Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3364

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
200.197.350_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:520
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoofdverblijf;

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 27 juli 2017

Zaaknummer: 200.197.350/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/01/276854 / FA RK 14-1730,

C/01/276854 / FA RK 14-1730_02 en

C/01/276854 / FA RK 14-1730_03

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal appel,

verweerster in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.A.W. van Oudheusden,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.H. van Gerwen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, vestiging [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2015, 14 augustus 2015 en 10 mei 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2016, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking van 10 mei 2016 te vernietigen voor zover het betreft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen en diens bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 355,- per kind per maand betaalt en in de kosten van haar levensonderhoud € 2.823,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en te bepalen dat de kosten van het geding in beide instanties worden gecompenseerd.

2.2

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 november 2016, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel die verzoeken af te wijzen. Tevens heeft de man hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft het hoofdverblijf van de kinderen en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, tot slot, de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De man verzoekt het hof opnieuw rechtdoende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- het hoofdverblijf van na te noemen [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2016 bij hem te bepalen,

- inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen dat [minderjarige] enkel contact met de vrouw heeft op aangeven van [minderjarige] ,

- de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil vast te stellen met ingang van 1 augustus 2016,

- de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw eveneens op nihil vast te stellen met ingang van de echtscheidingsdatum (10 juli 2015) en

- de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in appel, met compensatie van de kosten voor zover deze het incidenteel appel betreffen.

2.3

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 20 december 2016, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man in het incidenteel appel af te wijzen, kosten rechtens.

2.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2.5

De raad was niet ter zitting aanwezig.

2.6

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is door het hof gehoord buiten aanwezigheid van partijen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van het verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.7

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor van de zijde van de vrouw van 10 april 2017, ingekomen 11 april 2017;

- het journaalbericht met bijlagen (producties 40-50) van de zijde van de man d.d. 9 juni 201, ingekomen op 9 juni 2017, ingekomen op 12 juni 2017;

- het journaalbericht met bijlagen (producties 65-73) van de zijde van de vrouw d.d. 9 juni 2017, ingekomen op 12 juni 2017;

- het journaalbericht met bijlagen (producties 51 en 52) van de zijde van de man d.d. 12 juni 2017, ingekomen op 13 juni 2017 ;

- het journaalbericht met bijlagen (producties 74-76) van de zijde van de vrouw d.d. 19 juni 2017, ingekomen op 19 juni 2017.

2.8

De journaalberichten (met bijlagen) van de zijde van de man van 12 juni 2017 en van de vrouw van 19 juni 2017 zijn ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. Partijen hebben hiertegen over en weer geen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1

Partijen zijn op 20 mei 2005 gehuwd. Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [jongmeerderjarige] , op [geboortedatum] 1998, te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2001, te [geboorteplaats] .

3.2

Bij voormelde beschikking van 1 mei 2015 heeft de rechtbank voor zover thans van belang tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken, bepaald dat [minderjarige] en [jongmeerderjarige] voorlopig steeds afwisselend één week bij de vrouw en één week bij de man verblijven, bepaald dat de vrouw een gebruiksvergoeding van € 209,- per maand aan de man betaalt, te verrekenen met de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, en de beslissing ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie aangehouden.

3.3

Bij voormelde beschikking van 14 augustus 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de man voorlopig € 453,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van de kinderen met ingang van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding en voorlopig € 1.481,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand en de definitieve beslissing ten aanzien van deze bijdragen aangehouden in afwachting van de berichten na mediation ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank voor zover thans van belang bepaald dat het hoofdverblijf van [jongmeerderjarige] bij de man zal zijn en het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw, als regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen vastgesteld dat de minderjarigen steeds afwisselend één week bij de man en één week bij de vrouw verblijven, waarbij het wisselmoment steeds op vrijdag rond 19.00 uur zal zijn, bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand € 336,41 per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , € 173,74 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] en € 997,- per maand als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en bepaald dat ieder der partijen de eigen kosten van de procedure draagt.

3.5

De echtscheidingsbeschikking is op 10 juli 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.6

De vrouw en de man kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn ieder voor zich daarvan in hoger beroep gekomen.

3.7

De grieven van de vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man, en daarmee tegen de hoogte van de bij de bestreden beschikking vastgestelde onderhoudsbijdragen.

3.8

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de bijdrage van de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, de vastgestelde onderhoudsbijdragen, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.

3.9

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ingetrokken en verzocht de inhoud van dat verzoek aan te merken als een bewijsaanbod in de hoofdprocedure. Verder heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] in zijn geheel ingetrokken en ten aanzien van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ingetrokken voor wat betreft de periode na 1 augustus 2016. Het verzoek van de man in incidenteel appel om de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2016 op nihil te stellen, kan derhalve, als zijnde niet betwist, worden toegewezen.

3.10

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het hof partijen voorgehouden dat [minderjarige] en de vrouw elkaar sinds juli 2016 slechts één keer hebben gezien. Zowel [minderjarige] als de vrouw willen graag contact met elkaar. De man heeft toegezegd dat contact te zullen faciliteren. Het hof heeft partijen ter mondelinge behandeling laten weten dat de beslissingen omtrent het hoofdverblijf van [minderjarige] en in het verlengde daarvan de verdeling van zijn zorg- en opvoedingstaken voor een periode van drie maanden zullen worden aangehouden in afwachting van de schriftelijke berichten van partijen over de frequentie en het verloop van de contacten tussen de vrouw en [minderjarige] . De man heeft ter zitting verklaard zich in te spannen om de vrouw de afspraak van 23 juni 2017 van [minderjarige] met [medewerker ondersteuningsteam] (medewerker ondersteuningsteam [vestigingsnaam] ) te laten bijwonen. Daarmee is dan op korte termijn een eerste contactmoment gelegd, waarna het de bedoeling is dat op regelmatige basis de contacten worden opgebouwd. Partijen - zoals zij eensluidend hebben verklaard - streven naar een reguliere contactregeling tussen [minderjarige] en de vrouw van twee maal per maand. Zij zullen bij de uitbreiding in uren rekening houden met hetgeen [minderjarige] aangeeft en dat voorop stellen.

3.11

Tussen partijen staat vast dat [minderjarige] en [jongmeerderjarige] sinds eind juli 2016 bij de man verblijven. Hoewel deze situatie wellicht niet blijvend is, de beslissing omtrent het hoofdverblijf zal immers worden aangehouden, heeft het hof de vrouw ter zitting voorgehouden dat zij, nu [minderjarige] en [jongmeerderjarige] (inmiddels) met haar instemming en in afwachting van de beslissing van het hof bij de man verblijven, zal moeten stoppen met het incasseren van de onderhoudsbijdragen ten aanzien van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] , die zij blijkens haar eigen verklaring ook over de periode na eind juli 2016 nog int bij de man. De vrouw heeft toegezegd dat zij per direct stopt met het incasseren van de onderhoudsbijdragen ten behoeve van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] .

3.12

Uit het voorgaande volgt dat het hof de onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige] voor de periode van 10 juli 2015 tot 1 augustus 2016 zal vaststellen in de situatie dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en dat het hof de onderhoudsbijdrage die de man voor [minderjarige] aan de vrouw moet betalen met ingang van 1 augustus 2016 vaststelt op nihil. Daarbij wordt opgemerkt dat mocht de beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken daartoe aanleiding geven, de onderhoudsbijdrage van de man ten aanzien van [minderjarige] zo nodig zal worden heroverwogen.

Kinderalimentatie

3.13

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar eerste grief ingetrokken. Dat betekent dat het hof uitgaat van de bij bestreden beschikking vastgestelde behoefte van de kinderen van € 1.087,- per maand (niveau 2016).

3.14

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld.

3.15

De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw vastgesteld op € 50,- per maand voor twee kinderen. Nu daartegen geen grief is aangevoerd, gaat het hof van die draagkracht uit.

3.16

De grieven 2 en 5 van de vrouw zien op de draagkracht van de man, te weten de hoogte van zijn inkomen. Aangezien het hof de onderhoudsbijdragen van de man zal vaststellen met ingang van 10 juli 2015 tot 1 augustus 2016, zal het hof de hoogte van het inkomen van de man in de jaren 2015 en 2016 beoordelen.

3.17

Ten aanzien van het inkomen van de man in 2015 en 2016 geldt het volgende. Uit de overgelegde jaaropgaven van de man blijkt dat hij in 2015 een fiscaal jaarloon heeft genoten van € 121.060,- en in 2016 een fiscaal jaarloon van 121.437,-. De man heeft aangevoerd dat hij, zoals de vrouw stelt, inderdaad een jaarlijkse gratificatie ontvangt, waarvan de hoogte jaarlijks in december uit de loonstrook volgt. Voorts kan de man in aanmerking komen voor een recognition bonus, welke hij stelt nog nooit te hebben ontvangen, en ontvangt hij bij een 100% resultaat een scorecardbonus, waarvan de hoogte in dat geval een percentage van de maximale bonus bedraagt en welke bonus wordt uitgekeerd in april van het jaar volgend op het jaar waarop de bonus is berekend. Zowel de gratificatie als ontvangen bonussen zijn inkomensbestanddelen die deel uitmaken van het fiscaal loon en worden als zodanig verantwoord in de jaaropgave en bepalen mede de hoogte van het daarop aangegeven fiscaal inkomen. Gesteld noch gebleken is dat dat hier anders zou zijn. Het hof zal dan ook de jaaropgaven nemen als uitgangspunt bij de beoordeling van de draagkracht van de man over de jaren 2015 en 2016. De man heeft gesteld dat zijn inkomen in 2015 mede ziet op de uitkering van niet opgenomen verlofuren en dat daar geen rekening mee mag worden gehouden nu dit incidentele inkomsten zijn. Het hof gaat aan die stelling voorbij. De man heeft de uitbetaling van verlofuren in 2015 daadwerkelijk ontvangen en deze uitbetaling vormt dus een inkomensbestanddeel voor dat jaar. Het fiscaal jaarloon van de man in 2016 is bovendien nagenoeg gelijk aan het inkomen in 2015. Het hof zal dan ook voor 2016 uitgaan van het inkomen van 2015.

3.18

Het hof houdt conform het Rapport Alimentatienormen bij het inkomen van de man geen rekening met de fiscale bijtelling ter zake de auto van de zaak. Het hof zal dan ook de bijtelling in mindering brengen op het fiscale jaarinkomen. Bij de bepaling van de draagkracht van de man wordt verder rekening gehouden met de heffingskortingen waar de man recht op heeft, namelijk de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Gelet op de hoogte van het inkomen van de man komt hij niet in aanmerking voor een kindgebonden budget.

3.19

Uitgaande van de hiervoor vermelde (fiscale) gegevens berekent het hof het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 5.161,- per maand (bijlage 1).

3.20

Grief 3 van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank om conform de aanbevelingen in het Rapport Alimentatienormen het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen met € 282,50 bij de berekening van zijn draagkracht in verband met de dubbele woonlasten van de man. Het hof volgt de vrouw daar niet en zal het draagkrachtloos inkomen van de man met voormeld bedrag verhogen, nu dit een last is in verband met de voormalige echtelijke woning, terwijl die woning niet meer wordt bewoond door de man en hij deze lasten daadwerkelijk heeft betaald en ook gehouden was deze te voldoen.

3.21

De vrouw stelt voorts dat de hypotheekrente die de man ten behoeve van de echtelijke woning heeft betaald, moet worden verrekend met de gebruiksvergoeding van € 209,- die zij, na de verkoop en overdracht van de echtelijke woning, aan de man dient te betalen. Het hof is van oordeel dat nu de gebruiksvergoeding niet maandelijks door de vrouw aan de man werd voldaan en de man de man de kosten verbonden aan de voormalige echtelijke woning wel maandelijks moest voldoen, met de gebruiksvergoeding geen rekening dient te worden gehouden. Dit heeft immers de draagkracht van de man ten tijde van de op de man rustende maandelijkse betalingsverplichting niet verhoogd. Daaraan doet niet af dat de gebruiksvergoeding door de vrouw inmiddels wel aan de man is voldaan middels verrekening bij de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning.

3.22

Het hof volgt de vrouw evenmin in haar stelling dat de woonlasten van de man van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] onredelijk hoog zijn. Uit de in eerste aanleg overgelegde bijlage 4 bij brief van 3 december 2015 van de man blijkt dat hij aan hypotheekrente in totaal € 752,60 betaalt en aan aflossing van deze hypothecaire schuld € 461,93 per maand. Vast staat dat de man in het kader van de aanschaf van deze woning een geldlening heeft afgesloten bij [de vennootschap] waarvoor hij maandelijks € 140,85 betaalt. De man heeft naar het oordeel van het hof het bestaan van deze geldlening bij [de vennootschap] voldoende aannemelijk gemaakt en ook de noodzaak van het sluiten ervan in het kader van de aankoop van de woning. De totale woonlasten van de man bedragen € 1.355,38 en als mede rekening wordt gehouden met het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- bedragen deze € 1.450,38. In relatie tot de hoogte van het inkomen van de man zijn deze woonlasten niet onevenredig hoog.

3.23

Rekening houdend met de hypotheekrente van de voormalig echtelijke woning wordt de formule als volgt ingevuld: 70% x [5.161 – (1.716 + 875 + 282,50)]. De draagkracht van de man is € 1.601,- per maand.

3.24

De totale draagkracht van partijen is € 1.651,- per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt nagenoeg € 1.056,- per maand, waarmee het hof rekening zal houden.

3.25

Aangezien de draagkracht van de ouders voldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige] (en [jongmeerderjarige] ) te voorzien, wordt de aan de man toekomende zorgkorting van 35% in mindering gebracht op het berekende eigen aandeel van de man. De man zal dan een bijdrage aan de vrouw dienen te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 338,- (€ 528,- minus de onbetwiste zorgkorting van 35 % zijnde € 190,22).

3.26

Aan de stellingen van de vrouw dat de man onredelijke woonlasten, in de vorm van huurkosten, had vóórdat hij de woning aan [adres] betrok, gaat het hof voorbij, gelet op de periode die aan het hof voorligt, namelijk 10 juli 2015 tot 1 augustus 2016, en de omvang van de huurlasten, die gezien de hoogte van het inkomen van de man niet als onredelijk en onaanvaardbaar zijn aan te merken. Dit geldt temeer nu het, na het verlaten van de echtelijke woning, een periode van overbrugging betrof tot de man een meer definitieve woonvoorziening had gevonden.

Partneralimentatie

3.27

De meest verstrekkende stelling van de man richt zich op het ontbreken van de lotsverbondenheid, waarmee de grondslag aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw zou komen te ontvallen.

3.28

De man stelt ter onderbouwing van die stelling dat de vrouw zelf dan wel via familieleden en haar partner e-mailberichten heeft gestuurd aan zijn werkgever, waarmee zij de man opzettelijk en doelbewust in een kwaad daglicht heeft gesteld. Het gaat om zes brieven, waarin wordt gesteld dat de man zijn financiële verplichtingen jegens zijn gezin niet nakomt, hij vele buitenechtelijke relaties had met onder andere collega’s en onderschikten en dat de man de afgelopen twee jaar diverse personen zou hebben mishandeld. Deze lasterlijke berichten hebben de reputatie van de man binnen zijn bedrijf geschaad. Ook stelt de man dat de vrouw aanwezig was bij de mishandeling van [jongmeerderjarige] door haar partner op 25 juli 2016 en daartegen niets heeft ondernomen. Ook daarom ontbreekt de lotsverbondenheid, aldus de man.

3.29

De vrouw stelt dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor berichten die haar familieleden en partner aan de werkgever van de man hebben gestuurd. Zij heeft erkend dat zij zelf e-mailberichten aan de werkgever van de man heeft gestuurd, maar stelt dat zij dit heeft gedaan om zakelijke en neutrale informatie te krijgen over met name het inkomen van de man. Zij kreeg deze informatie niet van de man zelf en hij frustreerde daarmee een eerlijke en snelle afhandeling van de echtscheidingsprocedure. Zij heeft vervolgens uit frustratie het e-mailbericht van 15 februari 2015 verstuurd, waarin zij zich niet heeft beperkt tot de zakelijke details van de echtscheiding. Ten aanzien van het incident op 25 juli 2016 heeft de vrouw een andere lezing en stelt zij dat er geen sprake was van mishandeling van [jongmeerderjarige] door haar partner.

3.30

Het hof stelt voorop dat in uitzonderlijke gevallen grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie kan leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen. In een zodanig geval kan geoordeeld worden dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet van de onderhoudsplichtige kan worden gevergd. Ook kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten tegenover de ander aanleiding zijn om de onderhoudsverplichting te matigen.

3.31

Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo'n beëindiging dan wel matiging. Daarbij dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Derhalve is niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

3.32

Hoewel het voor te stellen is dat de man zich gegriefd voelt door de e-mailberichten en dat die berichten hem zowel persoonlijk als in zijn reputatie belast hebben, is het hof van oordeel dat het gedrag van de vrouw niet zodanig grievend is dat het in redelijkheid niet van de man gevergd kan worden om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Niet staat vast dat de vrouw verantwoordelijk gehouden kan worden voor de e-mailberichten die derden aan de man hebben verzonden. Het is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de door de vrouw zelf verzonden e-mailberichten, met name het bericht van 15 februari 2015, toe te schrijven zijn aan de op zich niet ongebruikelijke emoties die met een echtscheiding gepaard gaan. Ook het incident van 24 juli 2016, waarover de lezing van partijen haaks op elkaar staat, kan niet los worden gezien van de problematiek tussen partijen en de emoties die daarmee gepaard gaan. De e-mailberichten en het incident, ook als ze in samenhang worden bezien, zijn niet zodanig grievend dat dit kan leiden tot beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, dan wel tot matiging van de onderhoudsverplichting.

3.33

Aanvankelijk heeft de man gesteld dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd. Ter zitting heeft de man echter zijn beroep op art. 1:160 BW ingetrokken, zodat dat geen nadere bespreking behoeft.

Behoefte

3.34

De man stelt vervolgens dat de vrouw in staat is volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien door middel van inkomsten uit arbeid. Hij wenst inzage in haar inkomsten dan wel in haar sollicitatieactiviteiten.

3.35

Vast staat dat de vrouw thans geen dienstbetrekking heeft waaruit zij inkomsten ontvangt. De vrouw wijst er op dat er tijdens de huwelijkse relatie van partijen sprake was van een traditioneel rollenpatroon waarbij de vrouw nimmer meer heeft gewerkt. De man stelt dat, gelet op haar opleidingsniveau en arbeidsverleden, van de vrouw verwacht mag worden dat zij binnen 1 jaar na de scheiding een baan vindt. Het hof is van oordeel dat van de vrouw, gezien ook de inmiddels verstreken tijd en de beschikking van de rechtbank van 14 augustus 2015, waarbij de vrouw uitdrukkelijk is gewezen op haar inspanningsverplichting in deze, thans maximale inspanning kan en mag worden verwacht om inkomen uit arbeid te verwerven. Gelet op haar opleidingsniveau en leeftijd is het niet te verwachten dat de vrouw snel in aanmerking zal komen voor een fulltime dienstbetrekking en meer dan het minimumloon zal kunnen gaan verdienen. Naar het oordeel van het hof kan de vrouw dan ook niet in staat worden geacht ook niet op termijn middels arbeid geheel in haar behoefte te voorzien. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw met ingang van 1 januari 2018 in redelijkheid in staat moet worden geacht inkomen uit arbeid te verwerven en acht het reëel vanaf dan met een bruto inkomen uit arbeid van € 1.000,- rekening te houden. De door de rechtbank vastgestelde bruto behoefte van de vrouw van € 3.860,- is tussen partijen niet in geschil. Uitgaande van die behoefte resteert alsdan een aanvullende bruto behoefte van € 2.860,-.

Draagkracht

3.36

Het hof zal de draagkracht van de man beoordelen in twee perioden. De eerste periode is van 10 juli 2015 tot 1 maart 2017. Vanaf 1 augustus 2016 verblijven de kinderen van partijen weliswaar bij de man, maar de man voorzag reeds nagenoeg geheel in de behoefte van de kinderen, zodat dit in het kader van de partneralimentatie niet tot een relevante wijziging van zijn draagkracht leidt. De tweede periode is die vanaf 1 maart 2017, op welke datum de echtelijke woning is verkocht en geleverd. Vanaf die datum voldoet de man geen lasten meer betreffende de voormalig echtelijke woning van partijen. Vanaf 1 maart 2017 ziet het hof ook geen reden meer om rekening te houden met de lening bij [de vennootschap] nu dit naar eigen zeggen van de man een overbruggingslening betrof in verband met de aanschaf van de nieuwe woning terwijl de echtelijke woning nog niet verkocht was en de verkoopopbrengst voldoende was om deze lening af te lossen. Dat de man de gelden voor andere doeleinden heeft aangewend, zoals hij stelt maakt dit oordeel niet anders.

3.37

Bij het berekenen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens:

- inkomen en fiscale aspecten zoals hiervoor overwogen in 3.17 en 3.18, waarbij het hof nog overweegt dat het hof nu de hoogte van het inkomen van de man in 2016 nagenoeg gelijk was aan het inkomen in 2015, ondanks dat er geen sprake was van afkoop van vakantiedagen, en ook anders niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, geen aanleiding ziet bij de vaststelling van de draagkracht van de man vanaf 1 januari 2017 van een ander inkomen uit te gaan. Het hof gaat ook dan uit van een bruto inkomen van € 121.060,- (minus € 9.480,- =) € 111.580,-.

3.38

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

3.39

Het hof houdt verder rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

  • -

    hypotheekrente en aflossing van € 1.638,- per maand voor twee woningen tot 1 maart 2017 (inclusief de lening bij [de vennootschap] ) en vanaf 1 maart 2017 met een hypotheekrente van € 752,60 en aflossing van € 461,93 per maand;

  • -

    premie levensverzekering van € 64,- tot 1 maart 2017 ;

  • -

    (forfaitaire) overige eigenaarslasten voor twee woningen van € 190,- per maand en vanaf 1 maart 2017 met € 95,-;

  • -

    € 143,- aan basis- en aanvullende premie ZVW en € 32,- terzake eigen bijdrage ziektekosten zoals door de man opgenomen in zijn draagkrachtberekening. Gezien de gezondheidstoestand van de man acht het hof het voldoende aannemelijk dat de man deze kosten ook daadwerkelijk heeft. In mindering strekt het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel van € 39,- voor een alleenstaande.

3.40

Het hof houdt geen rekening met advocaatkosten, zoals door de man ter zitting verzocht. Het hof gaat ervan uit dat de man voldoende financiële middelen heeft om deze kosten, gelet ook op zijn inkomens- en vermogenspositie, zeker na de gerealiseerde overwaarde van de echtelijke woning, uit eigen middelen te voldoen. Gelet hierop hebben deze kosten geen voorrang op de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw.

Vaststelling van de alimentatie

3.41

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man de draagkracht om met ingang van 10 juli 2015 € 1.327,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (bijlage 2) en met ingang van 1 maart 2017 € 1.783,- per maand (bijlage 3).

3.42

De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd.

3.43

Nu het hof de onderhoudsverplichting ten behoeve van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum heeft verlaagd dan wel op nihil heeft gesteld, dient het hof aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is het hof niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd en op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

3.44

Bij de beoordeling in hoeverre van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid terugbetaling van het teveel ontvangene kan worden verlangd, dient de rechter ook het gerechtvaardigde belang van de onderhoudsplichtige om het teveel betaalde terug te krijgen in aanmerking te nemen.

3.45

Daartoe overweegt het hof het navolgende. De onderhoudsbijdragen die de vrouw ten behoeve van [minderjarige] en [jongmeerderjarige] heeft ontvangen in de periode vanaf 10 juli 2015 worden vanaf 1 augustus 2016 op nihil gesteld. Niet is gebleken dat de vrouw in financiële problemen komt door de verlaging en nihilstelling. Immers, de vrouw heeft de onderhoudsbijdrage niet hoeven te besteden aan de kinderen, nu vast staat dat deze sinds 1 augustus 2016 bij de man verblijven. Bovendien is gebleken dat de vrouw ruim € 90.000,- heeft ontvangen uit de verdeling van de verkoopopbrengst van de voormalig echtelijke woning. Daarbij komt dat de partneralimentatie met terugwerkende kracht wordt verhoogd, hetgeen aanleiding tot verrekening zou kunnen geven.

3.46

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de vrouw ten aanzien van de inkomenspositie van de man uit dienstbetrekking, nu de bewijslast ten aanzien van het inkomen van de man in beginsel niet aan de zijde van de vrouw ligt. Zoals uit de voorgaande rechtsoverwegingen blijkt acht het hof zich door de man voldoende voorgelicht over zijn inkomenspositie. De vrouw heeft de juistheid noch de volledigheid van de door de man overgelegde, op zijn inkomen betrekking hebbende, bescheiden betwist. In het licht daarvan had het op de weg van de vrouw gelegen bij handhaving van het bewijsaanbod dit nader te preciseren.

3.47

De beslissing omtrent de proceskostenveroordeling zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant 10 mei 2016, voor zover daarbij onderhoudsbijdragen ten behoeve van na te noemen minderjarigen en ten behoeve van de vrouw zijn vastgesteld,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de door de man aan de vrouw met ingang van 10 juli 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , vast op een bedrag van € 173,34 per maand en de bijdrage in die kosten ten aanzien van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , op een bedrag van € 338,- per maand, en stelt de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen met ingang van 1 augustus 2016 vast op nihil;

bepaalt het door de man aan de vrouw met ingang van 10 juli 2015 terzake haar levensonderhoud te betalen bedrag op € 1.327,- per maand en met ingang van 1 maart 2017 op € 1.783,- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] , de regeling tussen partijen ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van deze minderjarige en de beslissing omtrent de proceskosten aan tot 5 oktober 2017 PRO FORMA;

verzoekt partijen uiterlijk 5 oktober 2017 het hof schriftelijk in kennis te stellen van de zorg- en contactregeling alsmede de nadere standpunten terzake van partijen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2017.