Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3300

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
200.214.328_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 13 juli 2017

Zaaknummer : 200.214.328/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/324999 / JE RK 16-2344

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.T.A.G. Keller,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

de gecertificeerde instelling,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de heer [pleegvader] en mevrouw [pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders).

Als informant wordt aangemerkt:

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 februari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 april 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, het inleidend verzoek van de GI af te wijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing met onmiddellijke ingang te beëindigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 mei 2017, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Keller;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de pleegouders.

Het hof heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan mevrouw [begeleidster van de moeder] , werkzaam bij Amarant en begeleidster van de moeder. De vader en de raad zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen [minderjarige] ) geboren.

Ten tijde van de geboorte van [minderjarige] was de relatie tussen de ouders reeds verbroken.

De moeder is alleen belast met het gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] staat sinds 20 januari 2015 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 20 juli 2017.

3.3.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 16 juli 2015 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. Zij verblijft thans bij de pleegouders.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging verlengd met ingang van 20 februari 2017 tot uiterlijk 20 juli 2017.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan.

De rechtbank overweegt ten onrechte dat vaststaat dat [minderjarige] in haar vroege ontwikkeling veel onveiligheid heeft ervaren en dat haar ontwikkeling daardoor is verstoord. De moeder heeft vanaf de geboorte van [minderjarige] steeds naar eer en geweten invulling gegeven aan de zorg voor [minderjarige] en haar nimmer blootgesteld aan onveilige situaties. Het belang van [minderjarige] heeft bij de moeder altijd voorop gestaan. [minderjarige] is nimmer iets tekort gekomen en zij heeft altijd liefde, rust, regelmaat en structuur gekend.

De rechtbank overweegt verder ten onrechte dat, hoewel de moeder heeft aangegeven dat zij openstaat voor alle benodigde hulpverlening bij een thuisplaatsing van [minderjarige] , iedere vorm van hulpverlening bij de moeder thuis onvoldoende zal zijn om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Een dergelijke conclusie kan zonder nader onderzoek niet worden getrokken. Het onderzoek dat door Kompaan en De Bocht is verricht aan de hand van het Pedagogisch Beslis-Model voor pleegkinderen (hierna: PBM) is op los zand gebaseerd. In eerste instantie werd tijdens dit traject gezien dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] goed is, maar vervolgens heeft het traject te lang geduurd, hetgeen zijn weerslag op de moeder en [minderjarige] heeft gehad. Ook de rechtbank heeft kritische opmerkingen geplaatst bij het rapport van

dr. [deskundige 1] en haar conclusies.

De aanleiding voor de uithuisplaatsing was dat de moeder ineens geen woonruimte meer had, maar de moeder heeft het gevoel dat er steeds argumenten bij komen.

De situatie van de moeder was ten tijde van de indiening van het beroepschrift al ruim anderhalf jaar stabiel en zij beschikt inmiddels over woonruimte. Ook beschikt zij over voldoende vaardigheden om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen, al dan niet met (intensieve) hulpverlening in de thuissituatie. Het kan niet zo zijn dat fouten van de GI en het achterhouden van informatie ertoe moeten leiden dat moeder en dochter permanent van elkaar gescheiden zullen leven. Indien dit wel het geval zou zijn, zal dit onvermijdelijk leiden tot verbreking van de gezagsrelatie. De moeder heeft zonder meer ook oog voor de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] met de pleegouders, maar zij is van mening dat deze niet in de weg hoeft te staan aan een thuisplaatsing, temeer niet nu de moeder er zeker van is dat [minderjarige] zich ook aan de moeder heeft gehecht. [minderjarige] zou tijdens de weekenden in het pleeggezin kunnen verblijven.

De rechtbank overweegt ten onrechte dat de verzochte verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het uitgangspunt dient te zijn dat een kind bij de ouder(s) opgroeit en een uithuisplaatsing behoort een ultimum remedium te zijn. Dit vloeit rechtstreeks voort uit het IVRK. Zelfs na de lange periode van uithuisplaatsing, is de situatie van de moeder meer dan goed genoeg om [minderjarige] thuis te plaatsen.

De moeder is van mening dat het verlengde traject voor [minderjarige] en haar te lang heeft geduurd, en zij meent dat dit aan Kompaan en De Bocht te verwijten valt. Zij voelt zich in een “schoonheidswedstrijd” gedrongen met de pleegouders, die zij nooit kan winnen. Zij heeft het gevoel dat zij altijd wordt teruggefloten en dat het niet uitmaakt wat zij doet, hetgeen de haar erg onzeker maakt. Tijdens de bezoekmomenten wordt overal heel erg op gelet. Laatst maakte de moeder tijdens een bezoekmoment een foto van [minderjarige] , waarna de moeder van de begeleidster teruggekoppeld kreeg dat zij geen foto’s moest maken omdat [minderjarige] daar last van had en dat de moeder hiermee niet aansloot bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft. De moeder nam zich voor om hier de volgende keer op te letten. Bij het volgende bezoekmoment kwam [minderjarige] echter naar de moeder toe met de vraag of de moeder een foto wilde maken, waarop dezelfde begeleidster vroeg: “zal ik een foto maken”.

De rechtbank heeft enerzijds zeer kritische kanttekeningen geplaatst bij de werkwijze in het TOS-rapport en het feit dat bijvoorbeeld geen objectieve meting van de interacties tussen [minderjarige] en de pleegouders heeft plaatsgevonden en dat de pleegouders zelf in vragenlijsten alles mogen aangeven, doch anderzijds heeft de kinderrechter in haar beslissing nadrukkelijk het door de pleegouders beschreven gedrag van [minderjarige] na afloop van de bezoeken met de moeder laten meewegen. Aldus lijdt de beslissing van de rechtbank aan innerlijke tegenstrijdigheid.

De moeder concludeert dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk is en dat de machtiging ten onrechte is verleend.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, samengevat, het volgende aan.

Er zijn wel degelijk zorgen dat [minderjarige] in het verleden onveiligheden heeft ervaren. In het raadsrapport van 15 december 2014 worden de stress veroorzakende factoren van de moeder en de hennepkwekerij in de woning van de moeder uitgebreid besproken. De GI is daarom van mening dat de rechtbank op goede grond heeft vastgesteld dat [minderjarige] in haar vroege ontwikkeling veel onveiligheid heeft ervaren en dat haar ontwikkeling daardoor is verstoord. Gezien het heden en het verleden is de GI van mening dat iedere vorm van (intensieve) hulpverlening bij de moeder thuis onvoldoende zal zijn om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. De rechtbank heeft kritische vragen gesteld over het PBM, maar merkt ook op dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat zij bij de moeder wordt teruggeplaatst. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij in het pleeggezin opgroeit. [minderjarige] heeft duidelijkheid, rust en structuur nodig en de moeder kan haar dit niet bieden doordat zij blijft strijden in plaats van rust te brengen voor [minderjarige] . De frequentie van de bezoeken, eenmaal in de drie weken anderhalf uur, is al een hele belasting voor [minderjarige] en deze hebben invloed op haar, aangezien zij na de bezoeken van de moeder probleemgedrag laat zien. De GI acht het de vraag of de moeder met de begeleiding van Amarant in staat is deze bezoeken beter te laten verlopen en meer aansluiting bij [minderjarige] te vinden. Terugplaatsing bij de moeder zou niet in het belang van [minderjarige] zijn.

Ter zitting van het hof heeft de GI, samengevat, nog het volgende verklaard.

Normaal gesproken duurt het traject van het PBM een half jaar tot negen maanden en binnen dit tijdsbestek is het traject ook afgerond. Bij de aanvang van het traject van het PBM bestond er veel weerstand bij [minderjarige] ; er was sprake van een emotionele blokkade. Omdat het erop leek dat er bij [minderjarige] wel aansluiting zou gaan ontstaan is verzocht om een verlenging van het traject met drie maanden. Vervolgens ging het niet de kant uit die de GI had verwacht en liet [minderjarige] opstandig gedrag zien, waardoor er geen andere mogelijkheid was dan de uithuisplaatsing te laten voortduren.

[minderjarige] vertoont thans niet meer het extreme gedrag dat zij in het verleden na de bezoekmomenten met de moeder liet zien. De huidige gedragsproblemen van [minderjarige] na de bezoeken van de moeder vloeien logischerwijs voort uit het feit dat zij niet bij de moeder verblijft. Deze spanning zal blijven.

Ten aanzien van het verloop van de bezoekmomenten, vindt er in juli 2017 een evaluatie plaats. Formeel dient een opvoedbesluit te worden genomen en op basis van de stukken die er thans liggen, kan worden geconcludeerd dat er een gezagsbeëindiging moet komen. De GI heeft echter goed naar de moeder geluisterd en de moeder heeft gevraagd om niet naar de oude stukken te kijken. Om die reden heeft de GI ervoor gekozen de rechtbank te verzoeken om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met een half jaar te verlengen. De raad zal worden gevraagd om een onderzoek te doen naar het opvoedperspectief van [minderjarige] ; of het nog haalbaar is om [minderjarige] thuis te plaatsen en of daar naartoe gewerkt kan worden. Er zal worden gekeken of hetgeen de moeder [minderjarige] kan bieden goed genoeg is en of [minderjarige] zich nog aan de moeder kan hechten. De tijd werkt hierbij op zich niet tegen de moeder.

3.8.

De pleegouders hebben ter zitting, samengevat, naar voren gebracht dat zij zien dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt, dat zij rust krijgt en minder op haar tenen loopt. Na de bezoekmomenten met de moeder zien zij een terugval in het gedrag van [minderjarige] . Voorheen reageerde [minderjarige] dan heel boos naar de pleegmoeder. Dat is niet meer het geval. Zij is nu na de bezoeken van de moeder nog heel onstuimig, ook is zij dan wiebelig en valt zij veel. De terugval is nu ook korter dan tijdens het traject van het PBM, toen er vaker contact was. Sinds het traject van het PBM is gestopt, bijt [minderjarige] ook niet meer op haar handen en valt zij minder terug op babygedrag. De bezoekmomenten tussen de moeder en [minderjarige] zijn waardevol. [minderjarige] beleeft er plezier aan en zij vraagt ook wanneer de moeder komt. Om de bezoekmomenten goed te kunnen monitoren is het van belang dat deze adequaat worden begeleid.

3.9.

De begeleidster van Amarant brengt ter zitting, samengevat, naar voren dat zij anderhalf jaar aan de moeder hulp verleent en dat de moeder een groei heeft doorgemaakt. De moeder woont thans in een mooie eengezinswoning en zij staat altijd open voor begeleiding en advies. Zij is goed begeleidbaar. Indien de moeder verhinderd is, belt zij af. Soms is de moeder een beetje impulsief, maar zij is dan ook weer goed op de rails te krijgen.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.10.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.3.

De moeder heeft naar voren gebracht dat zij de conclusies uit de door dr. [deskundige 1] van het Expertisecentrum Kind in de Pleegzorg opgemaakte Taxatie van de OpvoedingsSituatie (hierna: het TOS-rapport) niet onderschrijft en dat het traject van het PBM kunstmatig is geweest doordat zij voortdurend onder een vergrootglas lag en het traject bovendien te lang heeft geduurd. Ook tijdens de huidige bezoekmomenten heeft de moeder het gevoel dat zij het nooit goed doet, waarbij zij als voorbeeld het onweersproken voorval over het maken van foto’s heeft genoemd.

Het hof sluit zich aan bij de kritische kanttekeningen zoals door de rechtbank zijn geplaatst bij zowel het PBM- als bij het TOS-rapport. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen wordt de opvatting van dr. [deskundige 1] met betrekking tot de hechting niet ondersteund door de opvatting over de hechting van onder meer prof. dr. [deskundige 2] . In de visie van prof. [deskundige 2] kan een kind als het veilig is gehecht, zich ook aan een ander als primair hechtingspersoon hechten. Ook kan een kind zich in haar visie aan meerdere personen hechten, zoals bijvoorbeeld aan ouders en pleegouders. Uit het overgelegde raadsrapport d.d. 15 december 2014 blijkt dat [minderjarige] volgens het consultatiebureau ten tijde van de uithuisplaatsing een gezond kind was dat zich goed ontwikkelde. Het consultatiebureau zag een betrokken en liefdevolle moeder die openstond voor hulp en de interactie tussen de moeder en [minderjarige] was positief, hetgeen zou kunnen duiden op een veilige hechting, zoals door de moeder wordt gesteld.

Het voorgaande in aanmerking nemende en gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, acht het hof het noodzakelijk dat het toekomstperspectief van [minderjarige] opnieuw wordt onderzocht, waarbij als uitgangspunt in acht dient te worden genomen dat een kind bij voorkeur bij (een van) de ouders opgroeit indien voor het betrokken kind sprake is van goed genoeg ouderschap. Naar het oordeel van het hof kunnen het PBM- en het TOS-rapport niet als basis dienen voor een besluit over het toekomstperspectief van [minderjarige] . Verder is het voor het hof niet duidelijk dat de terugval in het gedrag van [minderjarige] wordt veroorzaakt door het contact met de moeder of, zoals de moeder stelt, door de beleving van [minderjarige] dat zij elders opgroeit en door het gemis van de moeder. De pleegouders hebben ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] het fijn vindt om de moeder te zien en dat zij naar de moeder vraagt. Het hof is van oordeel dat zonder nader onderzoek de oorzaak van de gedragsproblemen van [minderjarige] na de bezoeken van de moeder niet kan worden vastgesteld, en dat thans hieraan geen conclusies kunnen worden verbonden voor wat betreft de thuisplaatsing van [minderjarige] .

Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat er weliswaar formeel een opvoedbesluit dient te worden genomen, maar dat de GI de rechtbank zal verzoeken om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met een half jaar te verlengen. De GI stelt dat deze periode zal worden gebruikt om de raad een onderzoek te laten verrichten waarbij de huidige situatie goed wordt onderzocht en tevens of bij de moeder sprake is van goed genoeg ouderschap ten aanzien van [minderjarige] en of het haalbaar is om naar een thuisplaatsing van [minderjarige] toe te werken. De stellingen van de moeder dat zij over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt, dat zij haar leven thans op orde heeft en dat [minderjarige] ook aan de moeder is gehecht, zijn door de GI niet weersproken. Verder heeft mevrouw [begeleidster van de moeder] van Amarant ter zitting – onweersproken – verklaard dat de moeder hulpverleningstrouw is en dat zij open staat voor adviezen. Het hof stelt vast dat uit de stukken blijkt dat dit in het verleden niet (altijd) het geval is geweest, zodat de moeder in dit opzicht in positieve zin is veranderd.

Het hof acht het van belang dat er thans een zorgvuldig nader onderzoek plaatsvindt naar de haalbaarheid van een thuisplaatsing, door de huidige situatie en de hechting van [minderjarige] aan de moeder te onderzoeken, alsmede de vraag of de moeder de capaciteiten heeft voor een goed genoeg ouderschap voor [minderjarige] . Een eventuele thuisplaatsing dient zorgvuldig te worden gerealiseerd en kan alleen plaatsvinden indien de resultaten van voormeld onderzoek hiertoe aanleiding geven.

Met inachtneming van het voorgaande, is het hof van oordeel dat op dit moment voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat [minderjarige] thans naar school gaat en dat de continuïteit hierin niet dan op goede grond kan worden doorbroken. Voorts gaat het hof ervan uit dat het voornoemde onderzoek tijdig zal plaatsvinden zodat dit bij de eerstvolgende besluitvorming ter zake kan worden betrokken.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 februari 2017;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, M.C. Bijleveld-van der Slikke en A.M.M. Hompus en is op 13 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.