Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3303

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
200.197.340_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.197.340/01

zaaknummer rechtbank : C/01/302915 / FA RK 15-7126

beschikking van de meervoudige kamer van 13 juli 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G. Hagens te Berghem, gemeente Oss,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.A.H.M. Albrecht te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 5 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De man heeft op 20 oktober 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof is voorts op 23 mei 2017 ingekomen een journaalbericht van de zijde van de man van 22 mei 2017 met bijlagen.

2.3.1.

Het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 mei 2017 met bijlagen is ingekomen op 29 mei 2017, derhalve buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

De advocaat van de man heeft tegen het over leggen van die stukken bezwaar gemaakt, ook omdat productie 5 onleesbaar zou zijn.

Het hof heeft beslist dat productie 4 niet wordt toegelaten, nu deze stukken niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn. De vrouw wordt hierdoor bovendien niet in haar belangen geschaad, omdat haar advocaat ter zitting heeft verklaard dat productie 4 bij nader inzien niet relevant is.

Vanwege de slechte leesbaarheid van productie 5 is ter zitting afgesproken dat de advocaat van de vrouw de desbetreffende stukken na de zitting opnieuw, maar dan in meer leesbare vorm aan het hof zal doen toekomen.

Gelet op het feit dat de overige producties (6, 7 en 8) kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 6 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 juni 2017 met bijlagen, ingekomen op 12 juni 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 13 juni 2017 met bijlage, ingekomen op 14 juni 2017.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 29 juni 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Partijen zijn de ouders van twee (thans meerderjarige) kinderen:

- [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (hierna: [jongmeerderjarige 1] ),

- [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (hierna: [jongmeerderjarige 2] ).

3.4.

Bij beschikking van 2 maart 2011 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch bepaald dat de man met ingang van 29 juni 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de (toen nog minderjarige) kinderen zal voldoen een bedrag van € 350,- per kind per maand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen.

3.5.

Bij beschikking van 18 december 2015 heeft de rechtbank met wijziging in zoverre van de onder 3.4. vermelde beschikking van 2 maart 2011 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor [jongmeerderjarige 1] bepaald op € 100,- per maand met ingang van 11 juni 2015 en voor [jongmeerderjarige 2] op € 415,26 per maand met ingang van 17 december 2015 (het hof begrijpt: 18 december 2015, zijnde de datum van de beschikking).

4 De omvang van het geschil

4.1.

In geschil is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man gehouden is om bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van € 750,- per maand afgewezen.

4.3.

De grieven van de vrouw zien op het oordeel van de rechtbank dat zich geen wijzigingsgrond in de zin van artikel 1:401 lid 1 dan wel lid 4 van het Burgerlijk Wetboek voordoet, nu de vrouw nog steeds hetzelfde inkomen verwerft als in 2011.

De vrouw verzoekt de beslissing van de rechtbank te vernietigen en vast te stellen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud moet betalen een bedrag van € 469,- per maand met ingang van 22 december 2015, zijnde de datum van de indiening van het inleidend verzoekschrift bij de rechtbank, dan wel met ingang van een datum die het hof redelijk acht.

4.4.

De man heeft zich verweerd en heeft verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De vrouw heeft wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 2 maart 2011 verzocht voor zover het betreft de afwijzing van haar verzoek om partneralimentatie, omdat die beschikking in verband met gewijzigde omstandigheden (de vrouw ontvangt minder kinderalimentatie, geen kinderbijslag en geen kindgebonden budget meer) niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven; de vrouw ontvangt alleen nog een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [jongmeerderjarige 2] ten bedrage van € 420,- per maand. Door het wegvallen van de hiervoor vermelde inkomsten drukken de vaste lasten zwaarder op het arbeidsinkomen van de vrouw. Daar komt bij dat destijds een lagere partneralimentatie is afgesproken, omdat de kinderalimentatie naar boven is bijgesteld (grief 1).

De vrouw stelt voorts (grief 2) dat de echtscheidingsbeschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan omdat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw destijds te hoog is vastgesteld.

5.2.

De man brengt daar het volgende tegenin. Er is geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, nu de gestelde vervallen inkomsten van de vrouw niet strekken tot de leniging van de kosten van haar levensonderhoud, maar van de kosten van de minderjarige te haren laste komende kinderen. De man draagt bovendien nog steeds bij in de kosten van die kinderen.

De man betwist voorts dat de echtscheidingsbeschikking van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. De rechtbank is destijds niet van onjuiste of onvolledige gegevens uitgegaan, maar heeft gerekend met het door de man gestelde en door de vrouw niet bestreden netto besteedbaar inkomen. De vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking, zodat het haar niet vrij staat om tegen de vaststelling door de rechtbank van dat inkomen thans in hoger beroep op te komen.

5.3.

Het hof overweegt als volgt.

5.3.1.

Het hof ziet aanleiding eerst grief 2 te bespreken.

5.3.2.

Ingevolge artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De omstandigheid dat tegen de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht een rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan, is geen beletsel voor wijziging of intrekking (HR 15 november 1996, NJ 1997, 450 en HR 28 mei 2004, NJ 2004, 475), zodat het verweer van de man in zoverre niet opgaat.

Het hof dient daarom te beoordelen of de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 2 maart 2011 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is. Het hof overweegt daartoe dat de rechtbank in die beschikking rekening heeft gehouden met een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.498,94 per maand, terwijl - naar stellen van de vrouw

hetgeen de man niet heeft weersproken - haar netto besteedbaar inkomen op basis van een bruto jaarloon van € 16.000,- € 1.205,- per maand bedroeg. Grief 2 slaagt derhalve.

5.3.3.

Het hof ziet geen aanleiding om van een andere ingangsdatum van een eventueel vast te stellen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw uit te gaan dan de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het inleidend verzoekschrift van de vrouw bij de rechtbank is ingediend, derhalve 1 januari 2016. Met ingang van deze datum kon de man er redelijkerwijs gesproken rekening mee houden dat hij een partnerbijdrage aan de vrouw zou moeten gaan betalen.

Dat - naar stellen van de man in het verweerschrift in eerste aanleg - het inleidende verzoekschrift zonder enige (voor)aankondiging is ingediend maakt het oordeel van het hof niet anders.

Behoefte vrouw

5.3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw (afgerond) € 1.465,- netto per maand bedraagt.

Behoeftigheid vrouw

5.3.5.

De vrouw stelt dat zij niet geheel in die behoefte kan voorzien. Zij heeft een vast contract bij [supermarkt] en zij wil de zekerheid van een vast contract niet opgeven ten behoeve van een andere, waarschijnlijk slechts tijdelijke, baan. Bovendien is de kans klein dat zij, gelet op haar leeftijd, werkervaring en opleiding, snel een andere baan vindt. Daarnaast wordt de vrouw in haar huidige baan qua werktijden flexibel ingepland, zodat het niet eenvoudig is naast haar huidige werk ander werk te vinden dat daarbij aansluit. Voorts is het voor de vrouw niet mogelijk om bij [supermarkt] meer uren te gaan werken, omdat [supermarkt] vanwege de loonkosten de voorkeur geeft aan jeugdig personeel.

De man betwist de stellingen van de vrouw en voert aan dat de vrouw haar parttime werk kan uitbreiden, althans dat zij heeft nagelaten serieuze pogingen te ondernemen om meer inkomen te genereren dan zij thans doet.

5.3.6.

Het hof overweegt als volgt.

De vrouw heeft de volgende inkomsten:

- een belastbaar loon van € 16.972,-, blijkens de jaaropgaaf 2016.

Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Op grond van het voorgaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw vast op een bedrag van € 1.278,- netto per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte berekening I.

De vrouw komt derhalve een bedrag van € 187,- netto per maand ofwel bruto € 336,- per maand tekort om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte berekening II.

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet over voldoende inkomsten beschikt om in haar levensonderhoud te voorzien, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

Gezien de leeftijd van de vrouw (thans 45 jaar), haar opleidingsniveau, de situatie op de arbeidsmarkt, haar werkervaring en de omstandigheid dat zij niet meer de zorg heeft over de kinderen van partijen, is het hof van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht zich in redelijkheid meer inkomsten te kunnen verwerven om althans gedeeltelijk te voorzien in haar aanvullende behoefte. De vrouw kan geacht worden in staat te zijn de helft van voormeld tekort, zijnde een bedrag van € 168,- bruto per maand, zelf aan te vullen. Van de vrouw kan naar het oordeel van het hof op dit moment, gegeven de hiervoor onder r.o. 5.3.5 geschetste omstandigheden niet worden gevergd dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet.

Er resteert aldus een aanvullende behoefte van de vrouw van € 168,- bruto per maand, waarin de man naar draagkracht dient te voorzien.

Draagkracht van de man

5.3.7.

De man stelt in eerste aanleg dat zijn draagkracht niet toereikend is om de verzochte partneralimentatie te betalen. De vrouw betwist dit. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof deze stelling van de man te beoordelen.

5.3.8.

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens.

De man heeft de volgende inkomsten:

- een belastbaar loon van € 43.502,- blijkens de jaaropgaaf 2016 (van werkgever [werkgever 1] ) en een belastbaar loon van € 4.537,- blijkens de jaaropgaaf 2016 (van werkgever [werkgever 2] Transport BV).

Bij het berekenen van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.3.9.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

5.3.10.

De (onbetwiste) woonlasten van de man bedragen per maand:

- € 666,- aan hypotheekrente;

- € 91,- aan aflossing/premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten.

5.3.11.

De overige (onbetwiste) lasten van de man bedragen per maand:

- € 105,- aan ziektekosten:

- € 105,71 premie basisverzekering ZVW,

- € 6,36 premie aanvullende verzekering,

- € 32,- eigen risico,

minus € 39,-, zijnde het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

- € 68,44 en € 28,59 aan maandelijkse bijdragen aan de Vereniging van Eigenaren;

- € 5,91 aan premie uitvaartverzekering;

- € 27,61 en € 33,80 aan premies woonverzekeringen.

5.3.12.

Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schuld stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen.

5.3.13.

De man voert een maandlast op van € 55,- per maand voor de schuld aan [financial services] Financial Services van € 2.310,-. De schuld is aangegaan ten behoeve van de aankoop van een fiets voor het woon-werkverkeer.

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het in aanmerking nemen van de aflossing op deze schuld.

Het hof is van oordeel dat het jegens de vrouw in dit geval onredelijk is om met deze last rekening te houden omdat de noodzaak voor het aangaan van deze schuld, gelet op de middelen die de man had om in zijn levensonderhoud te voorzien, onvoldoende aannemelijk is geworden.

5.3.14.

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

5.3.15.

Ten laste van de draagkracht van de man komt voorts:

- het aandeel dat de man levert, inclusief de zorg, in de kosten van [jongmeerderjarige 2] van € 420,56.

5.3.16.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man de draagkracht voor een partneralimentatie van € 427,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte berekening III.

Nu de aanvullende behoefte van de vrouw € 168,- per maand bedraagt, wordt de door de man te betalen partnerbijdrage tot dit bedrag beperkt.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juni 2016 behoudens de beslissing over de proceskosten,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 maart 2011 voor zover daarbij het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage vast te stellen is afgewezen en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2016 als uitkering tot haar levensonderhoud een bedrag van € 168,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans - Wijn, C.N.M. Antens en

P.M.M. Mostermans en is op 13 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.