Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3349

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
200.190.619_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop woning tijdens schuldsanering eigenaar woning.

Betrokkenheid hypotheekhouder en bewindvoerder.

Koper vordert van voormalig eigenaar (inmiddels niet meer in de schuldsaneringsregeling) vergoeding van vorstschade volgens koper ontstaan na totstandkoming koopovereenkomst en vóór levering.

Hof gelast inlichtingen- en schikkingscomparitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.190.619/01

arrest van 25 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.J. van der Knijff te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 april 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 februari 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3978441 CV EXPL 15-1497)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van 21 juni 2016;

  • -

    de memorie van antwoord van 2 augustus 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 3.1.1 tot en met 3.1.8 de feiten vastgesteld waarvan in eerste aanleg is uitgegaan. Deze feiten, die in hoger beroep niet zijn betwist, vormen ook voor het hof het uitgangspunt. Daarnaast acht het hof nog andere (als niet dan wel onvoldoende betwist) vaststaande feiten van belang. Het gaat om het volgende.

3.1.2.

[geïntimeerde] was eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] , (hierna: de woning).

3.1.3.

Ten aanzien van [geïntimeerde] is enige tijd de schuldsaneringsregeling (WSNP) toegepast. (Hof: de kantonrechter heeft ambtshalve vastgesteld dat dat in de periode 22 december 2010 tot 7 november 2013 was).

3.1.4.

De woning is verkocht in januari/februari 2012 aan [appellant] . De koopsom bedroeg

€ 134.100,--.

3.1.5.

De koopovereenkomst is schriftelijk vastgelegd (hierna: de koopovereenkomst) en

houdt onder meer in:

De ondergetekenden:

A. Hierna te noemen “gevolmachtigde” DOOR VERKOPER/BEWINDVOERDER NADER IN TE VULLEN

als bewijs waarvan de door VERKOPER getekende en door de notaris gelegaliseerde

volmacht bij deze koopakte is toegevoegd en die hier onverbrekelijk deel van uitmaakt, ten

deze handelt op grond van onherroepelijke volmacht van:

De bewindvoerder:

[de bewindvoerder] Bewindvoerder, mw. [de bewindvoerder] , (…)

in opdracht van:

[hypotheken] Hypotheken N. V. (…)

Voor:

mevrouw [geïntimeerde] (…)

Hierna te noemen “verkoper”

B. Koper

(…) [appellant] (…)

artikel 5 Staat van de onroerende zaak, gebruik

5.1.

De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin

deze zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt met alle daarbij

behorende (…) zichtbare en onzichtbare gebreken (…).

5.3.

De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woning.(…)

artikel 9 Risico-overgang, beschadiging door overmacht

9.1.

De onroerende zaak is met ingang van het moment van tekenen van de akte van levering

voor risico van koper (…).

artikel 10 Ingebrekestelling, ontbinding

10.1.

Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming (…)

10.2.

Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. (…)

10.3.

Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen (…)

artikel 19 Bijzondere Bepalingen

19.1.

Koper is bekend dat gevolmachtigde van de verkoper de woning niet zelf heeft bewoond

en deze derhalve niet kent zoals dat normaal van een eigenaar/verkoper mag worden

verwacht. Aangezien [hypotheken] in haar hoedanigheid van gevolmachtigde geen andere informatie

heeft over de bestemming en het gebruik dan aan koper bekend, staat [hypotheken] er niet voor in dat

het verkochte die eigenschappen bezit die voor het door koper voorgestane gebruik

noodzakelijk zijn. Koper verklaart hiermee bekend te zijn en vrijwaart [hypotheken] en verkoper

voor alle aansprakelijkheden met betrekking tot gebruik, eigenschappen en eventuele

verontreinigingen.

19.2.

De bijzondere omstandigheden welke aan deze transactie ten grondslag liggen, zijn

uitvoerig aan de orde gekomen tussen verkoper, [hypotheken] , de door [hypotheken] ingeschakelde makelaar

en de koper tijdens gevoerde onderhandelingen.

19.3.

Verkoper en [hypotheken] geven geen garanties, met name niet ten aanzien van (de staat van

onderhoud van) de onroerende zaak (…).

19.5.

Koper en verkoper zijn nadrukkelijk overeengekomen dat koper het risico neemt van

o. a. gebreken of verborgen gebreken van de onroerende zaak. Eventuele kosten komen voor

rekening van de koper.”

De koopovereenkomst is zijdens verkoper op 26 januari 2012 door de gevolmachtigde ondertekend en op 7 februari 2012 door de koper, [appellant] .

3.1.6.

[appellant] heeft de woning in december 2011 en januari 2012 bezichtigd en geïnspecteerd. In januari 2012 is hij daarbij vergezeld door een bouwkundige, die omtrent de (op 9 januari 2012) uitgevoerde inspectie onder meer rapporteerde dat “de installaties voldoende” waren, dat de “Warm-/koudwaterinstallatie voldoende” was, dat de conditie van de verwarmingsketel uit 2004 niet te inspecteren was en dat de ketel niet in bedrijf was. Op beide bezoekdata heeft men geen onregelmatigheden aan de woning geconstateerd.

3.1.7.

De levering en sleuteloverdracht van de woning heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012.

3.1.8.

Na de levering en sleuteloverdracht, heeft [appellant] bij het betreden van de woning aanzienlijke waterschade geconstateerd.

3.1.9.

Bij brief van 15 maart 2012 (geadresseerd aan de toenmalige echtgenoot van [geïntimeerde] , [toemalige echtgenoot van geintimeerde] ) heeft [appellant] [geïntimeerde] en [toemalige echtgenoot van geintimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade ontstaan door de kapot gevroren waterleidingen en CV-installatie. [appellant] schreef daarin voorts:

Gevolgschade zijn onder andere: kapotte plafonds, wanden die opengehakt moeten worden t.b.v. uit te voeren reparaties, opstellen schade rapporten en alle verdere kosten die ontstaan door deze gemaakte schade.

Wanneer deze gereed is zal ik u een schaderapport nazenden.

3.1.10.

Bij brief van 22 maart 2012 (wederom geadresseerd aan de toenmalige echtgenoot van [geïntimeerde] , [toemalige echtgenoot van geintimeerde] ) schreef [appellant] :

Geachte Heer/Mevrouw,

Bij deze stuur ik u het schaderapport en de foto’s door de loodgieter gemaakt van de vorstschade (…). Ik verzoek u contact met mij op te nemen over hoe dit verder af te handelen.

3.1.11.

De opstalverzekeraar van [geïntimeerde] heeft een expert ingeschakeld, die in een schaderapport van 18 april 2012 de schade heeft begroot op € 18.273,20. In dit rapport is verder vermeld:

Als gevolg van de wateroverlast is in de keukenruimte, de woonkamer en in de toiletruimte aanzienlijke waterschade ontstaan aan de plafonds en de muren.

De plafonds en de muren zijn door het water geheel aangetast en in de woonkamer is eveneens waterschade ontstaan aan de massief houten vloer. Duidelijk is zichtbaar, dat nagenoeg alle water- en c.v. leidingen op de koppelingen uit elkaar zijn gesprongen en dat de radiatoren zijn gebarsten.

Doordat de water- en c.v. leidingen in de gehele woning in muren zijn weggewerkt is men genoodzaakt om de muren gedeeltelijk open te hakken om de beschadigde leidingen te kunnen vernieuwen.

Vorenstaande dient eveneens in de geheel betegelde badkamer plaats te vinden.

De op de zolderetage geplaatste c.v. ketel (…) blijkt niet meer te functioneren, daar vele onderdelen door het water beschadigd zijn geraakt.

(…) De door ons geconstateerde schade dient toegeschreven aan de vorstperiode in de maand februari 2012, waarbij opgemerkt dient te worden, dat het pand over een langere periode onverwarmd is geweest.

Vorenstaande had voorkomen kunnen worden indien verzekerde het pand tijdens leegstand had verwarmd. (…)

3.1.12.

In opdracht van [appellant] is in de maanden maart, april en mei 2012 de schade aan de woning hersteld door [de loodgieter] , h.o.d.n. [loodgieterij] (hierna: [de loodgieter] ) (en een loodgietersbedrijf). De aldus gemaakte kosten van herstel bedragen in totaal € 13.749,08.

3.1.13.

[geïntimeerde] heeft op 29 mei 2012 [de loodgieter] gemachtigd om haar belangen te behartigen “inzake de claim van een vorstschade (…) bij mijn verzekeringsmaatschappij [verzekeringsmaatschappij] ”. In die machtiging schrijft [geïntimeerde] verder: “Alle handelingen die nodig zijn (…) om deze zaak af te wikkelen mogen door de heer [de loodgieter] worden uitgevoerd.

3.1.14.

Omdat de woning leeg stond ten tijde van het ontstaan van de schade en daarmee niet

voldaan werd aan de verzekeringsvoorwaarden, is de verzekeraar van [geïntimeerde] niet tot uitkering overgegaan.

3.1.15.

Bij aangetekende brief van 18 februari 2014 heeft [appellant] [geïntimeerde] wederom aansprakelijk gesteld voor de opgetreden vorstschade. [geïntimeerde] is voorts verzocht om binnen 30 dagen een bedrag van € 13.800,-- te betalen aan [appellant] . [geïntimeerde] heeft niet voldaan aan deze sommatie, noch aan de nadien door (de gemachtigde van) [appellant] herhaalde sommaties.

3.2.1.

[appellant] heeft [geïntimeerde] op 16 maart 2015 gedagvaard en gevorderd [geïntimeerde] (uitvoerbaar bij voorraad) te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.234,02 (herstelkosten van € 13.749,08 en buitengerechtelijke kosten van € 1.104,11 en wettelijke rente tot 18 februari 2015), te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van

€ 13.749,08 vanaf de dag van dagvaarding en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Tussen de ondertekening van de koopovereenkomst en de akte van transport bij de notaris heeft [geïntimeerde] schade in de woning laten ontstaan. Zij moet die schade vergoeden.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 3 juni 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft op 14 juli 2015 plaatsgevonden. Bij de gedingstukken bevinden zich geen aantekeningen van deze zitting noch een proces-verbaal.

3.3.2.

In het bestreden eindvonnis van 3 februari 2016 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter oordeelde daartoe als volgt.

De brieven van 15 en 22 maart 2012 houden geen sommatie en ingebrekestelling in (3.10). Niet blijkt dat [geïntimeerde] afstand heeft gedaan van de mogelijkheid om zelf de herstelwerkzaamheden uit te (doen) voeren (3.14). [appellant] biedt dit nog wel te bewijzen aan, maar hij specificeert zijn stellingen op dit punt niet nader en doet geen gespecificeerd bewijsaanbod (3.15). Gelet op de omstandigheden waaronder de koopovereenkomst werd gesloten en de bijzondere inhoud van de koopovereenkomst had het op de weg van [appellant] gelegen om [geïntimeerde] schriftelijk in gebreke te stellen en haar een termijn voor nakoming te stellen (3.17). Nu [geïntimeerde] als verkoper niet in verzuim is geraakt, moet de vordering van [appellant] worden afgewezen (3.18).

[appellant] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat aansprakelijkheid van [geïntimeerde] op nog een andere grondslag (onrechtmatige daad) moet worden beoordeeld (3.18).

3.4.1.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] niet in verzuim is komen te verkeren.

Met de tweede grief wordt dit bezwaar herhaald en voorts betoogd dat [geïntimeerde] aansprakelijk is aangezien zij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.

3.4.2.

Samengevat heeft [appellant] het volgende aangevoerd.

In strijd met haar uit artikel 5.1 van de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting heeft [geïntimeerde] de woning niet in dezelfde staat geleverd als waarin de woning verkeerde ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. Daarop aangesproken stemde [geïntimeerde] er mee in dat [appellant] de schade direct zou laten herstellen. De kosten daarvan zou zij door haar verzekeraar laten vergoeden. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is dan geen nadere ingebrekestelling vereist. [geïntimeerde] heeft de mogelijkheid gehad om zelf te herstellen en heeft nooit te kennen gegeven zelf de schade te kunnen en willen herstellen.

Niet de hypotheekhouder [hypotheken] (hierna: [hypotheken] ) maar [geïntimeerde] is partij bij de koopovereenkomst. Daaraan doet niet af dat zij toen in de WSNP zat. En ook indien zij niet als verkoper zou kunnen worden aangemerkt, dan neemt dat niet weg dat zij een belangrijk aandeel in de verkoop en het beheer van de woning had. Zij had de beschikking over de sleutels van de woning en heeft zelf de verwarming uitgezet. Als eigenaar diende zij ervoor te zorgen dat de woning werd geleverd in de overeengekomen staat en dat het verkochte in een extreem koude periode in ieder geval vorstvrij bleef. De in artikel 19 van de koopovereenkomst opgenomen exoneratie ziet niet op een situatie als waarvan hier sprake is en waarin artikel 5.1 van de koopovereenkomst zonder meer van kracht is.

[geïntimeerde] is ook aansprakelijk op de grondslag dat zij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Ook als zij niet in de woning woonachtig was maar wel op de hoogte was van het feit dat de woning middels de bewindvoerder en de hypotheekhouder was verkocht, lag op [geïntimeerde] de verplichting om zich als goed huisvader over de woning te ontfermen. [appellant] was in die periode immers nog niet in het bezit van een sleutel en [geïntimeerde] was de persoon die ervoor kon zorgen dat geen vorstschade zou optreden, aldus [appellant] .

3.4.3.

[geïntimeerde] heeft, samengevat, het volgende betoogd.

[geïntimeerde] is niet aansprakelijk omdat blijkens artikel 19 van de koopovereenkomst partijen zijn overeengekomen dat verkoper wordt gevrijwaard voor enige aansprakelijkheid of kosten in verband met gebreken. Een vermeend gebrek als gevolg van leegstand valt onder de reikwijdte van artikel 19 van de koopovereenkomst. [appellant] was er mee bekend dat de woning leegstond en het daarmee samenhangende risico is bovendien verdisconteerd in de lage koopsom, € 134.100,--. De woning had een executiewaarde van € 200.000,-- en een onderhandse verkoopwaarde van € 225.000,--.

[geïntimeerde] is hoe dan ook niet in verzuim komen te verkeren, omdat zij niet in gebreke is gesteld, terwijl dat wel had gemoeten. [geïntimeerde] heeft geen opdracht tot herstel gegeven en zij is niet in de gelegenheid gesteld om zelf de schade te herstellen. Zij had dat wel willen doen. De kosten waren dan lager geweest. Bovendien lijkt [appellant] meer te hebben vervangen dan nodig was.

[geïntimeerde] beroept zich ook op overmacht, want nadat de bewindvoerder in augustus 2011 de huur had opgezegd (hof: [geïntimeerde] had de woning enige tijd verhuurd aan een derde) zijn de sloten vervangen en waren de sleutels vanaf dat moment in het bezit van de makelaar die de verkoop zou begeleiden. [geïntimeerde] was dus niet in staat de woning te verwarmen. [geïntimeerde] is van augustus 2011 tot 2012 niet meer in de woning geweest. Dat was voor haar onmogelijk nu zij geen sleutels meer had. Zij is er alleen nog geweest nadat de woning aan [appellant] was verkocht en zij de instructie kreeg om bij de makelaar de sleutels op te halen, de woning te ontruimen en de sleutels ’s avonds weer in te leveren, hetgeen zij gedaan heeft.

Niet [geïntimeerde] maar [hypotheken] is de verkoper. [geïntimeerde] , die ten tijde van de verkoop in de WSNP zat, was ex artikel 296 Fw ook niet bevoegd om als verkoper op te treden en zij kon evenmin de woning leveren. [geïntimeerde] hoorde pas van de verkoop nadat de koopovereenkomst was getekend. De bewindvoerder heeft in opdracht van en namens [hypotheken] gehandeld. [geïntimeerde] is dus niet de contractuele wederpartij van [appellant] en kan niet ex artikel 6:74 BW jo. 7:17 BW worden aangesproken.

Zij heeft evenmin onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld. Ten tijde van het ontstaan van de vorstschade was [appellant] nog geen eigenaar van de woning. Niet hij maar juist [geïntimeerde] als eigenaar van de woning werd door de vorstschade benadeeld. Bovendien handelden (de makelaar van) [hypotheken] en de bewindvoerder onrechtmatig, niet [geïntimeerde] . De makelaar van [hypotheken] had het in zijn macht om maatregelen te treffen en de bewindvoerder was ex artikel 316 Fw verplicht om maatregelen ter beheer van de boedel te treffen. [geïntimeerde] was daartoe niet langer (beschikkings)bevoegd gelet op artikel 296 lid 1 sub a en b Fw.

Ten slotte is van belang dat de vorstschade al was ingetreden ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst (7 februari 2012, toen [appellant] de koopovereenkomst tekende), zodat [appellant] de woning geleverd heeft gekregen in de staat waarin de woning zich ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst bevond.

Daarnaast is van belang dat [appellant] gelet op artikel 7:23 lid 1 BW niet tijdig heeft geklaagd, dan wel dat de vordering van [appellant] ingevolge artikel 7:23 lid 2 BW is verjaard, aldus [geïntimeerde] .

3.4.4.

Het hof oordeelt als volgt.

De twee laatstgenoemde verweren van [geïntimeerde] (vorstschade bestond al ten tijde van koopovereenkomst, [appellant] heeft geen vorderingsrecht meer) heeft zij niet eerder dan bij memorie van antwoord gevoerd. [appellant] heeft daarop nog niet kunnen reageren.

3.4.5.

Verder heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen op een aantal punten en wenst het hof kennis te kunnen nemen van een aantal stukken.

3.4.6.

Het hof acht het praktisch en in het belang van een goede procesorde dat in verband met het vorenstaande een comparitie van partijen wordt gehouden. Op die comparitie:

I. zal [appellant] kunnen reageren op de twee hiervoor (rov. 3.4.3, 3.4.4) genoemde, voor het eerst bij memorie van antwoord gevoerde verweren van [geïntimeerde] ;

II. zullen partijen het hof inlichtingen kunnen verschaffen, waarbij in ieder geval aan de orde zal komen:

a. de contacten tussen de bewindvoerder en [geïntimeerde] omtrent de beëindiging van de verhuur van de woning door [geïntimeerde] , het voornemen tot verkoop van de woning en de verkoop zelf;

b. wie wanneer de verwarming in de woning heeft uitgezet;

c. de gang van zaken voorafgaande aan en bij de totstandkoming van de koopovereenkomst (zoals: wie nam het initiatief tot verkoop, wie had met wie daarover contact, wie waren aanwezig bij de ondertekening van de koopovereenkomst);

d. wanneer en op welke wijze was [geïntimeerde] bij de verkoop van de woning aan [appellant] betrokken c.q. raakte zij van die verkoop op de hoogte;

e. de gang van zaken rondom de contacten tussen partijen omtrent de schade, de contacten met de verzekeraar van [geïntimeerde] en de contacten met [de loodgieter] ;

f. welke afspraken hebben partijen met [de loodgieter] gemaakt;

III. zullen partijen kunnen reageren op c.q. zal het hof mogelijk nog vragen stellen naar aanleiding van de volgende, door partijen op voorhand aan het hof en hun wederpartij toe te sturen stukken:

g. de notariële akte waarbij de woning is geleverd;

h. de kennelijk bij de notaris bij (of na) de levering van de woning gemaakte aantekening van de gestelde vorstschade (zie prod. 8 [appellant] );

i. de aantekeningen van de griffier van de zitting van 14 juli 2015;

j. de in de aanhef van de koopovereenkomst genoemde volmacht;

k. correspondentie tussen de bewindvoerder en [geïntimeerde] omtrent de beëindiging van de verhuur van de woning door [geïntimeerde] , het voornemen om de woning te verkopen en de verkoop aan [appellant] ;

l. de brief van de bewindvoerder van 6 oktober 2015, die bij conclusie van dupliek onder randnummer 7 wordt genoemd en aangehaald en die als productie 2 zou zijn overgelegd. De overgelegde productie 2 is echter van een andere inhoud dan zoals aangehaald in voornoemde conclusie;

IV. zal tevens worden onderzocht of partijen geheel of ten dele tot een minnelijke regeling kunnen komen.

Partijen dienen stukken waarop zij ter comparitie een beroep wensen te doen en de door het hof opgevraagde stukken uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris. Daartoe behoren in elk geval de onder III vermelde stukken, waarbij de onder g, h en i genoemde stukken door [appellant] dienen te worden toegezonden en de onder j, k en l genoemde stukken door [geïntimeerde] .

3.5.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon en vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. M.A. Wabeke, raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.4.6 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 22 augustus 2017 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt partijen kopieën van de hiervoor onder 3.4.6 sub III bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, M.A. Wabeke en H.R. Quint en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juli 2017.

griffier rolraadsheer