Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3340

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.213.511_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5573
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4612
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2255
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijke toe-eigening paardenvrachtwagen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.213.511/01

arrest van 25 juli 2017

gewezen in het incident strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening (223 Rv)

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellant] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. W.J. Nomen te Zoetermeer,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. M.J.A. Weda te Castricum,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Castricum,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 november 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 augustus 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (tezamen te noemen: [geintimeerden c.s.] ) als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/294102/HA ZA 15-67)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 1 april 2015 en 30 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie in het incident van [appellant] ;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [geintimeerden c.s.] ;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3. De beoordeling

3.1.

Ook [geïntimeerde 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 31 augustus 2016, alsmede tegen het tussenvonnis van 30 september 2015. Deze zaak, geregistreerd onder zaaknummer 200.213.429/01, staat op de rol van 1 augustus 2017 voor memorie van antwoord.

In het incident

3.2.1.

Bij het bestreden vonnis (in conventie) is de rechtbank, na getuigen te hebben gehoord, tot de slotsom gekomen dat [geïntimeerde 1] er niet in is geslaagd te bewijzen dat medio 2010 tussen haar en [appellant] een overeenkomst tot koop en verkoop van het dressuurpaard [dressuurpaard] tot stand is gekomen op grond waarvan het paard aan [geïntimeerde 1] zou zijn geleverd. De rechtbank heeft [geïntimeerde 1] (onder meer) veroordeeld om het paard en het voor dit paard afgegeven paardenpaspoort binnen 14 dagen na betekening van het vonnis in goede staat, met al wat daartoe behoort, aan [appellant] terug te geven.

Voorts heeft de rechtbank overwogen en beslist dat [appellant] er niet in is geslaagd te bewijzen dat [geïntimeerde 2] zich een aan hem in eigendom toebehorende paardenvrachtwagen op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend. De op die grondslag gebaseerde vordering van [appellant] tot betaling van schadevergoeding ad € 45.283,- heeft de rechtbank afgewezen.

[appellant] heeft het bestreden vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, op 2 september 2016 aan [geïntimeerde 1] doen betekenen (productie 32 van [appellant] ).

3.2.2.

Bij kortgedingvonnis van 14 september 2016 (C/02/320637/KG ZA 16-580, productie 33 van [appellant] ) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingslocatie Breda, [geïntimeerde 1] veroordeeld tot betaling van € 10.000,- per (gedeelte van een) dag dat zij niet voldoet aan de bij het thans bestreden vonnis uitgesproken veroordeling tot teruggave van het paard, met een maximum van € 250.000,- aan te verbeuren dwangsommen in totaal. In rechtsoverweging 3.13 heeft de voorzieningenrechter overwogen: "Vooralsnog bestaan er geen zwaarwegende gronden voor het reeds thans opleggen van de sanctie van lijfsdwang; niet, dan wel onvoldoende is immers gebleken, dat de andere prikkel tot nakoming (dwangsom) geen, dan wel onvoldoende effect zal sorteren."

3.2.3.

Bij deurwaardersexploten van 13 oktober 2016 en 13 april 2017 (productie 35 respectievelijk 36 van [appellant] ) heeft [appellant] [geïntimeerde 1] doen aanzeggen dat aanspraak wordt gemaakt op € 250.000,- aan verbeurde dwangsommen.

3.3.1.

[appellant] vordert in het incident een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat [geïntimeerde 1] wordt bevolen:

a. schriftelijk aan [appellant] mee te delen waar het paard, het paardenpaspoort en de paardenvrachtwagen zich thans bevinden, alsmede ervoor zorg te dragen dat deze zaken gedurende de appelprocedure behoudens zijn voorafgaande schriftelijke toestemming niet van deze locatie worden verwijderd, dan wel:

het ertoe te leiden dat het paard, het paardenpaspoort en de paardenvrachtwagen terugkeren naar de stal waar deze werden gestald dan wel bewaard, te weten HC Den Goubergh te [vestigingsplaats] dan wel een andere door [appellant] aan te wijzen stal, alsmede ervoor zorg te dragen dat deze zaken behoudens de voorafgaande schriftelijke toestemming van [appellant] niet van deze locatie worden verwijderd zo lang de onderhavige appelprocedure voortduurt;

b. de huidige gezondheidssituatie van het paard schriftelijk aan [appellant] mede te delen, genoegzaam onderbouwd aan de hand van verificatoire bescheiden;

c een en ander met machtiging van een nader door [appellant] aan te wijzen gerechtsdeurwaarder om dit arrest in het incident ten uitvoer te doen leggen en [geïntimeerde 1] in gijzeling te stellen indien zij met de voldoening aan de voorgaande veroordelingen in gebreke mocht blijven.

[appellant] voert ter onderbouwing van zijn vorderingen in het incident aan dat [geïntimeerde 1] categorisch, al meer dan acht maanden, weigert te voldoen aan de bij het bestreden vonnis ten gunste van [appellant] uitgesproken veroordeling tot afgifte van het paard en dat ook het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 september 2016 waarbij aan die veroordeling een dwangsom is verbonden van maximaal € 250.000,-, daarin geen verandering heeft gebracht. [geïntimeerde 1] heeft het paard nog immer niet afgegeven. Naarmate de tijd verstrijkt neemt het paard verder in waarde af, omdat het levende have betreft en omdat een dressuurpaard als het onderhavige dagelijks moet worden getraind en regelmatig op wedstrijden moet uitkomen. [appellant] vreest dat [geintimeerden c.s.] het paard naar een onbekende locatie in binnen- of buitenland zullen vervoeren of verkopen, als dat niet al is gebeurd. Om te voorkomen dat [appellant] slechts een vordering tot vervangende schadevergoeding zal resteren, heeft [appellant] er recht en belang bij, zo voert hij aan, informatie te verkrijgen omtrent de huidige verblijfplaats en de gezondheidssituatie van het paard.

3.3.2.

[geintimeerden c.s.] voeren verweer tegen toewijzing van de vorderingen in het incident. Op dat verweer zal in het hiernavolgende voor zover nodig zal worden ingegaan.

3.4.

Voor toewijzing van een voorlopige voorziening gedurende de duur van het geding is nodig dat het gaat om een vordering die samenhangt met de hoofdvordering (artikel 223 lid 2 Rv). Het karakter van de voorziening brengt voorts met zich dat de eiser in het incident een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak moet afwachten. Bij een beslissing op de vordering dient het belang van de eiser bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van de verweerder om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval (waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van het geding en het eventuele restitutierisico), worden betrokken.

3.5.

De vorderingen in het incident moeten in ieder geval worden afgewezen voor zover die zien op de paardenvrachtwagen. In dit incident moet in beginsel worden uitgegaan van de oordelen en vaststellingen door de rechtbank in het bestreden vonnis. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen en beslist dat [appellant] niet heeft aangetoond dat [geintimeerden c.s.] de paardenvrachtwagen zich op onrechtmatige wijze hebben toegeëigend en dat de desbetreffende vordering van [appellant] daarom niet toewijsbaar is. Dit oordeel heeft in dit incident als uitgangspunt te gelden. Dat zou slechts anders zijn indien het bestreden vonnis een evidente, direct duidelijke en redelijkerwijs niet voor discussie vatbare - juridische of feitelijke misslag zou bevatten waardoor tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, is echter gesteld noch gebleken. Ook is het hof niet gebleken van nieuwe, na het bestreden vonnis voorgevallen omstandigheden waarmee de rechtbank bij het wijzen van het bestreden vonnis nog geen rekening kon houden en die nopen tot een voorlopige voorziening als door [appellant] ten aanzien van de paardenvrachtwagen gevorderd.

3.6.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] toegewezen voor zover die ertoe strekt het paard en het paardenpaspoort aan hem terug te geven. In het door [appellant] ingestelde hoger beroep liggen deze vorderingen met betrekking tot het paard en het paspoort niet ter beoordeling door het hof voor. Bij appeldagvaarding heeft [appellant] zijn vordering (met betrekking tot het paard) ook niet gewijzigd, voor zover dat al voor de hand zou liggen. Gelet daarop hangt de door [appellant] met betrekking tot het paard gevraagde voorlopige voorziening naar het oordeel van het hof niet samen met de hoofdvordering zoals die thans aan het hof voorligt. De enkele mededeling van [appellant] (punt 14 van zijn memorie in het incident) dat hij mogelijk zijn eis zal gaan wijzigen indien mocht blijken dat [geïntimeerde 1] niet meer in staat is om aan de veroordeling tot teruggave van het paard en het paardenpaspoort te voldoen, is onvoldoende om thans de op grond van artikel 223 Rv voor toewijzing van een voorlopige voorziening noodzakelijke samenhang tussen de voorlopige voorziening en de hoofdvordering aan te kunnen nemen. Het desbetreffende verweer van [geintimeerden c.s.] slaagt.

3.7.

Gelet op het voorgaande moet de vordering in het incident worden afgewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3.8.

[geintimeerden c.s.] hebben nog gesteld (punt 16 e.v. van hun antwoordmemorie) dat ten aanzien van [appellant] de wettelijke schuldsanering is uitgesproken. [appellant] heeft op deze stelling niet meer kunnen reageren. [geintimeerden c.s.] hebben aan hun stelling geen (procedurele) consequenties verbonden. Het hof gaat daarom aan die stelling voorbij.

In de hoofdzaak

3.9.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van grieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het incident aan de zijde van [geintimeerden c.s.] gevallen en begroot op € 1.158,- ter zake van salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 29 augustus 2017 voor memorie van grieven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juli 2017.

griffier rolraadsheer