Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
15/01448 tot en met 15/01452, 16/03356 en 16/03357
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7596, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2623, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:298
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oldtimervrijstelling. Artikel 72, lid 1, onderdeel b, Wet MRB. Belanghebbende heeft in 2011 twee personenauto’s gekocht, met een datum eerste toelating uit het jaar 1978 respectievelijk 1986. De personenauto’s rijden op diesel. Onder het destijds geldende wettelijke regime bestond voor motorrijtuigen van 25 jaar of ouder recht op vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting. Met ingang van 1 januari 2014 is het wettelijke regime gewijzigd in die zin dat de vrijstelling voor oldtimers is beperkt tot motorrijtuigen die 40 jaar of ouder zijn. De in 2011 door de inspecteur gegeven vrijstellingsbeschikkingen “Motorrijtuigenbelasting Vrijstelling 25 jaar en ouder” hebben van rechtswege hun werking verloren met ingang van de wijziging van het wettelijke regime. De vrijstelling hoeft niet te worden ingetrokken. Van een in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen is geen sprake. Het beëindigen van de vrijstelling als gevolg van de wijziging van het wettelijke regime vormt geen inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2026
Viditax (FutD), 30-08-2017
FutD 2017-2182
Viditax (FutD), 02-03-2018
NTFR 2017/2288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01448 tot en met 15/01452, 16/03356 en 16/03357

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 november 2015 en 26 april 2016, nummers BRE 14/4186, 15/615, 15/616, 15/1353, 15/1354, 15/6495 en 15/6496, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde voldoeningen op aangifte.

1 Ontstaan en loop van het geding

15/01448 tot en met 15/01452

1.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 17 maart 2014, 17 juni 2014, 19 september 2014, 28 maart 2014 en 30 juni 2014 de volgende rekeningen motorrijtuigenbelasting (MRB) naar belanghebbende gestuurd:

Tijdvak:

Kenteken:

Belastingbedrag:

18 maart 2014 – 17 juni 2014

[kenteken 1]

€ 331

18 juni 2014 – 17 september 2014

[kenteken 1]

€ 331

18 september 2014 – 17 december 2014

[kenteken 1]

€ 331

27 maart 2014 – 26 juni 2014

[kenteken 2]

€ 331

27 juni 2014 – 26 september 2014

[kenteken 2]

€ 331

1.2.

Belanghebbende heeft de bedragen van telkens € 331 op respectievelijk 24 maart 2014, 24 juni 2014, 2 oktober 2014, 15 april 2014 en 7 juli 2014 voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bij brieven van respectievelijk 6 april 2014, 7 juli 2014, 5 oktober 2014, 13 april 2014 en 7 juli 2014 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken van respectievelijk 2 juni 2014, 20 maart 2015, 9 februari 2015, 9 februari 2015 en 20 maart 2015 de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank in alle vijf zaken van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 39,75 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 225 aan deze vergoedt.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

16/03356 en 16/03357

1.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 19 juni 2015 en 29 juni 2015 de volgende rekeningen MRB naar belanghebbende gestuurd:

Tijdvak:

Kenteken:

Belastingbedrag:

18 juni 2015 – 17 september 2015

[kenteken 1]

€ 333

27 juni 2015 – 26 september 2015

[kenteken 2]

€ 333

1.6.

Belanghebbende heeft de bedragen van telkens € 333 op respectievelijk 20 juli 2015 en 27 juli 2015 voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bij brieven van respectievelijk 20 juli 2015 en 27 juli 2015 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken van respectievelijk 21 september 2015 en 25 september 2015 de bezwaren afgewezen.

1.7.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank in beide zaken van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 39 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 90 aan deze vergoedt.

1.8.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Alle zaken

1.9.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.

De zitting heeft plaatsgehad op 6 juli 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, ter bijstand vergezeld van de heer [A] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] .

1.11.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.12.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.13.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is volgens het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens (hierna: het kentekenregister) sinds 29 november 2011 houder van de personenauto van het merk en type [automerk 1] met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de [automerk 1] ). De datum van eerste toelating van dit motorrijtuig is 25 april 1986. Deze auto rijdt op diesel.

2.2.

Belanghebbende is volgens het kentekenregister sinds 29 november 2011 eveneens houder van de personenauto van het merk en type [automerk 2] met het kenteken [kenteken 2] (hierna: de [automerk 2] ). De datum van eerste toelating van dit motorrijtuig is 11 oktober 1978. Deze auto rijdt op diesel.

2.3.

Met dagtekening 16 december 2011 zijn aan belanghebbende ter zake van de [automerk 1] en de [automerk 2] vrijstellingsbeschikkingen “Motorrijtuigenbelasting Vrijstelling 25 jaar en ouder” verzonden (hierna: de mededelingen van 2011). Op beide beschikkingen staat, voor zover van belang, vermeld:

“Uit de gegevens van het kentekenregister maak ik op dat het bovengenoemde motorrijtuig 25 jaar of ouder is. Dit betekent dat u voor dat voertuig geen motorrijtuigenbelasting meer hoeft te betalen. Met ingang van 29 november 2011 verleen ik u daarom vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting.”

2.4.

De Inspecteur heeft bij brieven van 3 december 2013 aan belanghebbende medegedeeld dat, onder voorbehoud van goedkeuring door de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de vrijstelling MRB voor oldtimers zal worden gewijzigd in die zin dat de oldtimervrijstelling alleen nog zal gelden voor motorrijtuigen die voor het eerst in gebruik zijn genomen op of voor 1 januari 1974. Daarbij heeft de Inspecteur opgemerkt dat belanghebbende per 1 januari 2014 voor de [automerk 1] en de [automerk 2] weer MRB zal zijn verschuldigd, aangezien deze auto’s niet aan vorenbedoelde voorwaarde voldeden.

2.5.

Op 17 december 2013 heeft de Eerste Kamer der Staten-Generaal ingestemd met een wetswijziging per 1 januari 2014 betreffende de vrijstelling voor oldtimers.

2.6.

Belanghebbende heeft een taxatierapport van de heer [C] , verbonden aan [D] , van 31 mei 2016 overgelegd. In dat rapport is de vervangingswaarde van de [automerk 1] gesteld op € 1.000 inclusief BTW. Voorts is in dat rapport het volgende vermeld:

“Waardedaling oudere diesels in het algemeen doordat er geen overgangsregeling is voor dieselvoertuigen, in 2012 had dit voertuig een vervangingswaarde van € 9.500,-”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft belanghebbende ondanks de wetswijziging met ingang van 1 januari 2014 recht op een vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting omdat de vrijstellingsbeschikkingen niet zijn ingetrokken?

2. Vormt de wetswijziging met ingang van 1 januari 2014 een inbreuk op het ongestoorde genot van het eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP)?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, tot gegrondverklaring van de beroepen, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot teruggaaf van de op aangifte voldane motorrijtuigenbelasting. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) wordt onder de naam motorrijtuigenbelasting een belasting geheven ter zake van het houden van motorrijtuigen, waaronder personenauto’s. Tot en met 31 december 2013 gold een vrijstelling voor motorrijtuigen ouder dan 30 jaar met een overgangsregeling voor motorrijtuigen ouder dan 25 jaar (artikel 72, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid van de Wet MRB) en was belanghebbende voor de onderhavige personenauto’s geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Met ingang van 1 januari 2014 is artikel 72, eerste lid, onderdeel b van de Wet MRB gewijzigd en is de leeftijdsgrens van motorrijtuigen voor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verhoogd naar 40 jaar. Bij brief van 3 december 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende op de hoogte gesteld van voormelde voorgestelde wetswijziging.

Ten aanzien van de eerste vraag

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het per 1 januari 2014 gewijzigde artikel 72, eerste lid, onderdeel b van de Wet MRB, belanghebbende motorrijtuigenbelasting verschuldigd is voor de [automerk 1] en de [automerk 2] . Belanghebbende stelt echter dat de mededelingen van 2011 nimmer zijn ingetrokken en dat wetswijziging niet betekent dat die mededelingen hun werking hebben verloren.

4.3.

Sedert 1 januari 2007 bepaalt de Wet MRB niet langer dat de oldtimervrijstelling na een daartoe gedaan verzoek bij beschikking van de inspecteur van toepassing is. De vrijstelling geldt sindsdien van rechtswege wanneer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan. Dit betekent dat de mededelingen van 2011 van informatieve aard zijn en niet kunnen worden aangemerkt als krachtens de wettelijke bepalingen gegeven beschikkingen gericht zijn op een zelfstandig rechtsgevolg. Op grond hiervan faalt de stelling van belanghebbende (vgl. Hoge Raad 23 december 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL:HR:2016:2829). Dat in artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit MRB) is bepaald dat de vrijstelling ‘wordt verleend’, leidt evenmin tot die conclusie.

4.4.

Daarbij wordt opgemerkt dat belanghebbende aan de mededelingen van 2011 niet het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de oldtimervrijstelling ook na 1 januari 2014 voor de motorrijtuigen van toepassing zou blijven. De inhoud van die mededelingen laat geen andere conclusie toe dan dat deze niet meer was dan een weergave van de toentertijd geldende wettelijke bepalingen met betrekking tot de oldtimervrijstelling. Uit die inhoud kon bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk zijn ontstaan dat de oldtimervrijstelling voor de motorrijtuigen zou blijven gelden wanneer de wettelijke bepalingen zo zouden worden gewijzigd dat die vrijstelling niet langer van toepassing zou zijn (vgl. Hoge Raad 23 december 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL:HR:2016:2829).

4.5.

De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hetgeen is bepaald in artikel 27 van het Uitvoeringsbesluit MRB voor het verlenen van vrijstellingen en het intrekken daarvan niet van toepassing is op de oldtimervrijstelling als bedoeld in artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit MRB. Artikel 27 is slechts van toepassing op de in het eerste lid van dat artikel genoemde bepalingen. Nu de oldtimervrijstelling van rechtswege wordt verleend, wordt deze ook van rechtswege beëindigd indien niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. De vrijstelling hoeft niet te worden ingetrokken. Het beroep van belanghebbende op deze bepalingen en de door haar daaraan gegeven uitleg kan haar derhalve niet baten. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.6.

De eerste vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede vraag

4.7.

Het is vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) dat belastingheffing is te beschouwen als aantasting van het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dat artikel houdt in, aldus vaste jurisprudentie van het EHRM, dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn (‘lawfulness’) en een legitiem doel van algemeen belang (‘legitimate aim’) moet dienen. Bij de keuze van de middelen om het algemene belang te dienen, komt aan de wetgever een zeer ruime beoordelingsmarge toe (‘an exceptionally wide margin of appreciation’). Verder vereist het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar dient te zijn in de uitoefening en aldus een waarborg biedt tegen willekeur (‘arbitrariness’). De vereisten van precisie en voorzienbaarheid brengen mee dat een wet zodanig duidelijk is dat de burger redelijkerwijs in staat is om de daaruit voortvloeiende gevolgen van zijn handelen te voorzien, zodat hij zijn gedrag op de wet kan afstemmen. Ten slotte brengt de door artikel 1 van het Eerste Protocol beoogde bescherming mee dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist dat een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten, en dat betrokkenen als gevolg daarvan niet worden getroffen met een individuele en buitensporige last. Dit houdt in dat burgers niet in redelijkheid erop mogen vertrouwen dat wettelijk geregelde aanspraken op belastingvrijstellingen ongewijzigd zullen blijven voortbestaan (HR 23 december 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL.HR:2016:2829).

4.8.

De Rechtbank heeft hieromtrent in het beroep met de nummers 14/4186, 15/615, 15/616, 15/1353 en 15/1354 het volgende geoordeeld:

“2.16. De wetgever heeft geconstateerd dat zowel het aantal als het gebruik van oldtimers substantieel is toegenomen (groei van 40% in vijf jaar). Die groei betreft vooral jonge oldtimers waarmee relatief veel kilometers worden gereden, hetgeen er op wijst dat veel van deze auto’s ook voor dagelijks gebruik worden aangewend. Om zowel budgettaire als milieuoverwegingen heeft de wetgever daarom gekozen voor een aanscherping van de wettelijke eisen, waarbij de regeling nog slechts van toepassing is op motorrijtuigen die 40 jaar of ouder zijn. Evenals het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 17 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1378 heeft beslist, is de rechtbank van oordeel dat de wetgever hiermee een legitiem doel nastreeft en dat deze keuze – mede in het licht van de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt – niet evident van redelijke grond is ontbloot.

2.17.

De wijziging van het vrijstellingsregime voor oldtimers is neergelegd in de wettelijke regeling zoals deze met ingang van 1 januari 2014 luidt. Ook overigens wordt – naar het oordeel van de rechtbank – voldaan aan de vereisten van ‘lawfullnes’.

2.18.

Voor de vraag of de wetgever de zogenoemde ‘fair balance’ heeft overschreden, in die zin dat voor belanghebbende sprake is van een buitensporige last, overweegt de rechtbank als volgt. De reguliere heffing van motorrijtuigenbelasting, die evenzeer geldt voor andere motorrijtuigen, kan niet worden aangemerkt als een buitensporige last. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, heeft geoordeeld, brengt het enkele feit dat een auto als gevolg van de hogere motorrijtuigenbelasting in waarde is gedaald, in zijn algemeenheid niet mee, ook niet in samenhang met de verschuldigde belasting, dat sprake is van een met artikel 1 EP strijdige buitensporige last. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kostenstijging en waardedaling in haar geval sterker is dan in het algemeen.

2.19.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van artikel 1 EP. Gelet hierop zijn de beroepen ongegrond verklaard.”

In de uitspraak op het beroep met de nummers 15/6495 en 15/6496 is de Rechtbank in bewoordingen van gelijke strekking tot hetzelfde oordeel gekomen. Voorts heeft de Rechtbank in deze uitspraak overwogen dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende over meer auto’s in deze categorie beschikt, niet aan haar oordeel afdoet.

4.9.

Voor zover belanghebbende verwijst naar hetgeen in beroep is aangevoerd, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende nog aangevoerd dat de wetgever met het beperken van de overgangsregeling tot benzine-auto’s een onterecht onderscheid heeft gemaakt, dat in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het Hof stelt vast dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich niet richten tot de wetgever en ook anderszins niet is gebleken dat de Inspecteur deze beginselen heeft geschonden door de overgangsregeling niet tevens toe te passen op de dieselauto’s van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof past het gemaakte onderscheid naar brandstofsoort in de overgangsregeling ook overigens binnen het kader van de beoordelingsvrijheid van de wetgever zoals omschreven onder punt 4.8.

De door belanghebbende in hoger beroep met een taxatierapport nader onderbouwde stelling dat met het vervallen van de oldtimervrijstelling de kosten van het gebruik van oldtimers zijn gestegen en de waarde enorm is gedaald werpt tenslotte geen ander licht op het vorenstaande.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn en dat de uitspraken van de Rechtbank dienen te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart de hoger beroepen ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 20 juli 2017 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M.H.P. Groenland, in tegenwoordigheid van S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.