Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3268

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
200.195.224_01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.195.224/01

zaaknummer rechtbank : C/02/254075 / FA RK 12-4347

beschikking van de meervoudige kamer van 13 juli 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te Spanje,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.P. Slingerland te Breda,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks te Nijmegen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 30 april 2014 respectievelijk 11 april 2016, beide uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 11 juli 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 11 april 2016.

2.2.

De man heeft op 20 april 2017 een notitie ten behoeve van mondelinge behandeling terzake afwikkeling vermogen ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

zijdens de vrouw:

- een V6-formulier, ingekomen op 11 augustus 2016, met een wijziging van het petitum;

- een V6-formulier met bijlagen, ingekomen op 21 april 2017;

- een V6-formulier met bijlagen, ingekomen op 24 april 2017.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 3 mei 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.5.

Het hof stelt vooreerst de navolgende procedurele (geschil)punten aan de orde.

Spaanse advocaat

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw zich – zonder voorafgaand bericht aan het hof en de advocaat van de man – doen vergezellen door [Spaanse advocaat] , advocaat in Spanje, met de bedoeling dat deze mede het woord zou voeren namens de vrouw. Desgevraagd is daartegen van de zijde van de man bezwaar gemaakt; de advocaat van de man stelt daartoe dat zij niet weet wat de reden is van de aanwezigheid van een Spaanse advocaat en dat indien dit te maken heeft met de uitleg van het Spaanse recht, zij zich daarop niet heeft kunnen voorbereiden.

Het hof is van oordeel dat de advocaat van de vrouw in strijd met de eisen van een goede procesorde heeft gehandeld doordat zij zonder aankondiging vooraf de heer [Spaanse advocaat] heeft geïntroduceerd op de zitting, met de bedoeling hem ook het woord namens de vrouw te doen voeren. Het hof heeft beslist de heer [Spaanse advocaat] als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig te laten zijn, doch hem niet toegestaan namens de vrouw het woord te voeren.

Volledigheid procesdossier

De advocaat van de vrouw heeft bij voornoemde V6-formulieren van 21 april respectievelijk 24 april 2017 een deels incompleet (in verband met ontbrekende stukken in eerste aanleg) en een deels overcompleet (in verband met een groot aantal stukken betreffende een andere procedure tussen partijen) procesdossier overgelegd. Van de zijde van de man is in verband hiermee de ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep aan de orde gesteld.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting in hoger beroep met betrekking tot de aanlevering van het procesdossier het volgende verklaard: “Ik weet dat het niet de schoonheidsprijs verdient, maar het is de erfenis van mijn kantoorgenoten. Dit is wat ik heb kunnen vinden.”

Ter zitting in hoger beroep is een uitgebreide inventarisatie gemaakt van de processtukken en zijn deze, voor zover nodig, aangevuld en terzijde gesteld, zodat het hof zich in staat acht op die stukken recht te doen. Vaststaat dat de advocaat van de man, tevens diens advocaat in eerste aanleg, zelf wel over het volledige procesdossier beschikte, zodat de man in zoverre niet zijn verdediging is geschaad, hetgeen ook daaruit blijkt dat de advocaat van de man, ondanks de door haar met betrekking tot het procesdossier geuite bezwaren, op 20 april 2017 een notitie ten behoeve van mondelinge behandeling terzake afwikkeling vermogen heeft ingediend, gelijk te stellen met een verweerschrift.

Gelet op het voorgaande ziet het hof in casu geen aanleiding consequenties te verbinden aan de gebrekkige aanlevering van het procesdossier. Het hof merkt wel op dat “de erfenis van kantoorgenoten” daarvoor geen excuus mag zijn, nu de advocaat van de vrouw zich ter aanvulling van het procesdossier tot de advocaat van de man had kunnen wenden, zoals ter zitting door laatstgenoemde ook is opgemerkt.

Processtukken in een vreemde taal

Op het bezwaar van de zijde van de man tegen het in de procedure betrekken van een tweetal door de vrouw als productie 2 en 3 overgelegde arresten van het Tribunal Supremo in de Spaanse taal, nu, in strijd met art. 1.1.11 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, een Nederlandse vertaling daarvan ontbreekt, heeft de advocaat van de vrouw met een verwijzing naar productie 71 (waarin genoemde arresten worden besproken) verklaard dat deze producties buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Het hof zal op deze producties derhalve geen acht slaan.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Op 16 september 2012 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 7 oktober 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 23 januari 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij beschikking van 30 april 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, voor recht verklaard dat op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van parttijen Spaans recht van toepassing is en bepaald dat tussentijds hoger beroep mocht worden ingesteld tegen voormelde verklaring voor recht. De rechtbank heeft de zaak pro forma aangehouden en zich iedere verdere beslissing voorbehouden.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, voor recht verklaard dat geen sprake is van huwelijkse aanwinsten die bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld.

4.2.

De grieven van de vrouw betreffen (de toepassing van het Spaanse recht met betrekking tot) de huwelijkse aanwinsten. De vrouw verzoekt voormelde beschikking van 11 april 2016 (gedeeltelijk) te vernietigen en opnieuw recht te doen in die zin dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van in totaal € 182.438,81.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De vrouw heeft de Spaanse nationaliteit en woont thans in Spanje. Daarmee heeft de zaak internationale aspecten die nopen tot beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.

Rechtsmacht

Art. 4 lid 3 Rv houdt in dat rechtsmacht in de echtscheidingszaak rechtsmacht met betrekking tot de daarmee verband houdende nevenvoorzieningen (hier, samengevat: de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijksgemeenschap) meebrengt. Van rechtsmacht in de echtscheidingszaak is hier sprake (art. 3 Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II-bis) en het perpetuatio fori-beginsel). Aldus heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in de onderhavige zaak.

Toepasselijk recht

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) bij (tussen)beschikking van 30 april 2014 voor recht verklaard dat op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk Spaans recht van toepassing is. Tegen deze beschikking is tussentijds hoger beroep opengesteld, maar partijen zijn niet in hoger beroep gekomen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank derhalve Spaans recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, LJN BV6684) het hof aan dit oordeel is gebonden, hetgeen meebrengt dat ook het hof Spaans recht zal toepassen.

5.2.

Het hof zal hierna overgaan tot een beoordeling van de grieven.

Inhoudelijke beoordeling

5.3.

De rechtbank heeft vastgesteld dat als goederenregime geldt de gemeenschap van aanwinsten (sociedad de gananciales) naar Spaans recht (ingevolge het bepaalde in art. 1344 Código Civil (CC)) en dat in aanmerking moet worden genomen de periode tussen 2 december 2011 (de huwelijksdatum van partijen) en 23 januari 2014 (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand). Nu hiertegen geen grieven zijn gericht, zal het hof van dezelfde uitgangspunten uitgaan.

5.4.

De gemeenschap van aanwinsten naar Spaans recht houdt – kort gezegd – in dat

alle staande huwelijk verkregen goederen tot de gemeenschap behoren, zoals goederen staande huwelijk onder bezwarende titel verkregen of krachtens arbeid verworven, tenzij zij aangemerkt kunnen worden als privé-goederen, zoals goederen die geschonken zijn of goederen die uit eigen middelen verworven zijn.

De voor de onderhavige zaak relevante bepalingen uit de Código Civil, zoals opgenomen in productie 71) luiden – vertaald – als volgt:

Art. 1344 [Stelsel gemeenschap van aanwinsten]

Door de gemeenschap van aanwinsten worden voor de echtgenoten gemeenschappelijk de winsten of baten zonder onderscheid verkregen door een van hen, welke hen voor de helft zullen worden toegekend door het ontbinden van deze.

Art. 1347 [Goederen die in het gemeenschappelijk vermogen vallen]

Goederen die in het gemeenschappelijk vermogen vallen zijn:

1. Die verkregen door het werk of de industrie van ieder van de echtgenoten.

2. de vruchten, inkomsten of rente die zowel de privé goederen als de gemeenschapsgoederen opleveren.

(…).

Art. 1361 [Rechtsvermoeden van goederen die in het gemeenschappelijk vermogen vallen]

Verondersteld als gemeenschappelijke goederen zijn die aanwezig in het huwelijk totdat niet wordt bewezen dat die privé eigendom zijn van een van de echtgenoten.

Art. 1381 [Vruchten en winsten van privévermogen]

De vruchten en de winst van het eigen privé vermogen en de winst van ieder van de echtgenoten maken deel uit van de gemeenschap en zijn onderworpen aan de lasten en verantwoordelijkheden van de gemeenschap van aanwinsten. Echter, elke echtgenoot, als beheerder van diens privé vermogen, kan met dat doel beschikken over de vruchten en producten van zijn goederen.

In het beroepschrift zijn voorts de volgende bepalingen uit de Código Civil aangehaald:

Art. 1359

Iedere toename die zich realiseert in de gemeenschap van huwelijkse aanwinsten en de privé aanwinsten, zullen het karakter dragen corresponderend aan de goederen waar de aanwinsten op zien.

Art. 1360

De normen van art. 1359 zijn van toepassing op de toenames van de vermogens van de ondernemingen.

5.5.

De man is 100%-aandeelhouder van [Holding 1] Holding B.V. Vaststaat dat de man [Holding 1] Holding B.V. reeds voor het huwelijk heeft opgericht waaruit volgt dat de aandelen de man in privé toebehoren. De rechtbank heeft overwogen (in rov. 2.21 van de bestreden beschikking) dat, kort gezegd, het eigen vermogen van [Holding 1] tijdens het huwelijk niet is toegenomen, maar is afgenomen, zodat geen sprake is van aanwinsten en al helemaal niet van tussen partijen te verdelen aanwinsten. Hiertegen richten zich de grieven van de vrouw.

Privé betalingen door de man vanuit [Holding 1] Holding B.V. (grief 1)

5.6.1.

De eerste grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel (2.32 en 2.33) van de rechtbank dat de privé betalingen van de man (vanuit [Holding 1] Holding B.V.) niet tot de gemeenschap van aanwinsten behoren en dus niet aan de gemeenschap behoeven worden terugbetaald. Zij stelt dat nu de man gedurende het huwelijk privéschulden heeft afgelost van in totaal een bedrag van € 48.387,-- en niet heeft bewezen dat de betalingen met privégeld van de man zijn betaald, conform art. 1361 CC wordt aangenomen dat deze betalingen onderdeel uitmaken van de gemeenschap van huwelijkse aanwinsten, zodat de man de helft daarvan, zijnde een bedrag van € 24.143,50, aan de vrouw dient te voldoen.

5.6.2.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

Beoordeeld dient te worden of – naar Spaans recht – de privébetalingen van de man (vanuit [Holding 1] Holding B.V.) hebben te gelden als aan de gemeenschap onttrokken aanwinsten. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De vrouw stelt dat de man met gemeenschapsgeld de volgende betalingen heeft gedaan:

  • -

    advocaatkosten van de man: € 10.662,--;

  • -

    rentebetalingen in verband met een lening van de zus van de man: € 1.875,--;

  • -

    uitgaven voor de woning: € 13.200,--;

  • -

    diverse betalingen verricht van de bankrekening van [Holding 1] Holding B.V. aan de man: € 22.650,--.

Genoemde door [Holding 1] Holding B.V. ten behoeve van de man gedane betalingen – behoudens de rentebetalingen die door de man worden betwist – zijn, zo blijkt uit de door de man (als productie 1 bij het verweerschrift) overgelegde rekening-courantspecificatie, in 2013 (nagenoeg) volledig geboekt als rekening-courantschuld van de man aan [Holding 1] Holding B.V.

Blijkens het door de man (in eerste aanleg als productie 26) overgelegd transactieoverzicht van de Rabobank zijn in 2013 op 11 april (€ 1.856,65), 31 mei (€ 1.000,--), 21 augustus (€ 1.037,76), 28 augustus (€ 947,06), 24 september (€ 2.000,--) en 22 oktober (€ 1.642,58) – in totaal een bedrag van € 8.484,05 – betalingen gedaan. Deze bedragen corresponderen met bedragen op de rekening-courantspecificatie op dezelfde data. De uitgaven voor de woning van in totaal € 13.000,--, die naar de stelling van de man zien op de huur voor het appartement waarin partijen hebben gewoond en dat deels als kantoor voor de man werd gebruikt, zijn eveneens, maandelijks, vermeld op de rekening-courantspecificatie, evenals de overboekingen van in totaal € 22.650,-- naar de privé rekeningen (eindigend op [privé rekening 1] of [privé rekening 2] ) van de man.

Door de betalingen als rekening-courant schuld te boeken, heeft de man genoemde betalingen met van [Holding 1] Holding B.V. geleend geld verricht. Hieruit volgt dat de betalingen, anders dan de vrouw betoogt, niet zijn te kwalificeren als aan de gemeenschap onttrokken aanwinsten. Grief 1 slaagt in zoverre niet.

De man betwist dat de rentebetalingen in verband met een lening van de zus van de man ad € 1.875,-- door [Holding 1] Holding B.V. zijn gedaan. Nu iedere onderbouwing door de vrouw van deze betalingen ontbreekt komt het hof reeds daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of sprake is van onttrekking van aanwinsten. Grief 1 faalt ook in dit opzicht.

Toename reserves in [de vennootschap] B.V. en [Holding 2] Holding B.V. (grief 2)

5.7.1.

De tweede grief van de vrouw richt zich tegen de rov. 2.22 van de rechtbank dat een eventuele toename van de reserves in [de vennootschap] B.V. en [Holding 2] Holding B.V. geen tussen partijen te verdelen aanwinst is. De vrouw voert daartoe aan dat naar Spaans recht (artt. 1347, leden 1 en 2, 1381, 1359 en 1360) gemaakte winsten in een onderneming van een van de echtgenoten (in dit geval [Holding 1] Holding B.V.) in de gemeenschap van huwelijkse aanwinsten vallen en bij helfte onder partijen dienen te worden verdeeld. Omdat de mogelijke toename van de eigen middelen van [Holding 1] Holding B.V. onbekend is, doet de vrouw een beroep op de helft van de winsten die er zijn gemaakt over de deelneming van de man van 6,6% in de ondernemingen [de vennootschap] B.V. en [Holding 2] Holding B.V., hetgeen neerkomt op een bedrag van (€ 106.590,63 x 50%) = € 53.295,31.

5.7.2.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.7.3.

Het hof overweegt als volgt. Blijkens de door de man overgelegde (toelichting op de balans in de) jaarrekening 2013 van [Holding 1] Holding B.V. had [Holding 1] Holding B.V. per 31 december 2013 een deelneming van ongeveer 7% in [Holding 2] Holding B.V., van welke vennootschap [de vennootschap] B.V. weer een dochteronderneming is. De waarde van [Holding 2] Holding B.V is als actiefpost opgenomen in de balans van [Holding 1] Holding B.V. en maakt als zodanig deel uit van het vermogen van [Holding 1] Holding B.V. (ten aanzien waarvan is vastgesteld dat dit tijdens het huwelijk is afgenomen); de man zelf heeft geen belang in [Holding 2] Holding B.V. In hoeverre, gelet op het vorenstaande, een toename van de reserves in [de vennootschap] B.V. en [Holding 2] Holding B.V. zou moeten leiden tot een toename van de huwelijkse aanwinsten, valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien. Grief 2 slaagt derhalve niet.

Overgenomen aandelen (grief 3)

5.8.1.

De derde grief richt zich tegen de overweging (2.31) van de rechtbank dat de aandelen niet zijn gekocht met geld dat tot de aanwinsten hoort. De vrouw stelt dat de man gedurende het huwelijk voor een bedrag van € 60.000,-- aandelen heeft overgenomen van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , waardoor dit bedrag naar Spaans recht behoort tot de gemeenschap van huwelijkse aanwinsten, waarvan de helft, te weten € 30.000,--, aan de vrouw dient te worden toebedeeld.

5.8.2.

De man betwist de stelling van de vrouw, stellende dat niet hij, maar [Holding 1] Holding B.V. de aandelen met geleende gelden van [Holding 2] Holding B.V. heeft overgenomen van de vennootschappen van de heren [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

5.8.3.

Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat, voor zover aandelen zijn gekocht, deze zijn gekocht door [Holding 1] Holding B.V., ter financiering waarvan deze vennootschap (blijkens de in eerste aanleg aan de zijde van de man overgelegde productie 30) een lening is aangegaan bij [Holding 2] Holding B.V. Dit leidt tot de conclusie dat er ook wat de overgenomen aandelen betreft geen sprake is van huwelijks aanwinsten. Grief 3 slaagt evenmin.

Aandelen [de vennootschap] (grief 4)

5.9.1.

De vierde grief keert zich tegen de rov. 2.34 van de rechtbank dat er aan de zijde van de man geen sprake is van aanwinsten die bij helfte moeten worden verdeeld. De vrouw voert aan dat de man na de echtscheiding en de verdeling van de huwelijkse aanwinsten alle aandelen van [de vennootschap] (6,66%) voor een bedrag van ongeveer € 150.000,-- heeft verkocht aan zijn compagnons om te voorkomen dat dit onder partijen verdeeld zou moeten worden. De man heeft hiervan een nieuwe vennootschap opgericht, Adviesruimte B.V., maar het betreft geld dat in de gemeenschap van aanwinsten behoort. De helft van dit bedrag dient conform Spaans recht aan de vrouw te worden toegekend.

5.9.2.

De man heeft verweer gevoerd, stellende dat de juridische grondslag voor de vordering van de vrouw ontbreekt, nu de aandelen na de peildatum (echtscheiding) zijn verkocht en niet hij zelf, maar [Holding 1] Holding B.V. de uitkoopsom heeft ontvangen.

5.9.3.

Uit de ter zitting van het hof desgevraagd gegeven nadere toelichting op deze grief is onvoldoende duidelijk geworden welk standpunt van de zijde van de vrouw, mede in aanmerking genomen het door de man gevoerde verweer, wordt ingenomen, zodat het hof deze stelling niet kan beoordelen. Grief 4 faalt mitsdien.

5.10.

Grief 5 heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking.

5.11.

Zijdens de man is verzocht om, gelet op de gebrekkige aanlevering van het procesdossier, de vrouw (voor een deel) in de proceskosten te veroordelen. Het hof ziet in het door de man gestelde evenwel onvoldoende aanleiding af te wijken van de gebruikelijke regel in zaken als de onderhavige, die inhoudt dat de proceskosten tussen gewezen echtgenoten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.12.

Nu alle grieven falen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 11 april 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en C.M.E. de Koning en is op 13 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.