Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3354

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
200.199.023_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming van opvolgend bewindvoerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 13 juli 2017

Zaaknummer: 200.199.023/01

Zaaknummer eerste aanleg: 4913088 CU VERZ 16-83

in de zaak in hoger beroep van:

[dochter van de rechthebbende] ,

dochter van de rechthebbende,

hierna te noemen: [dochter van de rechthebbende] ,

en

[zoon van de rechthebbende 1] ,

zoon van de rechthebbende,

hierna te noemen: [zoon van de rechthebbende 1] ,

beiden wonende te

[woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.G. van Ek.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- mevrouw [de moeder] , de rechthebbende (hierna te noemen: de moeder);

- de heer [zoon van de rechthebbende 2] , zoon van de rechthebbende (hierna te noemen: [zoon van de rechthebbende 2] );

- de heer [zoon van de rechthebbende 3] , zoon van de rechthebbende (hierna te noemen: [zoon van de rechthebbende 3] );

- mevrouw [de bewindvoerder] , de bewindvoerder (hierna te noemen: de bewindvoerder).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, team Toezicht, zittingsplaats Maastricht, van 18 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2016, hebben appellanten verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en alsnog de heer [nieuwe bewindvoerder] (hierna te noemen: [nieuwe bewindvoerder] ) tot bewindvoerder over de goederen van de moeder te benoemen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen. [zoon van de rechthebbende 2] heeft het hof te kennen gegeven dat hij bekrachtiging van de bestreden beschikking wenst en bezwaren heeft tegen de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder.

2.3.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    appellanten, bijgestaan door mr. Van Ek;

  • -

    [zoon van de rechthebbende 2] ;

  • -

    [zoon van de rechthebbende 3] ;

  • -

    de bewindvoerder.

2.3.2.

Tevens is verschenen [nieuwe bewindvoerder] die als informant door het hof is gehoord.

2.3.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen, [zoon van de rechthebbende 2] en [zoon van de rechthebbende 3] zich bereid verklaard een mediationtraject te volgen. Uit berichtgeving van het mediationbureau is het het hof gebleken dat de mediation niet is gestart.

2.3.4.

De moeder is na de mondelinge behandeling te [woonplaats] , aan de [adres] , in aanwezigheid van [dochter van de rechthebbende] en buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Van het verhandelde tijdens dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt en appellanten en belanghebbenden hebben de gelegenheid gekregen zich hierover uit te laten.

2.4.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier van de advocaat van appellanten, ingekomen ter griffie op 2 maart 2017;

  • -

    het proces-verbaal van het verhoor van de moeder.

2.4.2.

Na de mondelinge behandeling is op 27 maart 2017 ter griffie ingekomen een brief van [zoon van de rechthebbende 2] . Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden, anders dan een reactie op het verhoor van de moeder, slaat het hof daarop geen acht.

2.4.3.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen reacties op voormeld proces-verbaal van het verhoor van de moeder:

  • -

    de brief van [zoon van de rechthebbende 2] met bijlagen d.d. 4 juni 2017;

  • -

    het journaalbericht van de advocaat van appellanten, ingekomen ter griffie op 7 juni 2017;

  • -

    de brief van de bewindvoerder d.d. 8 juni 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, over de goederen die de moeder als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld, met benoeming van [de bewindvoerder] tot bewindvoerder.

3.2.

Appellanten kunnen zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de persoon van de bewindvoerder betreft en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.

Appellanten voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte [de bewindvoerder] tot bewindvoerder benoemd. Waarin het belang van een onafhankelijke bewindvoerder is gelegen, heeft de rechtbank niet nader gemotiveerd. Van bezwaren tegen de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder is niet gebleken. De benoeming van [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder heeft de voorkeur van de moeder, van de appellanten en van [zoon van de rechthebbende 3] . [nieuwe bewindvoerder] is al zes jaar betrokken bij de moeder en hij verzorgt haar administratie, zodat het een feitelijk sinds jaren bestaande situatie zou formaliseren. Een “vreemde” bewindvoerder zal voor de moeder belastend zijn en juist vertragend werken. Tussen [zoon van de rechthebbende 2] en de rest van de familie, waaronder ook de moeder, is al enige tijd geen sprake van contact.

3.4.

[zoon van de rechthebbende 2] voert ter zitting, kort samengevat, het volgende aan. Hij wil dat er een onafhankelijke bewindvoerder wordt benoemd. Dat [nieuwe bewindvoerder] het persoonsgebonden budget en dat soort zaken voor de moeder regelt, vindt [zoon van de rechthebbende 2] geen probleem. Vanwege conflicten binnen de familie wantrouwt [zoon van de rechthebbende 2] de zaak op financieel gebied en heeft hij er wel bezwaar tegen indien [nieuwe bewindvoerder] de financiën van de moeder gaat regelen. Het heeft er alle schijn van dat [nieuwe bewindvoerder] door appellanten beïnvloed kan worden. [zoon van de rechthebbende 2] heeft geen vertrouwen in [nieuwe bewindvoerder] en de moeder heeft ook vaak aan [zoon van de rechthebbende 2] te kennen gegeven dat zij niet tevreden is over de manier waarop [nieuwe bewindvoerder] zaken heeft geregeld. Het huis van de moeder is verkocht, terwijl [zoon van de rechthebbende 2] het huis had willen kopen. Wat de verkoopprijs is en hoe die tot stand is gekomen, is niet bij [zoon van de rechthebbende 2] bekend.

3.5.

[zoon van de rechthebbende 3] voert ter zitting, kort samengevat, aan dat de moeder meerdere malen de wens heeft uitgesproken dat zij [nieuwe bewindvoerder] als bewindvoerder wil.

3.6.

De bewindvoerder voert ter zitting, kort samengevat, aan dat zij eerst het onderhavige hoger beroep afwacht, alvorens zij haar werkzaamheden als bewindvoerder zal oppakken. In verband met een eventuele overdracht van de woning, is het bewind ingeschreven in het kadaster.

3.7.

[nieuwe bewindvoerder] brengt ter zitting, kort samengevat, naar voren dat hij al bijna tien jaar het persoonsgebonden budget en WMO-zaken voor de moeder regelt. Waar zij elkaar de eerste acht jaar ongeveer twee tot drie keer per week troffen, is het contact de laatste jaren intensiever geworden en heeft de moeder gevraagd of hij voortaan al haar financiële zaken wil regelen. De woning van de moeder is verkocht, maar deze verkoop kan door het hoger beroep nog niet worden afgehandeld.

3.8.

De moeder heeft tijdens het verhoor te [woonplaats] , kort samengevat, aangegeven dat [nieuwe bewindvoerder] haar bijstaat in haar financiële aangelegenheden en dat zij het goed vindt dat hij haar financiële zaken regelt. Zij wil geen andere bewindvoerder dan [nieuwe bewindvoerder] . Haar huis is verkocht aan de zoon van [zoon van de rechthebbende 1] , maar nog niet officieel. Het huis verkeert in slechte staat. Er moet een redelijke prijs voor betaald worden en daar is [nieuwe bewindvoerder] ook voor.

3.9.

In voormeld journaalbericht, ingekomen ter griffie op 7 juni 2017, voeren appellanten, kort samengevat, aan dat de wens van de moeder om [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder te benoemen correspondeert met de wens van appellanten.

3.10.

In voormeld bericht d.d. 4 juni 2017 voert [zoon van de rechthebbende 2] , kort samengevat, het volgende aan. De verklaring van de moeder ten overstaan van het hof bevestigt en onderbouwt zijn standpunt en het belang van een neutrale bewindvoerder. [zoon van de rechthebbende 2] is niet bekend met de verkoopprijs van het huis van de moeder, waardoor hij niet weet of er meer uit te halen valt. Verder wordt hij niet op de hoogte gehouden door [nieuwe bewindvoerder] en wordt de moeder onjuist geïnformeerd.

3.11.

In voormeld bericht d.d. 8 juni 2017 voert de bewindvoerder, kort samengevat, aan dat zij ermee akkoord kan gaan met opheffing onderbewindstelling met haar als bewindvoerder.

3.12.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.12.1.

Niet in geschil is dat de wettelijke gronden voor de instelling van een meerderjarigenbewind aanwezig zijn. Het hoger beroep betreft uitsluitend de persoon van de bewindvoerder.

3.12.2.

Ingevolge artikel 1:435 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt de rechter bij het uitspreken van het bewind of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon. De rechter volgt ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Voor beschikkingshandelingen behoeft de bewindvoerder ingevolge artikel 1:441 lid 2 BW toestemming van de rechthebbende, dan wel, ingeval de rechthebbende niet in staat of weigerachtig is deze toestemming te geven, van de kantonrechter.

3.12.3.

Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de persoon van de bewindvoerder.

3.12.4.

Bij de beoordeling van het verzoek in hoger beroep stelt het hof voorop dat het wettelijk stelsel van het beschermingsbewind is ingesteld ter bescherming van de belangen van de rechthebbende, en niet van die van derden. Het is de taak van de bewindvoerder om het vermogen van de rechthebbende doelmatig te beleggen uitsluitend ten bate van de rechthebbende. De bewindvoerder heeft geen informatieverplichtingen jegens derden en hij is niet gehouden toestemming voor rechtshandelingen te vragen anders dan van de rechthebbende en op de voet van artikel 1:441 lid 2 BW van de toezichthoudende kantonrechter. Hij is verplicht tot het afleggen van rekening en verantwoording uitsluitend jegens de rechthebbende, ten overstaan van de kantonrechter.

Hoewel er geen sprake is van verplichtingen van de bewindvoerder jegens de belanghebbenden, zal het belang van de rechthebbende in het algemeen gebaat zijn bij een goede verhouding met de familieleden en mag van de bewindvoerder ook worden verwacht rekening te houden met dit belang van de rechthebbende.

3.12.5.

Op grond van het wettelijk stelsel heeft de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder alleen het belang van de rechthebbende te behartigen en is de rechter op grond van artikel 1:435 lid 3 BW voor wat betreft de persoon van de te benoemen bewindvoerder gehouden de voorkeur van de rechthebbende te volgen, tenzij gegronde redenen zich hiertegen verzetten.

3.12.6.

Het hof heeft kennisgenomen van de verklaring van 17 februari 2016 van de medicus, drs. [getuige] , omtrent de psychogeriatrische problematiek van de moeder, welke verklaring mede aanleiding is geweest voor de instelling van het bewind. Het hof begrijpt deze verklaring aldus dat de moeder niet goed in staat geacht kan worden financiële en juridische kwesties te doorzien, op grond waarvan het bewind over de goederen van de rechthebbende gewenst is. Het hof heeft voorts kennis genomen van de door de moeder tijdens de zitting van de rechtbank van 10 mei 2016 uitgesproken voorkeur voor de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder. In aanmerking nemende voornoemde verklaring van de medicus, heeft het hof op 10 mei 2017 de moeder in persoon gehoord om te beoordelen of de moeder al of niet in staat kan worden geacht in vol bewustzijn en weloverwogen haar persoonlijke voorkeur voor de bewindvoerder te uiten.

3.12.7.

De moeder heeft tijdens het verhoor te [woonplaats] de vragen van het hof ordelijk beantwoord en zij heeft haar wensen ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder duidelijk kenbaar gemaakt en toegelicht. De moeder heeft bij deze gelegenheid geen blijk gegeven dat zij de vragen ter zake van het hof niet begreep en zij bleek tijdens het verhoor heel wel op de hoogte van de gang van zaken rond de benoeming van de bewindvoerder. Het hof is daarbij tot het oordeel gekomen dat de psychogeriatrische problematiek van de moeder haar niet verhinderde haar mening uit te spreken omtrent haar voorkeur voor een andere bewindvoerder dan de kantonrechter bij de bestreden beschikking heeft benoemd. Zij was goed in staat haar voorkeur voor een bewindvoerder toe te lichten. Een belangrijke overweging voor haar voorkeur is dat [nieuwe bewindvoerder] reeds meerdere jaren haar administratieve en financiële aangelegenheden behartigt, waaronder de belastingaangiften. De moeder begreep deze bijstand nodig te hebben. De door de medicus aangegeven psychogeriatrische problematiek van de moeder stond er niet aan in de weg dat de moeder in staat was een gefundeerde voorkeur voor de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder kenbaar te maken.

Hoewel de moeder niet tegen de bestreden beschikking in beroep is gekomen, is het hof van oordeel dat aldus ook in hoger beroep de voorkeur van de moeder voor de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] voldoende is komen vast te staan. Het hof begrijpt uit de verklaringen van de moeder dat zij het verzoek in hoger beroep ondersteunt en het hof is van oordeel dat op de voet van artikel 1:435 lid 3 BW deze voorkeur gevolgd dient te worden, tenzij er sprake is van gegronde bezwaren tegen [nieuwe bewindvoerder] .

3.12.8.

[zoon van de rechthebbende 2] verzet zich tegen de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] op – kort samengevat – de volgende gronden. Hij stelt dat [nieuwe bewindvoerder] partij zou kiezen tegen hem in conflicten tussen [zoon van de rechthebbende 2] en de moeder, dan wel de appellanten. Deze conflicten zouden van vermogensrechtelijke aard zijn en onder meer betreffen de verkoopwaarde van de woning van de moeder en enkele inventarisgoederen van de moeder. [zoon van de rechthebbende 2] stelt verder dat [nieuwe bewindvoerder] hem stelselmatig niet informeert, de moeder onjuist informeert en beschikt over goederen van de moeder zonder [zoon van de rechthebbende 2] te informeren.

3.12.9.

Het hof kan [zoon van de rechthebbende 2] in zijn bezwaren niet volgen. Voor zover [zoon van de rechthebbende 2] van mening is dat de bewindvoerder jegens hem informatie-plichtig is, dan wel [zoon van de rechthebbende 2] de gelegenheid moet geven mede te bepalen op welke wijze de goederen van de moeder worden beheerd en haar vermogen wordt belegd, is het hof van oordeel dat de wet hiervoor geen steun biedt. Het bewind strekt uitsluitend tot bescherming van de belangen van de rechthebbende en van een informatieverplichting van de bewindvoerder jegens de belanghebbende is geen sprake, zo min als van een verplichting de belanghebbende mede te laten bepalen op welke wijze het vermogen van de rechthebbende wordt beheerd en belegd.

Het hof neemt – ten overvloede – hierbij in aanmerking dat [nieuwe bewindvoerder] vóór de instelling van het bewind ten aanzien van de financiële aangelegenheden van de moeder bij een e-mail van 3 juni 2016 en een brief van 9 juni 2016 contact met [zoon van de rechthebbende 2] heeft gezocht en er aldus blijk van heeft gegeven [zoon van de rechthebbende 2] op de hoogte te willen houden van de gang van zaken.

Omtrent de bezwaren van [zoon van de rechthebbende 2] tegen de verkoop van de woning en de daarbij gehanteerde verkoopprijs, stelt het hof vast dat de gang van zaken rond deze woning in het onderhavige geding niet aan het hof ter beslissing voorligt en dat het hof zich ter zake ook onvoldoende geïnformeerd acht. Indien en voor zover een of meer belanghebbenden gegronde redenen hebben om te menen dat de bewindvoerder in strijd handelt met zijn verplichting om het vermogen van de moeder doelmatig te beleggen, kunnen zij deze bewaren aan de toezichthoudende kantonrechter kenbaar maken met het verzoek hieraan gepaste gevolgen te verbinden. Gezien de voornoemde medische verklaring gaat het hof er voorts vanuit dat voor beschikkingshandelingen ten aanzien van vermogensbestanddelen van de moeder op de voet van het bepaalde in artikel 1:441 lid 2 BW de toestemming van de kantonrechter nodig is, bij welke gelegenheid de belanghebbenden ook hun mening kenbaar kunnen maken.

3.12.10.

Het hof overweegt dat uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de verhoudingen tussen de moeder en [zoon van de rechthebbende 2] en tussen appellanten en [zoon van de rechthebbende 2] verstoord zijn. Nu partijen niet tot overeenstemming hebben kunnen komen over het starten van het mediationtraject, is een verbetering van de familieverhoudingen in redelijkheid niet te verwachten.

Het hof overweegt voorts dat [nieuwe bewindvoerder] geen lid van de familie is en het hof is van oordeel dat, in het licht van de gebleken voorkeur van de moeder, de bezwaren van [zoon van de rechthebbende 2] niet zijn te beschouwen als een gegronde reden tegen de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [zoon van de rechthebbende 2] [nieuwe bewindvoerder] gebeurtenissen verwijt die plaatsvonden vóórdat het bewind was ingesteld en dat hij niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat [nieuwe bewindvoerder] hierbij niet in opdracht van de moeder heeft gehandeld, zodat [nieuwe bewindvoerder] hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. [nieuwe bewindvoerder] is blijkens de verklaring van 7 april 2016 van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van onbesproken gedrag en hij behartigt al jarenlang de financiële belangen van de moeder – naar het hof tijdens het verhoor van 10 mei 2017 heeft kunnen vaststellen – tot tevredenheid van de moeder. Het feit dat [zoon van de rechthebbende 2] met de moeder van mening verschilt over hoe zij haar vermogen zou dienen te beleggen en te beheren, kan niet worden beschouwd als een gegronde reden tegen de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder. Uitgangspunt van het wettelijk systeem is dat ieder bij leven vrij is om over zijn vermogen te beschikken op de wijze die hem goeddunkt, mits niet in strijd met de wettelijke bepalingen en de openbare orde, welke vrijheid mede inhoudt de bevoegdheid vermogensbestanddelen te schenken aan derden en te verkopen tegen een in de ogen van de verkoper passende prijs.

Na de instelling van het bewind is het, gezien de op de bewindvoerder rustende plicht het vermogen van de moeder op doelmatige wijze te beleggen in het belang van de moeder, de bewindvoerder in beginsel niet toegestaan te bewilligen in rechtshandelingen die leiden tot vrijwillige vermindering van het vermogen van de moeder, behoudens verkregen toestemming van de kantonrechter. In een dergelijk geval waarborgt de wet dat de belanghebbenden gelegenheid krijgen hun mening kenbaar te maken.

3.12.11.

Het hof heeft appellanten en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van het proces-verbaal van de zitting van 10 mei 2017 en zich hierover uit te laten. De bewindvoerder heeft bij brief van 8 juni 2017 aan het hof bericht akkoord te gaan met de opheffing van het bewind met haar tot bewindvoerder.

[zoon van de rechthebbende 2] heeft bij brief van 4 juni 2017 te kennen gegeven zijn bezwaren tegen de benoeming van [nieuwe bewindvoerder] als bewindvoerder te handhaven. Voor zover zijn bezwaren zich richten tegen de procedure welke bij de verkoop van de woning van de rechthebbende is gevolgd en tegen de verkoopprijs, zijn deze hiervoor reeds door het hof besproken. Voor zover de bewaren van [zoon van de rechthebbende 2] hun grondslag vinden in de in zijn ogen verstoorde familieverhoudingen, ziet het hof hierin geen aanleiding de voorkeur van de moeder voor de persoon van de bewindvoerder niet te volgen, op de gronden als hiervoor reeds aangegeven.

3.12.12.

Het voorgaande in onderling verband beschouwd, brengt het hof tot het oordeel dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en dat [nieuwe bewindvoerder] tot bewindvoerder dient te worden benoemd. De bezwaren van [zoon van de rechthebbende 2] hiertegen zijn minder zwaarwegend dan de voorkeur van de rechthebbende en zijn ook onvoldoende onderbouwd.

3.13.

Het door de [zoon van de rechthebbende 2] gedane bewijsaanbod passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd nu hij slechts in algemene bewoordingen bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden.

3.14.

Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank te Limburg, zittingsplaats Maastricht, in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, team Toezicht, zittingsplaats Maastricht, van 18 juli 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verleent met ingang van 27 juli 2017, aan [de bewindvoerder] , ontslag als bewindvoerder over de goederen van [de moeder] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1928, wonende te [postcode] [woonplaats] , aan [adres] ;

benoemt met ingang van 27 juli 2017 [nieuwe bewindvoerder] , wonende te [postcode] [woonplaats] , aan de [adres] , tot opvolgend bewindvoerder;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en aan de opvolgend bewindvoerder en een – zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend – exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg, team Toezicht, zittingsplaats Maastricht, overlegt;

bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder binnen drie maanden na aanvang van het bewind een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen dient op te maken en een afschrift daarvan dient in te leveren ter griffie het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg, team Toezicht, zittingsplaats Maastricht;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Limburg, team Toezicht, zittingsplaats Maastricht, in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister.

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.A.R.M. van Leuven en A.E. van Solinge en is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.