderen vanaf 18 jaar in aanmerking behoorden te worden genomen bij de bepaling van de aanvullende behoefte. [verweerder] heeft er dus in het geheel geen rekening mee gehouden dat hij een bedrag aan de man zou moeten terugbetalen. [verweerder] kan niet worden verweten dat hij de man op de hoogte had moeten stellen van zijn inkomen, temeer niet nu zijn moeder zijn financiële belangen behartigde. Zij heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat [verweerder] een bijbaan had. In voormeld echtscheidingsconvenant stond dat de alimentatieverplichting van de man bestond zolang [verweerder] studeerde. In maart 2014 heeft [verweerder] zijn studie beëindigd en heeft hij de man daarvan onverwijld in kennis gesteld.

Thans kan van [verweerder] niet worden verwacht dat hij het te veel betaalde bedrag terugbetaalt, aangezien zijn spaarsaldo dan volledig wordt opgesoupeerd. Het betreft een aanzienlijk bedrag voor een jongmeerderjarige die nog maar € 15.141,16 op zijn bankrekening heeft staan. [verweerder] stelt dat de man zich misrekent met zijn stelling dat dit bedrag hoger zou zijn en hij verwijst naar het door hem overgelegde overzicht van zijn bankrekening.

[verweerder] voert verder aan dat het feit dat de man hem pas in januari 2015 van zijn standpunt op de hoogte heeft gesteld en het inleidend verzoekschrift pas in december 2015 heeft ingediend, geheel voor rekening en risico van de man dient te komen. [verweerder] ’s moeder heeft de financiële gegevens van [verweerder] al in april 2014 aan de advocaat van de man doen toekomen. [verweerder] stelt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid geen terugbetaling van hem kan worden gevergd. In aanmerking dient te worden genomen dat [verweerder] de door de man aan hem betaalde bijdragen volledig heeft verbruikt en ook gedeeltelijk aan zijn moeder heeft moeten betalen als vergoeding voor kosten die zij ten behoeve van [verweerder] maakte. Daarbij beschikte de man over voldoende draagkracht om de bijdragen aan [verweerder] te voldoen. Het belang van de man bij terugbetaling van het door hem te veel betaalde dient minder zwaar te wegen dan het belang van [verweerder] niet met zo’n – voor hem in de gegeven omstandigheden – ingrijpende terugbetalingsverplichting te worden geconfronteerd, zeker nu de man heeft aangegeven dat het hem niet om het geld te doen is.

5.7

Het voorgaande in aanmerking nemende, overweegt het hof als volgt.

Hoefde [verweerder] met terugbetaling rekening te houden

5.7.1

Het staat onbestreden tussen partijen vast dat ingevolge artikel 4.7.1 van voormeld convenant de man en de moeder van [verweerder] in onderling overleg met elkaar en met [verweerder] dienden vast te stellen welke bijdragen [verweerder] in zijn kosten van levensonderhoud en studie van zijn ouders behoefde na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Het staat verder vast dat dit overleg niet heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat dit niet aan [verweerder] kan worden verweten, nu [verweerder] niet bij de totstandkoming van dit convenant betrokken is geweest.

Het had naar het oordeel van het hof op de weg van de man gelegen om bij het bereiken door [verweerder] van de leeftijd van 18 jaar contact zijn gewezen echtgenote en met [verweerder] op te nemen om te overleggen over de kosten van [verweerder] , zijn inkomen, studie en dergelijke en de in dit kader door de man te betalen kinderalimentatie. De man voert aan dat hij hierover op dat moment contact met zijn ex-echtgenote en [verweerder] heeft opgenomen, doch dit wordt door [verweerder] betwist. De man heeft zijn desbetreffende stelling niet nader kunnen onderbouwen, zodat het hof het ervoor houdt dat dit overleg niet heeft plaatsgevonden.

Nadat [verweerder] jongmeerderjarig is geworden, is de man naar het hof begrijpt zonder overleg of kennisgeving, dezelfde bijdrage aan [verweerder] gaan betalen als hij voorheen aan zijn ex-echtgenote ter zake van kinderalimentatie had voldaan. Nadat [verweerder] de man in maart 2014 op de hoogte had gesteld van het feit dat hij niet langer studeerde en geen behoefte meer had aan een bijdrage van de man omdat hij een WAJONG-uitkering genoot, is de man gestopt met het betalen van kinderalimentatie. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de advocaat van de man daarna, in het voorjaar van 2014, contact met de moeder van [verweerder] heeft gezocht en bij brief d.d. 4 juli 2014 aan haar kenbaar heeft gemaakt dat de man te veel aan [verweerder] had betaald en dat [verweerder] dit aan de man diende terug te betalen. Ditzelfde heeft de advocaat van de man aan [verweerder] bericht in zijn brief d.d. 21 januari 2015. Vervolgens heeft de man op 11 december 2015, derhalve ongeveer anderhalf jaar na het eindigen van zijn onderhoudsverplichting jegens [verweerder] , een verzoekschrift ingediend en verzocht [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling aan hem van het te veel betaalde.

5.7.2

Naar het hof is gebleken heeft de moeder van [verweerder] de man in 2012 op de hoogte gesteld van het feit dat [verweerder] een stageplaats had bij [Software] Software B.V. en dat hij hiervoor een (kosten)vergoeding ontving. Naar het hof vaststelt, heeft de man hierin geen aanleiding gezien om met [verweerder] in contact te treden om te informeren naar de aard van deze werkzaamheden en de hoogte van de vergoeding.

5.7.3

De voornoemde omstandigheden in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat [verweerder] er in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden dat de man de door hem betaalde bijdragen zou willen korten met de eigen inkomsten van [verweerder] en dat van de man verwacht had mogen worden dat hij met [verweerder] bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar in overleg zou zijn getreden om de door hem te betalen bijdrage te bepalen, in welk overleg de man ook zijn standpunt kenbaar had kunnen maken dat eventuele eigen inkomsten van [verweerder] op de door de man te betalen bijdrage zouden dienen te worden gekort. Dit had temeer van de man mogen worden verwacht toen hij door [verweerder] ’s moeder ervan op de hoogte is gesteld dat [verweerder] bij [Software] Software B.V. werkte.

Van de man als een verantwoordelijk ouder had mogen worden verwacht dat hij de jongmeerderjarige [verweerder] tijdig en vooraf op de hoogte had gesteld van zijn wens dat eigen inkomsten van [verweerder] in mindering dienden te komen op de door hem te betalen bijdrage. Het hof neemt in aanmerking dat een terugbetalingsverplichting achteraf van een zeer ingrijpend karakter is voor de jongmeerderjarige.

Het hof is van oordeel dat er temeer aanleiding bestond voor de man om [verweerder] van zijn standpunt ter zake tijdig, derhalve vooraf, op de hoogte te stellen, nu onbestreden vaststaat dat [verweerder] wegens voornoemde oorzaken onder behandeling stond van de GGZ Helmond en het Leo Kannerhuis te Oosterbeek.

5.7.4

Het hof is van oordeel dat reeds op deze grond het verzoek van de man voor afwijzing gereed ligt.

Afweging belangen man en [verweerder]

5.8

Overigens, indien het hof de belangen van partijen afweegt, komt het hof niet tot een andere conclusie.

5.8.1

Het hof is van oordeel dat [verweerder] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem van de man ontvangen bijdrage is verbruikt voor zijn levensonderhoud en studie, en de bijkomende medische kosten in verband met zijn geestelijke gesteldheid. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de bijdrage van de man een onderhoudsverplichting voor levensonderhoud en studie van [verweerder] betrof welke bijdrage hiervoor van maand tot maand pleegt te worden verbruikt. De man heeft zijn stelling dat [verweerder] de door hem betaalde bijdrage heeft gespaard, en niet heeft verbruikt tegenover de gemotiveerde ontkenning van [verweerder] onvoldoende kunnen onderbouwen, toelichten en aannemelijk maken. Niet alleen heeft [verweerder] onbestreden gesteld dat hij op zijn spaarrekening ook inkomsten van de partner van zijn moeder ontving, ook staat onbestreden vast dat op deze spaarrekening gelden zijn gestort afkomstig van de spaarrekening die tijdens huwelijk door de man en [verweerder] ’s moeder is opgebouwd. Deze spaarrekening is – naar moet worden aangenomen als toekomend aan [verweerder] – bij de echtscheiding buiten de boedelverdeling gehouden. Het hof acht het redelijk dat dit bedrag door [verweerder] niet ten behoeve van zijn studie en levensonderhoud dient te worden gebruikt nu dit kennelijk ook niet de bedoeling van de man was, die zijn bijdrage aan [verweerder] niet heeft gekort toen [verweerder] over het spaarsaldo kon beschikken toen hij jongmeerderjarig werd.

5.8.2

Naar onbestreden vaststaat, ontvangt [verweerder] per 1 maart 2014 een WAJONG-uitkering. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat [verweerder] wegens zijn beperkingen geen verdere verdiencapaciteit heeft en dat niet te verwachten is dat zijn verdiencapaciteit zal toenemen. [verweerder] ’s huidige inkomsten zijn ontoereikend voor de door de man verlangde terugbetaling.

5.8.3

De man heeft geen zwaarwegend belang bij terugbetaling gesteld en hiervan is ook overigens niet gebleken. Tussen partijen staat vast dat de man over voldoende draagkracht beschikte voor de betaling van de bijdrage aan [verweerder] . Niet gesteld of gebleken is dat de man in financiële problemen is geraakt of zal raken indien hij de te veel betaalde bijdrage niet terug ontvangt. Daarbij heeft de man bij meerdere gelegenheden kenbaar gemaakt dat het hem niet om het geld gaat, hetgeen het hof ook afleidt uit de door de man opgestelde concept-overeenkomst zoals door [verweerder] als productie 1 is overgelegd bij het verweerschrift.

Immers, hierin geeft de man aan dat [verweerder] ’s moeder een bedrag van € 10.975,19 aan hem dient te betalen, bij gebreke waarvan [verweerder] met zijn zuster een gerechtelijke actie tegen hun moeder moeten starten om haar tot betaling van dit bedrag te dwingen. Bij herstel van contact van de man met [verweerder] en zijn zuster zal de man uiterlijk op 1 september 2017 aan ieder van de kinderen de helft van voornoemd bedrag betalen. Het hof leidt hieruit af dat de man ermee instemde dat het bedrag niet in zijn vermogen zou terugkomen maar aan [verweerder] (en zijn zuster) ten goede zou komen, zij het dat de man daaraan voorwaarden wilde verbinden die door [verweerder] niet zijn aanvaard. [verweerder] wilde zijn zuster hierin niet betrekken en evenmin gedwongen worden zijn moeder in rechte aan te spreken.

5.8.4

Het hof zal de verzoeken van de man tot terugbetaling van teveel betaalde onderhoudsbijdragen voor [verweerder] dan ook afwijzen.

6 De slotsom

in het hoger beroep

Nu de eerste grief van de man doelt treft voor wat betreft de door hem aan [verweerder] te betalen bijdrage voor de maanden januari en februari 2014 en de grieven van de man overigens falen, zal het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen en voor het overige bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2016 voor wat betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder] met ingang van 1 januari 2014 en bepaalt deze bijdrage met ingang van deze datum op nihil;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, M.J. van Laarhoven en A.M.M. Hompus, bijgestaan door de griffier, en is op 27 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.