Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3242

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
200.191.902_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag van instantie

Onderhandelingstoestemming

Overdracht dossier advocaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.191.902/01

arrest van 18 juli 2017

in de zaak van

1 De Maatschap [De Advocaten] Advocaten,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

c.q. de maten:

[maat 1],

wonende te [woonplaats] ,

[maat 2],

wonende te [woonplaats] ,

[maat 3],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

appellanten,

advocaat: mr. M.M. Van Tol te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

tegen

1 Advocatenkantoor [Advocatenkantoor] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. R.M.W.H. Bedaux ,

2. [geintimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.H.C.K. Reijans te Echt, gemeente Echt-Susteren,

3. [Schadeverzekeringen] Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

geïntimeerden,

op het bij de op 17 mei 2016 aan geïntimeerde sub 1, op 17 mei 2016 aan geïntimeerde sub 2 en op 18 mei 2016 aan geïntimeerde sub 3 uitgereikte exploten van dagvaarding ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de kantonrechter bij de rechtbank Limburg, burgerlijk recht, zittingsplaats Roermond van 4 februari 2015, 1 juli 2015, 27 januari 2016 en 20 april 2016 gewezen tussen appellanten -respectievelijk [De Advocaten] Advocaten, [maat 1] , [maat 2] en [maat 3] , tezamen de Maatschap- als eisende partij in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerden -respectievelijk [Advocatenkantoor] (gedaagde sub 1), [geintimeerde 2] (gedaagde sub 2) en [Schadeverzekeringen] (gedaagde sub 3)- als gedaagde partijen en [Advocatenkantoor] als eisende partij in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3441343 \ CV EXPL 14-10082)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de door elke geïntimeerde afzonderlijk genomen memorie van antwoord.

Nadat de Maatschap en [Schadeverzekeringen] arrest hebben gevraagd, [Schadeverzekeringen] onder het fourneren van de stukken, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Onder het hoofd “2. De feiten” heeft de rechtbank in het eindvonnis van 20 april 2016 de feiten vermeld waarvan kennelijk bij de uitspraak is uitgegaan. Tegen hetgeen aldaar is vermeld, zijn geen bezwaren zijn aangevoerd, zodat ook het hof daarvan, voor zover relevant, zal uitgaan. Daarnaast staat nog een enkel feit vast. Hierna volgt een opsomming van die vaststaande feiten.

a. [geintimeerde 2] is op 31 maart 2004 een verkeersongeval overkomen waarbij hij letsel heeft opgelopen en waarvoor [Schadeverzekeringen] aansprakelijk was.

b. [geintimeerde 2] heeft een letselschadezaak aanhangig gemaakt tegen [Schadeverzekeringen] . In de periode tot begin 2011 is deze letselschadezaak behandeld door de Maatschap, alleen of hoofdzakelijk door [maat 1] .

c. Begin 2011 is [geintimeerde 2] van advocaat veranderd en heeft [Advocatenkantoor] de behandeling van de letselschadezaak overgenomen van de Maatschap.

d. De deken van de Orde van Advocaten te [vestigingsplaats] heeft bemiddeld bij de overdracht van het dossier [geintimeerde 2] van de Maatschap aan [Advocatenkantoor] . Ten overstaan van de deken zijn [maat 1] en [Advocatenkantoor] voor zover van belang op 23 november 2011 blijkens het door de deken opgemaakte en ondertekende verslag het volgende overeengekomen (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg):

“(…)

6. Aan het afgeven van het dossier heeft mr. [maat 1] de voorwaarde verbonden dat de heer [geintimeerde 2] ter meerdere zekerheid van de betaling van de binnengerechtelijke kosten (= kosten binnen rechte/vanaf dagvaarding) een bedrag stort van € 5.000,- op de dekenderdenrekening vanuit het onderhandelingsresultaat dat mr. [maat van Advocatenkantoor] zal bereiken met mr. Knijp, advocaat van [Schadeverzekeringen] . De heer [geintimeerde 2] stemt daarmee in en hij machtigt bij deze mr. [maat van Advocatenkantoor] om vanuit diens derdengeldrekening terstond na ontvangst dit bedrag door te storten naar de dekenderdenrekening. Dit bedrag zal daar worden geparkeerd totdat beide partijen hebben verklaard dat het bedrag kan worden vrijgegeven (…).

7. Partijen zijn verdeeld gebleven over de vraag hoe gehandeld dient te worden ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten ten bedrag van € 8.329,-. Mr [maat 1] wenst dit bedrag te ontvangen terstond nadat de verzekeraar dit bedrag heeft geaccepteerd, de heer [geintimeerde 2] wenst dit bedrag na ontvangst eveneens op de dekenderdenrekening te storten.

Partijen hebben de deken verzocht hierover een beslissing te nemen, waaraan zij zich bindend zullen conformeren.

Mr. [maat van Advocatenkantoor] zal zich inspannen de onderhavige buitengerechtelijke kosten zo spoedig mogelijk door de verzekeraar betaald te krijgen.

Alles afwegende kom ik tot de beslissing dat van het bedrag van de buitengerechtelijke kosten (…) € 5.000,- terstond na goedkeuring en betaling door de verzekeraar, door mr. [maat van Advocatenkantoor] zal worden gestort op de dekenderdenrekening, en het restantbedrag ad € 3.329,- op de kantoorrekening van mr. [maat 1] . Ook hier machtigt de heer [geintimeerde 2] mr. [maat van Advocatenkantoor] om vanuit diens derdengeldenrekenng terstond na ontvangst dit bedrag door te storten naar de dekenderdenrekening. Dit bedrag zal daar worden geparkeerd totdat beide partijen hebben verklaard dat het bedrag kan worden vrijgegeven en zo ja, tot welke hoogte en aan wie van partijen betaling dient te geschieden. (…).

e. Bij dit hof hebben [geintimeerde 2] , toen appellant die werd bijgestaan door [Advocatenkantoor] , en geïntimeerde [Schadeverzekeringen] , bijgestaan door mr. Knijp, ter beëindiging van het (letselschade)geschil, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, een regeling getroffen en is de zaak doorgehaald. De betreffende vaststellingsovereenkomst van 17 april 2012 (productie 8 dagvaarding in eerste aanleg) houdt in, voor zover van belang:

“(…)

1. [Schadeverzekeringen] (…) betaalt aan [geintimeerde 2] een slotbetaling van € 235.000,- (…).

2. [Schadeverzekeringen] (…) betaalt alle kosten van [geintimeerde 2] (o.a. kosten NRL, kosten advocaten mits reëel).

(…)”.

f. De brief van 16 mei 2012 van [Advocatenkantoor] aan de heer [medewerker van Schadeverzekeringen] van [Schadeverzekeringen] betreffende [geintimeerde 2] / [verzekeringsmaatschappij] (productie 2 conclusie van antwoord teven conclusie van eis in reconventie van [Advocatenkantoor] ) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Hierbij doe ik U per mail en per post toekomen:

1. Mijn afrekening d.d. 23-4-2012 aan buitengerechtelijke advocaatkosten ad € 31.875,30.

(…)

3. Opgave openstaande rekening d.d. 30 mei 2011 van Mr. [maat 1] aan buitengerechtelijke advocatenkosten t/m 17-11-2009 ad € 8329,02 (…) te betalen door de verzekeringsmaatschappij

4. Afrekening d.d. 27 april 2010 betreffende een verschottennota van Mr. [maat 1] tijdens de procedure ten bedrage van € 5038,93

(…)

6. Openstaande rekening d.d. 20 januari 2011 van Mr. [maat 1] van advocaatkosten na dagvaarding ad € 11.688,76.

7. Openstaande rekening d.d. 22 maart 2011 van Mr. [maat 1] van de slotdeclaratie ad € 325,44

Resumerend ziet de afrekening er pro resto als volgt uit. Ik garandeer namens cliënt een correcte afwikkeling van de kosten van Mr [maat 1] zodat U ook namens Mr [maat 1] bent gekweten na ontvangst van onderstaande bedrag.

1. Mijn afrekening d.d. 23-4-2012 € 31.875,30

2. Opgave openstaande rekening d.d. 30 mei 2011 van Mr. [maat 1] € 325,44

3. Kosten br pro resto t/m 17-11-2009 (…) € 8329,02

3. Afrekening d.d. 27 april 2010 Mr. [maat 1] kosten procedure € 5.038,93

4. Openstaande rekening d.d. 20 januari 2011 van Mr. [maat 1] (…) € 11.688,76

------------------

€ 52.218,52

nog te verrekenen betaling aan NRL volgens Uw opgave dubbel

betaald - € 15147,16

Nog te betalen op bankrekening van de stichting derdengelden (…) € 37.071,36

(…)”.

g. [Advocatenkantoor] heeft uiteindelijk van [Schadeverzekeringen] ontvangen € 25.000,- en daarnaast nog € 1.997,81 aan door [Advocatenkantoor] betaalde medische kosten en griffierecht (nr. 25 conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie en nrs. 4-5 conclusie van antwoord [Schadeverzekeringen] ).

4.2.1

De Maatschap heeft bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk, des de een betalend, de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Maatschap te voldoen:

a. ter zake hoofdsom € 20.343,22;

b. de wettelijke rente vanaf 27 juni 2012 tot aan de dag der algehele betaling;

c. buitengerechtelijke kosten, excl. BTW: € 1.063,-;

d. de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat gedaagden in verzuim zijn deze kosten te voldoen, althans in ieder geval vanaf de datum van de betekening van het te wijzen vonnis;

e. de na het vonnis ontstane nakosten, begroot op:

  • -

    in conventie of reconventie zonder betekening: € 131,-;

  • -

    in conventie of reconventie met betekening: € 199,-;

  • -

    in conventie en reconventie zonder betekening: € 205,-;

  • -

    in conventie en reconventie met betekening: € 273,-,

vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening.

Bij op 13 januari 2016 genomen akte ter rolle heeft de Maatschap haar eis als volgt gewijzigd:

De Maatschap wijzigt haar vorderingen jegens gedaagden op navolgende wijze:

De Maatschap trekt haar verzoek tot hoofdelijke veroordeling van gedaagden in en stelt thans de volgende vorderingen in:

I. dat het de kantonrechter moge behagen om voor recht te verklaren dat [Advocatenkantoor] jegens de Maatschap onrechtmatig heeft gehandeld en hem op grond daarvan te veroordelen tot betaling van alle schade die de Maatschap ten gevolge daarvan heeft geleden en nog zal lijden, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet;

II. [Schadeverzekeringen] te veroordelen om aan de Maatschap te voldoen € 25.000,-;

III. [Advocatenkantoor] en [Schadeverzekeringen] als de meest gerede partijen hoofdelijk des, dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in alle kosten van de onderhavige procedures, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat gedaagden in verzuim zijn deze kosten te voldoen, althans in ieder geval vanaf de datum van de betekening van het te wijzen vonnis;

IV. [Advocatenkantoor] en [Schadeverzekeringen] hoofdelijk des, dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de na het te wijzen vonnis ontstane nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening.

4.2.2

De kantonrechter heeft naar aanleiding van deze wijziging eis bij vonnis van 27 januari 2016 de Maatschap in staat gesteld zich uit te laten over de vraag of de gewijzigde eis ten aanzien van [Advocatenkantoor] tot de absolute competentie van de kantonrechter behoort en om zich uit te laten over de positie van [geintimeerde 2] . De Maatschap heeft daarop laten weten haar vordering ten opzichte van [Advocatenkantoor] te beperken tot € 25.000,- en dat haar vordering zoals geformuleerd in het petitum van de inleidende dagvaarding onverkort heeft te gelden tegen [geintimeerde 2] en dat zij bij de veroordeling van [geintimeerde 2] persisteert. De gedaagden hebben daarop een akte genomen.

4.2.3

Bij eindvonnis van 20 april 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de Maatschap door na de genomen eiswijziging eenvoudigweg te stellen dat jegens [geintimeerde 2] wordt gepersisteerd niet ongedaan heeft gemaakt de intrekking van de vordering tegen [geintimeerde 2] zoals is gedaan bij akte wijziging eis. Er is aldus geen vordering meer aanhangig tegen [geintimeerde 2] , waarna [geintimeerde 2] is ontslagen van instantie. De vordering tegen [Advocatenkantoor] is afgewezen als onvoldoende onderbouwd, omdat, zo begrijpt het hof, de Maatschap heeft nagelaten te stellen en onderbouwen welke schade in causaal verband staat tot het gestelde onrechtmatig handelen van [Advocatenkantoor] en de Maatschap meer dan voldoende in de gelegenheid is geweest de schade te begroten. De vordering tegen [Schadeverzekeringen] is afgewezen als volstrekt onvoldoende onderbouwd. De reconventionele vordering van [Advocatenkantoor] is afgewezen omdat die vordering betrekking heeft op de perikelen van de overdracht van het dossier [geintimeerde 2] , terwijl [Advocatenkantoor] onvoldoende heeft aangetoond dat die perikelen enkel aan de Maatschap kunnen worden verweten. De Maatschap is, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten voor wat betreft de procedures tegen [geintimeerde 2] en [Schadeverzekeringen] . De proceskosten in conventie en reconventie in de procedure tussen de Maatschap en [Advocatenkantoor] zijn gecompenseerd.

4.3

De Maatschap heeft bij dagvaarding in hoger beroep gevorderd dat het hof zal vernietigen de vonnissen van 4 februari 2015, 1 juli 2015, 27 januari 2016 en 20 april 2016 en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerden alsnog hoofdelijk des, de een betalend, de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Maatschap te voldoen:

a. ter zake hoofdsom € 20.343,22;

b. de wettelijke rente vanaf 27 juni 2012 tot aan de dag der algehele betaling;

c. de buitengerechtelijke kosten, excl. BTW, ad € 1.063,-,

voorts met hoofdelijke veroordeling in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat geïntimeerden in verzuim zijn deze kosten te voldoen, althans in ieder geval vanaf de datum van de betekening van het te wijzen arrest, en de na dit arrest ontstane nakosten, begroot op:

  • -

    in conventie of reconventie zonder betekening: € 131,-;

  • -

    in conventie of reconventie met betekening: € 199,-;

  • -

    in conventie en reconventie zonder betekening: € 205,-;

  • -

    in conventie en reconventie met betekening: € 273,-,

vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening. Bij memorie van grieven heeft de Maatschap vier grieven voorgedragen en heeft zij gepersisteerd.

Geïntimeerden voeren ieder voor zich verweer.

4.4

De Maatschap heeft geen grieven aangevoerd tegen de vonnissen van 4 februari 2015, 1 juli 2015 en 27 januari 2016, zodat zij in haar hoger beroep tegen die vonnissen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.5

Ontslag van instantie kan in eerste aanleg op vordering van gedaagde worden verleend in de in de artikelen 123 en 127 Rv genoemde gevallen. Uit niets blijkt dat [geintimeerde 2] dat heeft gevorderd, noch daargelaten dat de in die artikelen genoemde gevallen zich niet hebben voorgedaan wat betreft de vordering van de Maatschap tegen [geintimeerde 2] . Het geval van art. 127a lid 2 Rv of van art. 27 lid 2 Fw heeft zich evenmin voorgedaan. Daarmee is zonder enige rechtsgrond [geintimeerde 2] van instantie ontslagen. Dit betekent dat het eindvonnis in elk geval wat dit betreft moet worden vernietigd.

Het hof merkt terzijde nog op dat het onbegrijpelijk is dat de vordering van de Maatschap tegen [geintimeerde 2] niet inhoudelijk is beoordeeld. De Maatschap heeft in niet mis te verstane woorden in haar akte die zij heeft genomen na het tussenvonnis van 27 januari 2016 gepersisteerd bij haar vordering tegen [geintimeerde 2] zoals verwoord in het petitum van de inleidende dagvaarding. [geintimeerde 2] heeft in zijn daarop volgende akte geen bezwaren aangevoerd tegen het feit dat de Maatschap wat haar vordering tegen hem betreft heeft gepersisteerd bij het in het petitum van de inleidende dagvaarding gevorderde. Gelet daarop bestond er geen enkel beletsel voor de kantonrechter om de vordering tegen [geintimeerde 2] inhoudelijk te beoordelen.

4.6

De Maatschap stelt dat zij in opdracht en voor rekening van [geintimeerde 2] werkzaamheden heeft verricht in zijn letselschadezaak, waarvoor zij verschillende facturen heeft verzonden. Reeal heeft een aantal van de door de Maatschap opgestelde facturen betaald. Onbetaald zijn gebleven de als producties 15, 16 en 17 bij akte ter rolle van 13 januari 2016 door de Maatschap overgelegde facturen van 9 november 2009 ad € 8.329,02, van 20 januari 2011 ad € 11.688,76 en van 22 maart 2011 ad € 325,44, zijnde in totaal € 20.343,22. De Maatschap voert nog aan dat [geintimeerde 2] bij aan [Schadeverzekeringen] kenbaar gemaakte akte van cessie 21 december 2015 (productie 18 akte ter rolle van 13 januari 2016) de facturen als reëel heeft erkend. In die akte heeft [geintimeerde 2] verder op basis van art. 2 van de vaststellingsovereenkomst van 17 april 2012 (productie 8 bij inleidende dagvaarding), opgemaakt ten overstaan van een raadsheer van dit hof in de zaak van [geintimeerde 2] tegen [Schadeverzekeringen] , verklaard een vordering van € 20.343,22 op [Schadeverzekeringen] te hebben. Die vordering van € 20.343,22 heeft [geintimeerde 2] aan de Maatschap gecedeerd bij de akte van 21 december 2015.

4.7.1

De vordering tegen [Advocatenkantoor] grondt de Maatschap in dit hoger beroep, zo blijkt uit grief III, op de stelling dat hij zich ten opzichte van de Maatschap onrechtmatig heeft gedragen door in 2012 een regeling te treffen ter zake van de buitengerechtelijke kosten zonder daarbij de Maatschap te betrekken, althans daarvan in kennis te stellen, waarmee de belangen van de Maatschap ernstig zijn geschaad (zie ook nr. 15 en nr. 16 dagvaarding in eerste aanleg). De Raad van Discipline heeft wat dit betreft, aldus de Maatschap, geoordeeld dat [Advocatenkantoor] zich hiermee niet confraterneel jegens [maat 1] heeft gedragen, en heeft hem ter zake een waarschuwing opgelegd.

4.7.2

De vordering tegen [geintimeerde 2] grondt de Maatschap op de stelling dat zij in opdracht en voor rekening van [geintimeerde 2] werkzaamheden heeft verricht. Die werkzaamheden zijn gedeclareerd, maar de hiervoor genoemde declaraties van 9 november 2009 ad € 8.329,02, van 20 januari 2011 ad € 11.688,76 en van 22 maart 2011 ad € 325,44 zijn onbetaald gebleven.

4.7.3

De Maatschap is van mening dat [Schadeverzekeringen] gehouden is de vordering te betalen vanwege art. 6:96 BW en de afspraken die zijn neergelegd in het proces-verbaal van 17 april 2012. De vordering die [geintimeerde 2] op [Schadeverzekeringen] heeft op grond van art. 2 van dat proces-verbaal heeft hij overgedragen aan de Maatschap, zo voert zij nog aan in haar grief I.

4.8

Bij de beantwoording van de vraag of [Advocatenkantoor] , zoals de Maatschap blijkens rov. 4.7.1 aanvoert, een regeling heeft getroffen zonder daarbij de Maatschap te betrekken, stelt het hof voorop dat uit het verslag van de deken en de brief van [Advocatenkantoor] aan [Schadeverzekeringen] van 16 mei 2012 in onderling verband en samenhang beschouwd, moet worden afgeleid dat de Maatschap geen bezwaar had tegen het feit dat [Advocatenkantoor] mede namens de Maatschap met [Schadeverzekeringen] onderhandelde over een eindafrekening. Gesteld noch gebleken is dat de Maatschap hierbij geen onderhandelingsruimte aan [Advocatenkantoor] wenste te verlenen en dat de Maatschap dus alleen genoegen zou nemen met betaling van € 20.343,22, zijnde het totaal van de drie facturen. [Advocatenkantoor] mocht er dus van uitgaan dat hij enige speelruimte had. Verder blijkt nergens uit dat [Advocatenkantoor] op enig moment voordat hij met [Schadeverzekeringen] overeenkwam dat [Schadeverzekeringen] € 25.000,- + € 1.997,81 zou betalen, [Schadeverzekeringen] en de Maatschap heeft laten weten dat hij niet meer, zoals hij nog uitdrukkelijk in zijn brief van 16 mei 2012 heeft vermeld, mede namens de Maatschap handelde. In die brief van 16 mei 2012 garandeert [Advocatenkantoor] immers “(…) namens cliënt een correcte afwikkeling van de kosten van Mr [maat 1] zodat U ook namens Mr [maat 1] bent gekweten na ontvangst van onderstaande bedrag.”. Dit betekent dat toen [Advocatenkantoor] met [Schadeverzekeringen] een akkoord bereikte over een te betalen bedrag van € 25.000,- + € 1.997,81, [Advocatenkantoor] nog steeds mede namens de Maatschap optrad. Het moet er daarom voor worden gehouden dat in het door [Advocatenkantoor] ontvangen bedrag ook een evenredig deel van de vordering van de Maatschap is begrepen. Dat blijkt ook uit het door [Advocatenkantoor] ontvangen bedrag. Aan hem is immers overgemaakt in totaal € 26.997,81. In zijn eigen brief van 16 mei 2012 schrijft hij echter dat zijn afrekening weliswaar € 31.875,30 bedraagt, maar dat nog moet worden verrekend een betaling aan NRL die dubbel zou zijn gedaan en hij noemt daarbij zelf het bedrag van € 15.147,16. Hij heeft dit bedrag ook inderdaad in die brief van 16 mei 2012 afgetrokken van het totaal door hem gevorderde bedrag. Waar [Advocatenkantoor] zelf dus meende recht te hebben op netto € 16.728,14 (€ 31.875,30 min € 15.147,16), maar in totaal van [Schadeverzekeringen] € 26.997,81 ontving, brengt dit met zich dat in het door hem van [Schadeverzekeringen] ontvangen bedrag ook een aan de Maatschap toekomend deel was begrepen. Nu wat dit betreft niet anders is gesteld of gebleken moet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van € 26.997,81 in verhouding tot ieders bij [Schadeverzekeringen] bij brief van 16 mei 2012 ingediende vordering moet worden verdeeld. Nu € 31.875,30 afgerond 1,57 maal hoger is dan € 20.343,22, komt van het bedrag van € 26.997,81 aan [maat 1] toe € 10.504,90 en aan [Advocatenkantoor] € 16.492,91. Tezamen is dit € 26.997,81. In zoverre slaagt het hoger beroep tegen [Advocatenkantoor] .

4.9

Uit het in rov. 4.8 gegeven oordeel vloeit voort dat [Schadeverzekeringen] door de betaling aan [Advocatenkantoor] ook is gekweten ten opzichte van de Maatschap. [Schadeverzekeringen] mocht [Advocatenkantoor] immers voor bevoegd houden om ook de Maatschap te vertegenwoordigen. Dit betekent dat het hoger beroep voor zover ingesteld tegen [Schadeverzekeringen] niet slaagt.

4.10

Uit hetgeen in het verslag van de deken onder nr. 6 is vermeld, blijkt dat ook de positie van [geintimeerde 2] bij de besprekingen en de gesloten overeenkomst bij de deken is meegenomen. In nr. 6 is immers vermeld dat [geintimeerde 2] ermee instemt dat er vanuit het onderhandelingsresultaat dat [Advocatenkantoor] met [Schadeverzekeringen] zal bereiken, een bedrag op de dekenderdengeldrekening zal worden gestort. Het hof leidt hieruit af dat de (hoogte van de) vordering van de Maatschap onlosmakelijk is verbonden met de verdere resultaten van de letselschadeprocedure, voor zover daarin tenminste een voor [geintimeerde 2] positief resultaat uit zou voortvloeien, hetgeen daadwerkelijk is geschied. Daarmee faalt ook de tegen [geintimeerde 2] gerichte grief.

4.11

Uit het voorgaande blijkt dat er geen voldoende onderbouwde, maar betwiste feiten in geschil zijn die, indien zij na bewijslevering zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden. Het hof kan dan ook aan alle bewijsaanbiedingen voorbij gaan.

4.12

Een en ander betekent dat het hof het vonnis van 20 april 2016 zal vernietigen voor zover daarbij [geintimeerde 2] is ontslagen van instantie en voor zover de vordering tegen [Advocatenkantoor] in conventie is afgewezen en voor zover de proceskosten in conventie tussen de Maatschap en [Advocatenkantoor] zijn gecompenseerd. Voor het overige zal het vonnis in conventie worden bekrachtigd. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis voor zover in reconventie gewezen. De vordering voor zover toegewezen is gegrond op de vaststellingsovereenkomst van 17 april 2012, dus van voor de inwerkingtreding op 1 juli 2012 van de regels voor de incassokosten. De Maatschap heeft, zo blijkt uit de door haar in eerste aanleg bij dagvaarding overgelegde producties, werkzaamheden ter incasso verricht. [Advocatenkantoor] zal daarom worden veroordeeld in de incassokosten, berekend aan de hand van het tarief van vóór 1 juli 2012.

[Advocatenkantoor] heeft te gelden als in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van dit hoger beroep, voor zover gerezen tussen [Advocatenkantoor] en de Maatschap. De Maatschap zal worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep gerezen tussen haar enerzijds en [Schadeverzekeringen] en [geintimeerde 2] anderzijds.

5 De uitspraak

Het hof:

a. verklaart de Maatschap niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover ingesteld tegen de vonnissen van 4 februari 2015, 1 juli 2015 en 27 januari 2016;

b. vernietigt het tussen de Maatschap en [geintimeerde 2] gewezen vonnis in conventie voor zover [geintimeerde 2] daarin is ontslagen van instantie en doet opnieuw recht als volgt:

c. wijst af de vordering van de Maatschap tegen [geintimeerde 2] ;

d. vernietigt het tussen de Maatschap en [Advocatenkantoor] in conventie gewezen vonnis en doet opnieuw recht als volgt:

e. veroordeelt [Advocatenkantoor] om aan de Maatschap te betalen ter zake hoofdsom € 10.504,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2012 tot aan de dag der algehele betaling en ter zake buitengerechtelijke kosten, excl. btw, € 800,-;

f. veroordeelt [Advocatenkantoor] voor wat betreft de procedure tussen [Advocatenkantoor] en de Maatschap in de proceskosten, in eerste aanleg begroot op € 923,- aan griffierecht en € 800,- aan salaris advocaat en in dit hoger beroep begroot op € 1.957,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest aan [Advocatenkantoor] , en vermeerderd met de na dit arrest ontstane nakosten, begroot op € 131,- zonder betekening van dit arrest en op € 199,- met betekening van dit arrest, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening;

g. veroordeelt de Maatschap in de procedure in hoger beroep tussen haar en [geintimeerde 2] in de kosten van dat hoger beroep, aan de zijde van [geintimeerde 2] begroot op € 718,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat;

h. veroordeelt de Maatschap in de procedure in hoger beroep tussen haar en [Schadeverzekeringen] in de kosten van dat hoger beroep, aan de zijde van [Schadeverzekeringen] begroot op € 1.957,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, vermeerderd met de na dit arrest ontstane nakosten, begroot op € 131,- zonder betekening van dit arrest en op € 199,- met betekening van dit arrest, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze (na)kosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald te rekenen vanaf genoemde termijn voor voldoening;

i. verklaart de onder e., f. en h. gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

j. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

k. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 juli 2017.

griffier rolraadsheer