Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3262

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
200.190.638_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop tweedehands auto.

Verschillende klachten van de koper die uiteindelijk leiden tot een buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst.

Vordering tot terugbetaling van de koopsom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.190.638/01

arrest van 18 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

appellant,

advocaat: mr. I.J. Rozendal te Rotterdam,

tegen:

[autobedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.S. Maas-van Weert te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 april 2016 en herstelexploot van 14 april 2016 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnis van 11 februari 2016 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4226780/rolnummer 15/6799)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 3 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 8 april 2016 en het herstelexploot van 14 april 2016;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] van 19 juli 2016 met een producties;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 27 september 2016.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. [appellant] heeft op 19 oktober 2013 een tweedehands personenauto van het merk Renault, type Espace, bouwjaar 2005, met kenteken [kenteken] van autobedrijf [geïntimeerde] gekocht en deze op 25 oktober 2013 geleverd gekregen.

  2. De koopprijs van de auto was € 7.950,=. Na inruil van zijn auto heeft [appellant] een bedrag van € 3.250,= bijbetaald.

  3. Vanaf eind oktober 2013 is de auto een aantal malen bij [geïntimeerde] terug geweest voor verschillende reparaties, terwijl ook de Wegenwacht van de ANWB in de loop van 2014 een aantal malen storingen heeft verholpen.

  4. Na een reparatie door [geïntimeerde] in oktober 2014 bleek de kilometerstand van de auto met 30.000 km verhoogd te zijn.

  5. In februari 2015 is de auto ter reparatie bij [geïntimeerde] gebracht en daar gebleven. [geïntimeerde] heeft [appellant] een leenauto ter beschikking gesteld.

  6. De gemachtigde van [appellant] heeft bij brief van 29 april 2015 de koopovereenkomst op grond van artikel 7:22 lid 1 sub a BW ontbonden. In de brief is vermeld dat de auto sinds 21 februari 2015 bij [geïntimeerde] is voor een definitieve oplossing voor de problemen met de airco, het dashboard en het terugzetten de kilometerstand en dat [appellant] ondanks telefonische contacten niet te horen krijgt wanneer het is opgelost. Verder wordt aangekondigd dat de leenauto geretourneerd zal worden zodra deze zaak is opgelost. [geïntimeerde] wordt gesommeerd tot terugbetaling van een bedrag van € 7.250,=, de koopprijs verminderd met een gebruiksvergoeding van € 700,=. Aangeboden wordt de winterbanden die [appellant] in december 2013 heeft gekocht kosteloos terug te leveren.

  7. [geïntimeerde] heeft hier niet mee ingestemd.

4.2

Bij dagvaarding van 16 juni 2015 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [appellant] dat [geïntimeerde] hem een auto heeft geleverd die niet beantwoordt aan de overeenkomst in de zin van artikel 7:17 BW. Omdat volledige nakoming door [geïntimeerde] uitbleef, is de koopovereenkomst op 29 april 2015 ontbonden. De auto is al bij [geïntimeerde] zodat deze niet terug geleverd hoeft te worden. [geïntimeerde] dient de koopprijs van € 7.950,=, verminderd met een gebruiksvergoeding van € 700,=, aan [appellant] terug te betalen. Op grond hiervan vordert [appellant] , samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van het bedrag van € 7.250,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten met nakosten.

[geïntimeerde] heeft de vordering van [appellant] bestreden. Volgens haar heeft [appellant] de koopovereenkomst ten onrechte ontbonden zodat hij ook geen aanspraak kan maken op terugbetaling van de koopprijs.

4.3

Bij tussenvonnis van 3 september 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 22 december 2015 plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 11 februari 2016 heeft de kantonrechter vastgesteld dat de vordering die [appellant] heeft ingesteld een ongedaanmakingsvordering is, zodat beoordeeld moet worden of de koopovereenkomst conform artikel 7:17 BW op goede grond is ontbonden. Daarbij gaat het naar het oordeel van de kantonrechter om de problemen die in de brief van 29 april 2015 aan de ontbinding ten grondslag zijn gelegd, te weten:

  • -

    de kilometerstandkwestie,

  • -

    het dashboardprobleem,

  • -

    het aircoprobleem.

Voor elk van deze kwesties heeft de kantonrechter geoordeeld dat daarin geen grond voor ontbinding van de overeenkomst is gelegen, zodat de grondslag voor de vordering ontbreekt. De vordering van [appellant] is daarom afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.4

In onderdeel 2 van zijn memorie van grieven vermeldt [appellant] dat hij bij het ophalen van de auto 2 april 2016 heeft bemerkt dat daaraan schade was ontstaan en dat de dynamo kapot was. [appellant] heeft in verband hiermee geen vordering ingesteld zodat dit onderdeel geen bespreking behoeft. De vordering van [appellant] betreft alleen het ongedaan maken van wat hij heeft verricht ter uitvoering van de door hem vanwege non-conformiteit ontbonden koopovereenkomst en niet bijvoorbeeld een wijziging ervan, alsnog volledige nakoming of schadevergoeding wegens wanprestatie.

4.5

Grief I van [appellant] betreft de kwestie van de verhoogde kilometerstand, de grieven II en III het dashboardprobleem, grief IV het aircoprobleem, grief V de conclusie van de kantonrechter dat [appellant] de koopovereenkomst niet mocht ontbinden en grief VI de proceskostenveroordeling. [appellant] verlangt alsnog toewijzing van zijn vordering. [geïntimeerde] heeft de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 11 februari 2016.

4.6

Met betrekking tot de gestelde non-conformiteit geldt in het algemeen het volgende. Ingeval een (tweedehands) auto wordt verkocht die, naar de verkoper bekend is, aan het verkeer zal blijven deelnemen, geldt als uitgangspunt dat de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst, indien als gevolg van een eraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, dat gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zal opleveren. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de door hem verkochte auto geen gevaar voor de verkeersveiligheid heeft opgeleverd, zodat van non-conformiteit geen sprake is. Volgens [appellant] dat is niet juist wat betreft het dashboardprobleem. Verder heeft hij in dit verband verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 15 april 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1338) en van 8 juli 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT3097). In laatstgenoemd arrest heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld:

“3.3 In (…) heeft het hof kennelijk willen aansluiten bij het arrest van de Hoge Raad van 15 april 1994, nr. 15318, NJ 1995, 614. In dit arrest heeft de Hoge Raad als maatstaf aanvaard dat, indien een (tweedehands) auto wordt gekocht om daarmee, naar de verkoper bekend is, aan het verkeer deel te nemen als regel zal moeten worden aangenomen dat de auto "niet beantwoordt aan de overeenkomst, indien als gevolg van een eraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, zodanig gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren", waaraan de Hoge Raad nog heeft toegevoegd dat niet is uitgesloten dat deze regel in bepaalde gevallen uitzondering lijdt. Het hof heeft evenwel miskend dat uit de zojuist weergegeven maatstaf niet het omgekeerde volgt, te weten dat ingeval een auto niet zodanige gebreken heeft dat gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren, daaruit zou volgen dat de auto wèl aan de overeenkomst beantwoordt, ook indien deze, zoals Kousedghi in het onderhavige geval heeft aangevoerd, nog andere gebreken heeft. (…).”

Voor het onderhavige geval betekent dit dat niet reeds beslissend is of het gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. Het gaat erom of sprake is van een gebrek dat aan een normaal gebruik van de auto in de weg staat, wat zich in ieder geval maar niet uitsluitend voordoet wanneer de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.

4.7

In zijn toelichting op zijn eerste grief betoogt [appellant] dat de verhoging van de kilometerstand met 30.000 km door hem is geconstateerd toen hij in oktober 2014 de auto bij [geïntimeerde] ophaalde na een reparatie aan de airco. De kilometerkwestie is daarom volgens [appellant] een gevolg van het gebrek aan de airco en moet daarom mede betrokken worden in het oordeel over non-conformiteit. Het hof volgt [appellant] hierin niet. De verhoging van de kilometerstand is een op zichzelf staande kwestie die zich eerst een jaar nadat de auto aan [appellant] was geleverd, heeft voorgedaan. Reeds om deze reden kan niet staande worden gehouden dat [geïntimeerde] hem toen een auto heeft geleverd die dit gebrek vertoonde. [appellant] heeft verder aangevoerd dat op grond van artikel 7:10 lid 3 BW het risico voor de afgeleverde zaak bij [geïntimeerde] is gebleven en dat daarom de verhoging van de kilometerstand bij de beoordeling van de non-conformiteit betrokken dient te worden. Ook hierin volgt het hof [appellant] niet. Artikel 7:10 lid 3 BW bepaalt dat wanneer de koper op goede gronden het recht op ontbinding van de koop of op vervanging van de zaak inroept, deze voor risico van de verkoper blijft. Deze bepaling ziet, kort gezegd, op de vraag voor wiens risico de teloor- of achteruitgang van een verkochte zaak komt, wanneer de koper op goede gronden de ontbinding van de koopovereenkomst of de vervanging van de gekochte zaak inroept. Dat betekent in dit geval dat [geïntimeerde] aan [appellant] bij teruggave van de auto na een gerechtvaardigde ontbinding van de koopovereenkomst de verhoging van de kilometerstand niet kan tegenwerpen, maar niet dat deze kwestie met terugwerkende kracht kan worden aangemerkt als een gebrek bij aflevering. Dat zou neerkomen op een cirkelredenering: in de afgeleverde zaak ontstaat geruime tijd na de aflevering een gebrek, dat door de ontbinding van de overeenkomst vanwege dat gebrek ertoe leidt dat die ontbinding gerechtvaardigd is. Een dergelijke redenering dient niet gevolgd te worden. Een en ander leidt ertoe dat grief I wordt verworpen.

4.8

Met de grieven II en III voert [appellant] aan dat door het uitvallen van het dashboard, met name de snelheidsmeter, een verkeersgevaarlijk situatie ontstond en dat onjuiste meldingen verschenen. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [appellant] verwezen naar de correspondentie die hij in eerste aanleg heeft overgelegd. [geïntimeerde] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betwist dat dergelijke problemen zich hebben voorgedaan en in ieder geval dat deze (nog) bestonden ten tijde van de ontbinding van de koopovereenkomst door [appellant] . Volgens [geïntimeerde] zijn de stellingen van [appellant] hierover zodanig globaal dat zij niet anders kan dan te volstaan met een ontkenning ervan.

4.9

Het verweer van [geïntimeerde] over deze aangelegenheid treft doel. Uit de correspondentie waar [appellant] naar verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen blijkt onder meer dat het dashboard door Renault is gerepareerd en dat hij nadien met de auto heeft gereden (e-mail van [appellant] aan [geïntimeerde] van 29 december 2014). Wanneer zich in de periode na bedoelde reparatie bepaalde storingen hadden voorgedaan had het op de weg van [appellant] gelegen om tegenover de betwisting van een en ander door [geïntimeerde] concreet aan te geven wanneer er in de periode tot aan de ontbinding van de koopovereenkomst storingen aan het dashboard waren opgetreden, wat de aard van deze storingen was en of en in hoeverre deze aan het normaal gebruik van de auto in de weg stonden. [appellant] heeft dat evenwel nagelaten. De enkele verwijzing naar de correspondentie volstaat hiervoor niet, terwijl technische rapportage ontbreekt. Voor bewijslevering als door [appellant] aangeboden bestaat bij deze stand van zaken geen grond. De conclusie is dat de grieven II en III worden verworpen.

4.10

Grief IV betreft de airco. Volgens [appellant] heeft de airco vanaf het begin niet goed gefunctioneerd en is [geïntimeerde] er in de loop van de tijd niet in geslaagd de problemen te verhelpen. [geïntimeerde] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betwist dat de airco niet goed functioneerde. Zij voert in dit verband aan dat de klacht van [appellant] kort na de aankoop van de auto inhield dat de airco aan de bestuurderskant bij langere ritten koud bleef blazen. Dat is volgens [geïntimeerde] geen gebrek dat een algehele ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt.

4.11

Het hof overweegt hierover het volgende. Door [appellant] is geregeld geklaagd over het functioneren van de airco, maar daarmee is nog niet gezegd dat vanaf het aangaan van de koopovereenkomst tot aan de ontbinding daarvan steeds daadwerkelijk sprake is geweest van een gebrek dat [appellant] op grond van de koopovereenkomst niet behoefde te verwachten. Tegenover de betwisting ervan door [geïntimeerde] heeft [appellant] dat in ieder geval vooralsnog niet voldoende concreet onderbouwd. Technische rapportage over het door [appellant] ervaren probleem met de airco heeft hij niet in het geding gebracht. Ook indien zou komen vast te staan dat de airco vanaf het begin niet goed heeft gefunctioneerd en ook ten tijde van de ontbinding van de koopovereenkomst door [appellant] nog gebreken vertoonde, betekent dat niet dat een algehele ontbinding van de koopovereenkomst gerechtvaardigd is te achten. Van een niet goed functionerende airco kan onder de omstandigheden van dit geval (een tweedehands auto van zo’n acht jaar oud) niet worden gezegd dat sprake is van een gebrek dat aan een normaal gebruik van de auto in de weg staat, laat staan dat daardoor de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. Dat betekent dat ook in dat geval geen grond aanwezig is voor ontbinding van de koopovereenkomst en het ongedaan maken van de over en weer verrichte prestaties. Grief IV wordt daarom verworpen.

4.11

De kantonrechter is tot de conclusie gekomen dat de door [appellant] aangevoerde gebreken onvoldoende grond bieden voor de ontbinding van de koopovereenkomst, zodat de ongedaanmakingsvordering niet toewijsbaar is. Hierop ziet grief V. Uit het voorgaande blijkt dat ook het hof de ontbinding van de koopovereenkomst niet gerechtvaardigd acht met als gevolg dat de vordering van [appellant] niet kan worden toegewezen. Deze grief wordt daarom verworpen.

4.12

Dat geldt ook voor de zesde en laatste grief inzake de proceskostenveroordeling die naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis heeft.

4.13

Nu alle grieven zijn verworpen zal het vonnis van 11 februari 2016 worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. [appellant] heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden zodat ook overigens voor bewijslevering geen grond bestaat.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 11 februari 2016 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 718,= aan griffierecht en op € 632,= aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 juli 2017.

griffier rolraadsheer