Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3238

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
20-000735-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag op een 3-jarig kind.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de strafmotivering en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

De verdachte heeft op 11 februari 2016 het toen 3-jarige zoontje van zijn vriendin zo zwaar mishandeld dat het jongetje ten gevolge van deze mishandeling bijna was overleden. Een lange operatie was nodig om zijn leven te redden. Het slachtoffer was niet alleen weerloos door zijn jonge leeftijd, maar ook extra kwetsbaar doordat hij een achterstand in zijn ontwikkeling had. Bovendien lag het kind in zijn bed te slapen toen de verdachte, tijdelijk belast met de zorg voor het kind, diens slaapkamer heeft betreden en hem heeft mishandeld. Dit, terwijl de woning voor het kind een veilige en beschermde omgeving had moeten zijn.

Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat een behandeling die enige reële kans van slagen heeft niet voorhanden is. Reeds daarom zal het hof geen maatregel van Tbs (al dan niet met voorwaarden) opleggen. Een klinische behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde, is evenmin aan de orde.

Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0649
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000735-17

Uitspraak : 18 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 februari 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-720274-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1990,

thans verblijvende in Huis van Bewaring te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 6.500,00 ter zake van de immateriële schade, ter zake van de materiële schade een bedrag van € 664,00 (dagvergoeding ziekenhuis) en een door het hof naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor Reiskosten Bureau Jeugdzorg, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair is vrijspraak bepleit en meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de benadeelde partij heeft de verdediging primair de niet-ontvankelijkverklaring van deze vordering bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering voor wat betreft de immateriële schade te matigen en de vordering voor zover deze ziet op de post ‘Reiskosten Bureau Jeugdzorg’ niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts heeft de verdediging verzocht de vervangende hechtenis in het kader van de schadevergoedingsmaatregel te beperken, gelet op de draagkracht van de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met inachtneming van de hierna te noemen wijzigingen en aanvullingen, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de strafmotivering en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging wederom aangevoerd dat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe is betoogd dat is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Kort gezegd heeft de verdediging aangevoerd dat onduidelijk is waarom [moeder van het slachtoffer] (hierna: [moeder van het slachtoffer] ) uiteindelijk niet is vervolgd ter zake het toebrengen van ernstig letsel aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), maar de verdachte wel. In dat kader wordt door de verdediging verwezen naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4424). Gegeven deze omstandigheid is het naar het oordeel van de verdediging voorts onbegrijpelijk dat het bestanddeel ‘medeplegen’ nog altijd deel uitmaakt van de tenlastelegging in de zaak tegen de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank dienaangaande reeds is overwogen, het volgende.

In de voorliggende zaak is het hof gebleken dat de verdenking tegen de verdachte naarmate het politieonderzoek vorderde steeds sterker is geworden. Op enig moment werd namelijk duidelijk dat de verdachte kort voor het ontstaan van het letsel bij [slachtoffer] enige tijd alleen met [slachtoffer] in de woning is geweest. Daarentegen nam de verdenking tegen [moeder van het slachtoffer] naarmate het onderzoek vorderde juist af. Jegens haar leverde het politieonderzoek geen aanvullende belastende informatie op. Naar het oordeel van het hof is juist hierin de ongelijkheid van de situatie van de verdachte en die van [moeder van het slachtoffer] gelegen. Op dit punt verschilt de onderhavige zaak met de door de verdediging aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Daar ging het om een woninginbraak gepleegd door vier verdachten, waarvan er slechts één werd vervolgd en de vervolging van de andere drie was geseponeerd vanwege ‘oud feit’, terwijl de zaak van de verdachte net zo oud was. Anders dan in die zaak is in de onderhavige zaak van een schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur geen sprake. De conclusie is dan ook dat het openbaar ministerie heeft – ook na het seponeren van de strafzaak tegen [moeder van het slachtoffer] – de vervolging van de verdachte in redelijkheid kunnen voortzetten.

In de omstandigheid dat de tenlastelegging niet is gewijzigd, in die zin dat het bestanddeel ‘medeplegen’ niet is geschrapt na het sepot van zaak tegen [moeder van het slachtoffer] , ziet het hof evenmin aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden, die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging is niet in de gelegenheid gesteld [slachtoffer] als getuige te horen en is evenmin op enige andere wijze gecompenseerd om de geloofwaardigheid van de indirecte verklaringen van [slachtoffer] , te weten hetgeen [slachtoffer] tegen [moeder van het slachtoffer] en zijn pleegmoeder zou hebben gezegd, te toetsen. Om die reden zal het hof deze verklaringen, alsmede de bevindingen van [forensisch arts] , voor zover deze zijn gebaseerd op hetgeen [slachtoffer] zou hebben verklaard, conform het verzoek van de raadsman niet gebruiken voor het bewijs.

Aldus verenigt het hof zich met de bewezenverklaring en de door de rechtbank gegeven bewijsmotivering, doch met uitzondering van de passage “Ten tweede is er de verklaring van [slachtoffer] … Hij acht hypothese 2b uitgesloten.” op pagina’s 7 en 8 en de passage “Overigens merkt de rechtbank in dit verband … waarover [slachtoffer] verteld heeft/zou hebben aan pleegmoeder.” op pagina 10 van het vonnis.

Voor de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof hieronder die bewijsmotivering van de rechtbank weer zoals vermeld in het vonnis op pagina’s 4 tot en met 11 onder kopje 4.3, zoals die komt te luiden met inachtneming met het vorenstaande.1

Ten aanzien van het bewijs

Aanleiding

[slachtoffer] werd op 11 februari 2016 om 15.30 uur door de chauffeur van Megabus afgezet bij zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] .2 Volgens de chauffeur gedroeg [slachtoffer] zich op die dag hetzelfde als altijd, lief en stil.3 [slachtoffer] was op het medisch kinderdagverblijf geweest. Volgens een medewerkster van het medisch kinderdagverblijf was [slachtoffer] die dag heel vrolijk en zat hij lekker in zijn vel. De medewerkers van het medisch kinderdagverblijf hadden die dag van hem genoten.4

Op 11 februari 2016 om 17.27 uur werd vanuit de woning het alarmnummer gebeld.5 [slachtoffer] werd vervolgens door de ambulance vanuit de woning naar de spoedeisende hulp van het Zuyderland Medisch Centrum te Heerlen (hierna te noemen: Zuyderland ziekenhuis) gebracht.6

[gezinsvoogd] , werkzaam bij Bureau Jeugdzorg en als gezinsvoogd betrokken bij [slachtoffer] , geboren [in het jaar] 2012, heeft op 18 februari 2016 aangifte gedaan van een poging tot doodslag op [slachtoffer] , gepleegd op 11 februari 2016 aan [adres] te [woonplaats] . [gezinsvoogd] heeft verklaard zij op 12 februari 2016 in kennis werd gesteld van het feit dat [slachtoffer] op de spoedeisende hulp van het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen was binnengebracht en vervolgens was overgebracht naar het academisch ziekenhuis te Maastricht (hierna te noemen: azM). Het Zuyderland ziekenhuis gaf aan dat [slachtoffer] was binnengebracht met levensbedreigend letsel. Een operatie (die vier uur heeft geduurd) was nodig om te voorkomen dat [slachtoffer] zou overlijden. [gezinsvoogd] heeft vervolgens contact met de moeder van [slachtoffer] , [moeder van het slachtoffer] , opgenomen. [gezinsvoogd] hoorde van [moeder van het slachtoffer] dat [slachtoffer] met spoed aan hersenletsel was geopereerd. Op 15 februari 2016 werd Bureau Jeugdzorg door Veilig Thuis geadviseerd om aangifte te doen van de mishandeling van [slachtoffer] . [gezinsvoogd] heeft voorts verklaard dat de arts in het ziekenhuis heeft aangegeven dat dergelijk zwaar lichamelijk letsel niet kan ontstaan door een val. Ook werd door de arts vermeld dat cannabis in de urine van [slachtoffer] was aangetroffen.7

Uit de bevindingen van de kinderartsen van het azM en het operatiekamerverslag blijkt eveneens dat direct neurologisch chirurgisch ingrijpen noodzakelijk was, waarbij een acuut subduraal hematoom is verwijderd.8

Het letsel van [slachtoffer]

[forensisch arts] , forensisch arts en werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, en door de rechter-commissaris benoemd als deskundige in deze strafzaak, heeft op 1 augustus 2016 een rapport uitgebracht, met daarin zijn bevindingen van het medisch forensisch onderzoek naar het letsel van [slachtoffer] . Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de aan hem ter beschikking gestelde medische informatie van het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen en het azM.

Uit het rapport van [forensisch arts] , onder meer, dat in het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen op 11 februari 2016 (samengevat) de volgende uitwendige zichtbare afwijkingen bij [slachtoffer] werden waargenomen:

- een forse zwelling van de rechterzijde van het hoofd (voor- en zijkant, rechts meer dan links);

- wondjes aan de binnenkant van de onderlip, tevens tongbeet;

- verse en oude hematomen (onderhuidse bloeduitstortingen) op:

- jukbeen rechts;

- rechterhand;

- rechteronderarm;

- rechterelleboog;

- linker bovenarm (twee keer halfrond, mogelijk bijtwond);

- op het borstbeen (oud);

- rechterbovenbeen;

- rechterbil;

- wondjes rechts op scrotum;

- onderhuidse bloeduitstortingen, wondjes en roodheid beide enkels/voeten.9

Uit de bevindingen van aanvullend onderzoek aan en in het hoofd, door middel van een CT-scan d.d. 11-02-2016 is gebleken van:

- afwijkingen passend bij een acute subdurale bloeding (een bloeding tussen het harde hersenvlies en de hersenen) aan de rechtervoorzijde (9 mm), doorlopend tot in de middelste schedelgroeve. Verschuiving van de middellijn van de hersenen van ongeveer 4 mm;

- een breuk in het schedeldak aan de rechterzijde (voor- en zijkant).10

De deskundige voornoemd heeft op basis van de bevindingen aan en in het hoofd van [slachtoffer] geconcludeerd dat de combinatie van letsels in en aan het hoofd is veroorzaakt door één of meer dan één stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd. Het is niet mogelijk om vast te stellen op basis van de beschikbare gegevens of sprake is geweest van één of meer dan één stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd.

Bij [slachtoffer] werden bij onderzoek in het Zuyderland ziekenhuis en het azM (lichamelijk, inclusief neurologisch en radiologisch onderzoek en laboratoriumonderzoek) geen aanwijzingen gevonden voor een verklarende aangeboren of verworden aandoening voor de bevindingen op en na 11 februari 2016 aan en in het hoofd van [slachtoffer] . Bij evaluatie van deze bevindingen werden door de deskundige eveneens geen aanwijzingen gevonden voor een verklarende aandoening.11

De deskundige concludeert dat de combinatie van bevindingen uitsluitend kan worden verklaard door een heftige stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd (contacttrauma). Hierbij kan sprake zijn van een acceleratietrauma (trauma door plotseling versnelling van de schedelinhoud ten opzichte van de schedel, bijvoorbeeld wanneer een voorwerp met grote snelheid tegen het hoofd komt) of een deceleratietrauma (trauma door plotseling vertraging van de schedelinhoud ten opzichte van de schedel, bijvoorbeeld wanneer het hoofd plotseling door contact met een voorwerp wordt afgeremd). Ook kan sprake zijn van een acceleratietrauma (voorwerp tegen hoofd), gevolgd door een deceleratietrauma (hoofd tegen voorwerp, bijvoorbeeld bij een ongeval of als gevolg van een val). Het is niet mogelijk nader vast te stellen welk type trauma (acceleratie, deceleratie of acceleratie gevolgd door deceleratie) bij het ontstaan van de bevindingen bij [slachtoffer] een rol heeft gespeeld.12

Met betrekking tot de krachtsinwerking kan niet exact worden aangegeven hoe groot deze moet zijn geweest, maar wel dat deze de krachtsinwerking bij een val van korte afstand op het hoofd of bij stoten van het hoofd tegen een voorwerp gedurende dagelijkse activiteiten als sport en spel ruimschoots overschrijdt, tenzij sprake is van complicerende factoren of aandoeningen. De deskundige concludeert dat het totaal aan bevindingen bij [slachtoffer] op en na 11 februari 2016 veel waarschijnlijker is bij een voorval met een niet-accidentele toedracht dan bij een voorval met een accidentele toedracht.13

[forensisch arts] heeft vervolgens onderzocht, in hoeverre het letsel van [slachtoffer] past bij de verklaringen die daarvoor zijn gegeven, zonder daarbij een uitspraak te doen over het waarheidsgehalte van de verklaringen. Zijn oordeel betreft de waarschijnlijkheid van de bevindingen, indien gebeurd zou zijn wat verklaard is.

Ten eerste is er de verklaring van [moeder van het slachtoffer] , inhoudende dat [slachtoffer] mogelijk is gevallen van of in de buurt van de vensterbank of de verwarming in zijn slaapkamer.

De deskundige formuleert op basis van de bevindingen bij [slachtoffer] op en na 11 februari 2016 en de verklaringen van [moeder van het slachtoffer] , de volgende 2 hypothesen:
Hypothese 1a: de bevindingen bij [slachtoffer] op en na 11 februari 2016 kunnen worden verklaard op basis van een val, zoals gesuggereerd door het door moeder beschreven incident;
Hypothese 1b: de bevindingen bij [slachtoffer] op en na 11 februari 2016 kunnen niet worden verklaard op basis van een val, zoals gesuggereerd door het door moeder beschreven incident.

De deskundige concludeert dat hypothese 1a uitgesloten is.
De bevindingen bij [slachtoffer] kunnen volgens hem niet worden verklaard op basis van een dergelijke val. Immers, als [slachtoffer] was gevallen, omdat/nadat hij op de door [moeder van het slachtoffer] beschreven manier klem zat/kwam te zitten tussen de verwarmingsbuizen, dan is er sprake van een val van beperkte hoogte. Bij een dergelijke val zal een kind achterover of zijwaarts vallen en vermoedelijk eerst op een ander lichaamsdeel, bijvoorbeeld billen of schouder landen, waarna het kind kan ‘doorvallen’ en met het hoofd op de vloer kan terechtkomen. Door de vermoedelijke val op het andere lichaamsdeel is de snelheid uit de val en zal de val mogelijk wel tot pijn en letsel (bijvoorbeeld onderhuidse bloeduitstortingen of subgaleale bloedingen) leiden (deceleratietrauma), maar er zal geen sprake zijn van de combinatie van min of meer ernstige letsels, zoals deze op en na 11 februari 2016 bij [slachtoffer] zijn aangetroffen (subgaleale bloeding, subdurale bloedingen en schedelbreuk in 2 schedelbotten).

Tussenconclusie ten aanzien van het bewijs

De rechtbank concludeert op basis van voornoemde bewijsmiddelen en de bevindingen van de [forensisch arts] , dat het letsel met opzet aan [slachtoffer] moet zijn toegebracht tussen 15.30 uur en 17.27 uur in de woning aan [adres] te [woonplaats] . Van complicerende factoren of bestaande aandoeningen, zo blijkt uit de bevindingen van [forensisch arts] is niet gebleken of aannemelijk geworden. Een ongeval als over verklaard is uitgesloten. Een eventueel ander ongeval is niet gebleken of aannemelijk geworden. Dat betekent ook dat het door de verdediging geschetste scenario 3, inhoudende dat [slachtoffer] het letsel door een ongeval heeft opgelopen, moet worden verworpen.

Door wie is het letsel bij [slachtoffer] toegebracht?

Nu is komen vast te staan dat het letsel opzettelijk aan [slachtoffer] is toegebracht, dient de vraag te worden beantwoord door wie dit is gedaan.

Zowel verdachte als [moeder van het slachtoffer] zijn als verdachte aangemerkt. Zij hebben beiden meerdere tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Op een aantal punten hebben zij echter (uiteindelijk) eensluidend verklaard. Dan gaat het om het hiernavolgende.

[slachtoffer] is op 11 februari 2016 na zijn verblijf op het medisch kinderdagverblijf thuis afgezet. Verdachte heeft [slachtoffer] aan de voordeur van de chauffeur overgenomen en heeft hem vervolgens aan [moeder van het slachtoffer] gegeven. [moeder van het slachtoffer] heeft [slachtoffer] kort daarna in zijn slaapkamer, gelegen op de bovenverdieping, in bed gelegd. Op dat moment waren behalve verdachte en [moeder van het slachtoffer] nog [zus slachtoffer] (hierna te noemen: [zus slachtoffer] ), zijnde het zusje van [slachtoffer] en [halfzus verdachte] (hierna te noemen: [halfzus verdachte] ), zijnde een halfzus van verdachte aanwezig. Nadat [moeder van het slachtoffer] [slachtoffer] (met kleren aan) in bed had gelegd, is zij nog een tijdje beneden in de woning geweest en is op enig moment samen met [zus slachtoffer] en [halfzus verdachte] boodschappen gaan doen. Verdachte is niet meegegaan. [moeder van het slachtoffer] , [zus slachtoffer] en [halfzus verdachte] zijn ongeveer een half uur tot drie kwartier weggeweest. Toen zij terugkwamen in de woning hoorde [moeder van het slachtoffer] [slachtoffer] zachtjes huilen. Zij is toen naar zijn slaapkamer gegaan en trof [slachtoffer] daar aan, liggend op zijn linkerzij op de grond, in zijn boxershort en met één sok aan. Over en om [slachtoffer] heen lag braaksel en zijn voetje zat klem tussen de verwarmingsbuizen. [moeder van het slachtoffer] heeft toen naar verdachte geroepen, waarop verdachte naar de slaapkamer is gekomen en het voetje van [slachtoffer] tussen de verwarmingsbuizen heeft uitgehaald. [moeder van het slachtoffer] heeft [slachtoffer] toen onder de douche gezet om het braaksel van hem af te wassen. Verdachte en [moeder van het slachtoffer] zagen toen een grote bult op het hoofd van [slachtoffer] , wat aanleiding was om meteen het alarmnummer te bellen. Behalve verdachte, [moeder van het slachtoffer] , [zus slachtoffer] en [halfzus verdachte] is op die dag niemand anders in de woning aanwezig geweest tussen 15.30 uur en 17.27 uur.14

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, overweegt de rechtbank over de door de verdediging geschetste scenario’s 1 en 2 het volgende.

Het scenario dat [moeder van het slachtoffer] het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht toen ze het kind naar bed bracht, dus vóórdat ze samen met [zus slachtoffer] en [halfzus verdachte] naar de winkel ging, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Er is geen enkel bewijsmiddel voor dit scenario. Geen van de in de woning aanwezige personen of andere getuigen hebben verklaard toen iets te hebben gezien of gehoord of andere verdachte omstandigheden te hebben waargenomen. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat zowel verdachte als [moeder van het slachtoffer] tijdens de reconstructie hebben verklaard dat [moeder van het slachtoffer] toen ze [slachtoffer] naar bed bracht, slechts korte tijd bij hem is geweest.15Scenario 1 als door de verdediging geschetst wordt dan ook verworpen, evenals de eventualiteit dat een ander in die tijdspanne het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht.

Het scenario, dat [moeder van het slachtoffer] ná thuiskomst van de winkel het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht, toen ze naar boven ging omdat ze [slachtoffer] hoorde huilen, acht de rechtbank eveneens niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [moeder van het slachtoffer] nog geen seconde boven was, toen ze riep dat hij haar moest komen helpen.16 Tijdens de reconstructie heeft verdachte vergelijkbaar verklaard, hij gaf aan dat hij niet eens de tijd had om een joint te draaien.17 Tijdens de zitting heeft verdachte – voor het eerst – verklaard dat [moeder van het slachtoffer] , na terugkomst van de winkel, naar boven is gegaan en daar 10 tot 15 minuten alleen met [slachtoffer] is geweest.18 Deze verklaring acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Scenario 2 dient derhalve eveneens te worden verworpen.

Dan resteert de vraag of het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Heeft de verdachte in de tijdspanne dat [moeder van het slachtoffer] met [zus slachtoffer] en [halfzus verdachte] naar de winkel was, [slachtoffer] mishandeld? De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Verdachte heeft tijdens de eerste zes verhoren bij de politie telkens ontkend dat hij op de betreffende dag met [slachtoffer] alleen is geweest. Pas tijdens zijn zevende verhoor bij de politie, ruim twee maanden na 11 februari 2016, heeft verdachte – toen de politie hem voorhield dat alles er op wees dat hij wél alleen met het kind in de woning is geweest – uiteindelijk verklaard dat [moeder van het slachtoffer] inderdaad met [zus slachtoffer] en [halfzus verdachte] op 11 februari 2016 samen naar de supermarkt is geweest en dat hij in de tuin is gebleven en niet naar binnen mocht van [moeder van het slachtoffer] . Tijdens zijn achtste verhoor – ruim een maand later na het vorige verhoor – heeft verdachte voor het eerst verklaard dat [moeder van het slachtoffer] de achterdeur op slot had gedaan toen ze boodschappen ging doen, zodat hij de woning niet in kon.

De vraag is of deze laatste verklaring van de verdachte geloofwaardig is. [moeder van het slachtoffer] heeft immers bij de politie verklaard dat zij de achterdeur niet op slot heeft gedaan toen ze naar de winkel ging.19

De rechtbank stelt verder vast dat toen verdachte in zijn zevende verhoor uiteindelijk bij de politie toegeeft dat hij bij de woning is achtergebleven toen [moeder van het slachtoffer] boodschappen ging doen, op de vragen van de verbalisanten ‘hoe vaak hij onder aan de trap is gaan luisteren of [slachtoffer] huilde’ en ‘hoe vaak hij bij hem op de slaapkamer is geweest om te kijken hoe het met hem was’ simpelweg antwoordt met: ‘niet’. De rechtbank acht het opmerkelijk dat verdachte tijdens dit verhoor niet heeft verklaard dat de achterdeur afgesloten was en hij de woning niet kón betreden. Een maand later stelt de verdachte zijn verklaring bij en verklaart hij dat hij de woning niet in kon omdat de achterdeur was afgesloten. Als dit het geval was geweest, vermag de rechtbank niet in te zien waarom de verdachte dat niet meteen in zijn eerste verhoor heeft verklaard. Daar komt nog bij dat verdachte volgens [moeder van het slachtoffer] ook een sleutel had van de achterdeur.20 Dat laatste is niet onaannemelijk omdat verdachte vanaf eind 2015 bij [moeder van het slachtoffer] verbleef.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de woning niet in kon, toen [moeder van het slachtoffer] met de kinderen naar de winkel was, niet aannemelijk geworden.

Conclusie ten aanzien van het bewijs

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, moet worden vastgesteld dat vóórdat [moeder van het slachtoffer] vertrok uit de woning, [slachtoffer] geen letsel had, en toen zij terugkwam in de woning, [slachtoffer] ernstig gewond was.

Het letsel bij [slachtoffer] moet derhalve zijn toegebracht in de tijdspanne dat verdachte alleen met [slachtoffer] in de woning is geweest. Dat betekent ook dat het verdachte is geweest die het letsel aan het hoofd van [slachtoffer] heeft toegebracht door handelen waarbij sprake is geweest van heftige stomp botsende krachtsinwerking op diens hoofdje. De rechtbank kan niet vaststellen op welke wijze het letsel bij [slachtoffer] is toegebracht. Verdachte heeft over de precieze toedracht geen verklaring afgelegd. Dat de rechtbank niet de exacte toedracht kan vaststellen, doet echter in de onderhavige zaak aan de bewezenverklaring naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Kan opzet op de dood van [slachtoffer] worden bewezen?

De rechtbank, kan nu de verdachte daarover niet heeft willen verklaren en ook anderszins de exacte toedracht niet is komen vast te staan, niet bewijzen dat de verdachte (boos) opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad toen hij door zijn handelen een heftige stomp botsende krachtsinwerking op het hoofdje van [slachtoffer] veroorzaakte. Dan is de vraag of opzet op de dood in voorwaardelijke zin bewezen kan worden. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier blijkt dat verdachte letsel aan het hoofd van de toen drie jaar oude [slachtoffer] heeft veroorzaakt door middel van een heftige stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd met zoveel kracht, dat onder meer een schedelfractuur in het rechterwandbeen, doorlopend naar het linker gedeelte van het voorhoofdsbot is ontstaan. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam vormt, zeker bij een jong kind en dat de kans dat een klein kind komt te overlijden als gevolg van letsel door grof geweld op het hoofd aanmerkelijk is.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn handelingen jegens [slachtoffer] , of dat handelen nu bestond uit het slaan, stompen, schoppen, of het hanteren van een voorwerp tegen (het hoofd van) [slachtoffer] , dan wel zodanig (ruw) handelen waardoor (het hoofd van) [slachtoffer] tegen een voorwerp is gekomen, dan wel een combinatie van het voorgaande, in elk geval de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. De rechtbank concludeert dat de verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood van de 3-jarige [slachtoffer] .

Dat [slachtoffer] niet aan zijn verwondingen is overleden, en het bij een poging is gebleven, is niet aan de verdachte, maar aan het direct medisch ingrijpen in het ziekenhuis te danken.

De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, poging doodslag, nu zij bewezen acht dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden.

Alternatieve scenario’s

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog aangevoerd dat de rechtbank de door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s onvoldoende onderbouwd heeft verworpen. De bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde rust naar het oordeel van de verdediging ten onrechte louter op de onwaarschijnlijkheid van de overige scenario’s.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Met de rechtbank komt het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen – en niet louter op basis van de onaannemelijkheid van andere scenario’s – tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, door de verdachte gepleegd.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank aan de hand van feiten en omstandigheden voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de aangedragen alternatieve scenario’s niet aannemelijk zijn geworden. De door de verdediging aangehaalde verklaring van de buurvrouw, [getuige 1] , inhoudende dat zij een aantal harde klappen hoorde, [slachtoffer] hoorde schreeuwen en huilen en meteen een vrouw met stemverheffing hoorde praten, noopt naar het oordeel van het hof niet tot een andere conclusie.

[moeder van het slachtoffer] verklaarde bij de reconstructie immers dat, toen zij [slachtoffer] op 11 februari 2016 liggend op de grond, met zijn voetje tussen de verwarmingsbuizen aantrof, zij heeft geprobeerd zijn voetje los te krijgen door met een tang op de verwarmingsbuizen te slaan. Dat is in overeenstemming met de verklaring van de buurvrouw dat zij een aantal harde klappen hoorde. [slachtoffer] was volgens [moeder van het slachtoffer] niet buiten bewustzijn, dus het is heel goed mogelijk dat hij op dat moment geschreeuwd of gehuild heeft. [moeder van het slachtoffer] heeft zelf voorts verklaard dat zij met stemverheffing heeft gesproken. De conclusie dat het letsel bij [slachtoffer] is toegebracht op het moment dat de buurvrouw gegil heeft gehoord, kan naar het oordeel van het hof aldus niet worden getrokken.

Betrouwbaarheid verklaringen [moeder van het slachtoffer]

Voorts is in hoger beroep van de zijde van de verdachte aangevoerd dat aan de verklaringen van [moeder van het slachtoffer] geen (bewijs)waarde kan en mag worden gehecht en dat haar verklaringen daarom uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

Net als de rechtbank bezigt het hof de verklaringen van [moeder van het slachtoffer] uitsluitend tot het bewijs voor zover deze bevestiging vinden in de verklaringen van de verdachte en omgekeerd, behoudens waar deze verklaringen zien op de vraag of [moeder van het slachtoffer] de achterdeur van haar woning op 11 februari 2016 had afgesloten toen zij zonder de verdachte boodschappen ging doen. Op dit punt laat het hof de verklaring van de verdachte, kort gezegd inhoudende dat [moeder van het slachtoffer] de achterdeur van de woning wel degelijk had afgesloten, als ongeloofwaardig buiten beschouwing en overweegt hieromtrent in navolging van de rechtbank als volgt.

De verdachte heeft tijdens de eerste zes verhoren bij de politie telkens ontkend dat hij op de betreffende dag met [slachtoffer] alleen is geweest. Pas vanaf zijn zevende verhoor bij de politie, ruim twee maanden na 11 februari 2016, heeft de verdachte – toen de politie hem voorhield dat alles er op wees dat hij wél alleen met het kind in de woning is geweest – uiteindelijk verklaard dat [moeder van het slachtoffer] inderdaad met [zus slachtoffer] en [halfzus verdachte] op 11 februari 2016 samen naar de supermarkt is geweest en dat hij in de tuin is gebleven en niet naar binnen mocht van [moeder van het slachtoffer] . Tijdens zijn achtste verhoor – ruim een maand later na het zevende verhoor – heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat [moeder van het slachtoffer] de achterdeur op slot had gedaan toen ze boodschappen ging doen, zodat hij de woning niet in kon.

Verder kan worden vastgesteld dat toen de verdachte in zijn zevende verhoor uiteindelijk bij de politie toegaf dat hij bij de woning is achtergebleven toen [moeder van het slachtoffer] boodschappen ging doen, op de vragen van de verbalisanten ‘hoe vaak hij onder aan de trap is gaan luisteren of [slachtoffer] huilde’ en ‘hoe vaak hij bij hem op de slaapkamer is geweest om te kijken hoe het met hem was’ simpelweg antwoordt met: ‘niet’. Net als de rechtbank acht het hof het opmerkelijk dat de verdachte tijdens dit verhoor niet heeft verklaard dat de achterdeur afgesloten was en hij de woning niet kón betreden. Een maand later stelt de verdachte zijn verklaring bij en verklaart hij dat hij de woning niet in kon omdat de achterdeur was afgesloten. Als dit het geval was geweest, dan valt niet in te zien waarom de verdachte dat niet meteen in zijn eerste verhoor heeft verklaard. Daar komt nog bij dat de verdachte volgens [moeder van het slachtoffer] ook een sleutel had van de achterdeur. Dat laatste is niet onaannemelijk omdat de verdachte vanaf eind 2015 in de woning van [moeder van het slachtoffer] verbleef.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij de woning niet in kon toen [moeder van het slachtoffer] met de kinderen naar de winkel was, niet aannemelijk is geworden. Het hof hecht meer waarde aan de verklaring van [moeder van het slachtoffer] op dit punt.

Het hof verwerpt de verweren in al hun onderdelen.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Over de strafwaardigheid van verdachtes handelen

De verdachte heeft op 11 februari 2016 het toen 3-jarige zoontje van zijn vriendin zo zwaar mishandeld dat het jongetje ten gevolge van deze mishandeling bijna was overleden. Een lange operatie was nodig om zijn leven te redden. [slachtoffer] was niet alleen weerloos door zijn jonge leeftijd, maar ook extra kwetsbaar doordat hij een achterstand in zijn ontwikkeling had. Bovendien lag het kind in zijn bed te slapen toen de verdachte, tijdelijk belast met de zorg voor [slachtoffer] , diens slaapkamer heeft betreden en [slachtoffer] heeft mishandeld. Dit, terwijl de woning voor [slachtoffer] een veilige en beschermde omgeving had moeten zijn.


De verdachte heeft zich nadat hij [slachtoffer] het zware letsel had toegebracht, verder niet meer om diens welzijn bekommerd. Hij is naar beneden gegaan en heeft [slachtoffer] aan zijn lot overgelaten. Toen [moeder van het slachtoffer] thuiskwam, heeft verdachte niets tegen haar gezegd. Het is omdat [moeder van het slachtoffer] [slachtoffer] hoorde huilen, dat zij naar zijn slaapkamer is gegaan om te kijken wat er aan de hand was. Zij trof [slachtoffer] aan, liggend op zijn linkerzij op de grond, in zijn boxershort en met één sok aan. Over en om [slachtoffer] heen lag braaksel en zijn voetje zat tussen de verwarmingsbuizen. De verdachte is blijkbaar niet geschrokken van zijn eigen gedrag en dit wekt de indruk dat geweld jegens [slachtoffer] niet ongewoon voor hem was. In het ziekenhuis werden, naast de ernstige verwondingen aan zijn hoofdje, ook andere verwondingen aangetroffen bij [slachtoffer] , waaronder blauwe plekken en wondjes in zijn mond, waaronder al oudere verwondingen. Ook werd in het bloed van [slachtoffer] cannabis aangetroffen. Ten slotte was [slachtoffer] niet meer zindelijk vanaf het moment dat de verdachte in beeld was.

Ook dit alles roept vragen op over hoe veilig [slachtoffer] was in het gezin en in de aanwezigheid van de verdachte. De verdachte en ook anderen hebben verklaard dat [slachtoffer] bang voor hem was. Getuigen hebben verklaard te hebben gezien dat de verdachte vaker agressief was tegen [slachtoffer] . Tegen dit alles werd [slachtoffer] niet beschermd. De thuissituatie van [slachtoffer] zoals die uit het dossier is gebleken, is bijzonder schrijnend en zorgelijk.
Ten slotte stelt het hof met de rechtbank vast dat de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. Net als de rechtbank neemt het hof dit de verdachte kwalijk.

Het strafadvies

De [psycholoog] heeft in zijn rapport de risicofactoren voor de kans op recidive beschreven. Klinische risicofactoren zijn volgens de psycholoog vooral een beperkt (zelf)inzicht met overschattende elementen. Er is een gebrekkige zelfcontrole met snel oplopende emoties, prikkelbaarheid, impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en explosiviteit. De verdachte beschikt naar het oordeel van de psycholoog niet over een adequate stressregulatie en heeft een verminderd probleemoplossend vermogen. Hij raakt gemakkelijk overvraagd. Daarnaast is er een grote verslavingsgevoeligheid. Op dit moment zijn er weinig beschermende factoren. Naar het oordeel van de psycholoog is er geen passend zorgnetwerk, omdat de verdachte de afgelopen jaren niet ontvankelijk is geweest voor de hulpverlening. Ondanks meerdere pogingen om de verdachte in een ambulant en klinisch behandeltraject te krijgen, heeft hij hier niet aan meegewerkt. De verdachte is vaker gerecidiveerd in een lopend toezicht vanwege het plegen van geweldsdelicten. Hij heeft aangegeven dat hij klinisch wil worden opgenomen, maar de psycholoog twijfelt of de verdachte deze behandelmotivatie op lange termijn zal kunnen blijven behouden. In het verleden is gebleken dat de verdachte hierin erg veranderlijk kan zijn. Naar het oordeel van de psycholoog is, doordat er veel risicofactoren zijn en weinig beschermende factoren, het recidiverisico hoog. Ter verkleining van de hoge recidivekans is een behandeling noodzakelijk bij een instelling voor mensen met ernstige gedragsstoornissen in combinatie met een licht verstandelijke beperking. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, wordt oplegging van de behandeling in een (deels) voorwaardelijk strafkader onvoldoende stevig en dwingend geacht. Daarnaast biedt het onvoldoende garantie voor voortzetting van de benodigde behandeling op het moment dat verdachte de voorwaarden overtreedt. Naar het oordeel van de psycholoog is de maatregel van terbeschikkingstelling (Tbs) daarom aangewezen. In het kader van een onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling kan echter de meest passende behandeling niet geboden worden, omdat verdachte binnen dit kader voor langere tijd in een Tbs-kliniek zal worden geplaatst, alwaar gefaseerdheid in behandeling niet mogelijk is. Dit is wel mogelijk binnen een Tbs met voorwaarden.

De psychiater heeft zich niet uitgesproken over het recidiverisico of enige aanbevelingen gedaan teneinde de kans op herhaling te voorkomen of te beperken en binnen welk juridisch kader dit gerealiseerd zou kunnen worden.

De reclassering heeft meerdere rapporten over de verdachte uitgebracht. Uit het meest recente reclasseringsadvies d.d. 28 juni 2017 komt naar voren dat de verdachte ambivalent is aangaande zijn toekomstplannen. Enerzijds stelt hij klinisch te willen worden opgenomen omdat hij ‘van die stemmen af wil’. Deze opname zou wat hem betreft op vrijwillige basis kunnen plaatsvinden bij Mondriaan. Wanneer de verdachte vervolgens wordt voorgehouden dat ook voor Mondriaan lange wachtlijsten bestaan, vertelt hij dat dat geen probleem is en dat hij dan in de tussentijd terug naar zijn moeder kan en zijn leven alvast weer kan oppakken. Buiten de stemmen zegt de verdachte weinig problemen te hebben. De verdachte heeft aan de rapporteur duidelijk te kennen gegeven dat hij absoluut geen Tbs accepteert en dat hij in een Tbs-traject helemaal geen vertrouwen heeft. De verdachte stelt door zijn ADHD vaak impulsief te reageren en geeft aan dat het daardoor in de lijn der verwachtingen ligt dat hij de aan hem gestelde voorwaarden zal schenden. Voorts heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij vier jaar gevangenisstraf al veel te veel vindt voor iets wat hij niet gedaan heeft en dat hij, als hij opnieuw zou worden veroordeeld, liever zijn tijd uitzit dan dat hij zou instemmen met een Tbs-traject. De rapporteur concludeert dat de verdachte niet wenst mee te werken aan een klinisch traject indien dit plaatsvindt in het kader van de huidige strafzaak. Daarom zal het lastig worden om een klinisch traject in het kader van een Tbs met voorwaarden op te starten. Bovendien heeft de rapporteur twijfels bij de haalbaarheid van een dergelijk traject. Uit eerdere begeleidings- en behandelkaders is namelijk gebleken dat de verdachte zijn eigen weg bepaalt – niet altijd uit onwil, maar vaak wel uit onmacht. Er zullen zonder meer incidenten gaan ontstaan waarbij vroeg of laat een omzetting naar dwangverpleging zal plaatsvinden, zo wordt ingeschat. Mocht de verdachte worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, dan kan een klinische opname nog altijd plaatsvinden in een ander kader. Daarbij bestaat echter het risico dat uiteindelijk helemaal geen behandeling zal plaatsvinden en de verdachte onbehandeld zal terugkeren in de maatschappij. Dit wordt door alle deskundigen, gelet op de zeer hoge kans op recidive, onwenselijk geacht.

Uit de eerdere door de reclassering opgemaakte rapporten over de verdachte komt naar voren dat de reclassering de recidivekans in algemene zin hoog acht en dat de kans op gewelddadig gedrag ten aanzien van volwassenen zeker aanwezig is. De ontvankelijkheid voor begeleiding en behandeling is volgens de reclassering laag. Uit overleg met het NIFP blijkt dat de door de psycholoog voorgestelde instellingen op dit moment niet kunnen bieden wat nodig is. De kliniek Stevig Dichterbij ziet geen mogelijkheden om te komen tot een zinvolle invulling van een klinisch traject. De mogelijkheden om in een ambulant traject te komen tot gedragsverandering acht de reclassering zeer gering. Wel is de verdachte door de reclassering aangemeld voor een klinische behandeling bij Trajectum Oost Rekken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is door de verdediging naar voren gebracht dat binnen de penitentiaire inrichting op korte termijn een behandeltraject zal worden opgestart. Uitgaande van de straf van de rechtbank zou de verdachte in oktober 2017 met de behandeling in dat kader kunnen starten. Het zal echter niet gaan om een specialistische behandeling zoals een kliniek zou kunnen bieden, maar veeleer om een opstap daartoe. De problematiek van de verdachte is dermate complex dat een penitentiaire inrichting daarvoor niet is toegerust. Dit initiatief komt mede vanuit de verdachte.

Over de op te leggen straf of maatregel

Het hof overweegt over de aard van de op te leggen straf of maatregel als volgt.

Met de rechtbank stelt het hof voorop dat, gezien de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, een behandeling zinvol zou zijn wat betreft zijn agressieregulatie, zijn copingvaardigheden en/of middelengebruik. Dit mede gelet op het recidiverisico op nieuwe (huiselijk)geweldssituaties. De vraag dient zich dan aan of behandeling in een door het hof op te leggen kader gerealiseerd kan worden.

De forensisch [psycholoog] heeft aangegeven dat oplegging van Tbs met dwangverpleging niet aangewezen is omdat dat een te rigide kader voor de verdachte zou zijn. Een gefaseerde behandeling is dan niet mogelijk. Een behandeling in een deels voorwaardelijk strafkader acht de psycholoog onvoldoende stevig en dwingend. Daarnaast biedt het onvoldoende garantie van de noodzaak van de benodigde behandeling op het moment dat verdachte de voorwaarden overtreedt. Ook de reclassering heeft aangegeven dat, gezien het verloop van de toezichten door de reclassering tot nu toe, geen gedragsverandering valt te verwachten bij een nieuw toezicht. Het vertrouwen in de kans van slagen van een ambulante behandeling acht zij zeer gering.

De psycholoog heeft geadviseerd de maatregel Tbs met voorwaarden op te leggen. Voor de oplegging van een Tbs met voorwaarden is echter vereist dat de verdachte zich bereid verklaart tot behandeling en de naleving van die voorwaarden. Uit het meest recente reclasseringsadvies blijkt dat de verdachte uitdrukkelijk niet akkoord kan gaan met een dergelijke behandeling. Hiermee is de weg van behandeling in het kader van een Tbs met voorwaarden afgesneden.

Het hof stelt evenals de rechtbank vast dat niet is gebleken dat de verdachte inzicht heeft in zijn problematiek. Ook is het hof niet overtuigd van een intrinsieke motivatie bij de verdachte voor de behandeling van zijn problematiek. Op de vraag waarvoor hij behandeld wenst te worden, antwoordt de verdachte slechts ‘voor de stemmen in zijn hoofd’ behandeld te willen worden.

Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat een behandeling die enige reële kans van slagen heeft niet voorhanden is. Reeds daarom zal het hof geen maatregel van Tbs (al dan niet met voorwaarden) opleggen. Een klinische behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde, is evenmin aan de orde.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het door de verdachte gepleegde feit, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving, de mate waarin het feit persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij het slachtoffertje, het gewelddadige karakter van het bewezenverklaarde jegens een weerloos kind en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

Alles overziende komt het hof tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.797,28. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.644,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof begroot de omvang van deze immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid op € 6.500,00. Het hof heeft daartoe in de eerste plaats gelet op de aard en ernst van het letsel dat aan [slachtoffer] werd toegebracht. Als gevolg van verdachtes handelen werd bij [slachtoffer] levensbedreigend letsel geconstateerd, namelijk een breuk in het schedeldak en een acute subdurale bloeding. Voorts heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat [slachtoffer] op 11 februari 2016 nog maar drie jaar oud was en kampte met een achterstand in zijn ontwikkeling, hetgeen hem een zeer kwetsbaar kind maakte. Terwijl de woning voor [slachtoffer] juist een veilige en beschermde omgeving had moeten zijn, werd hij er door de verdachte, aan wiens zorg hij op dat moment was toevertrouwd, zodanig toegetakeld dat een vier uur durende operatie nodig was om zijn leven te redden. Dit alles is aan de verdachte toe te rekenen.

Tevens stelt het hof vast dat [slachtoffer] materiële schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 644,00. Dit betreft de schadepost ‘ziekenhuisgeldvergoeding’, welke door de verdediging niet is betwist. Het hof acht het aannemelijk dat de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] namens hem redelijke kosten heeft gemaakt in verband met de aanschaf van bed- en/of ziekenhuiskleding, kosten om het tijdelijk verblijf in het ziekenhuis te veraangenamen, zoals extra telefoonkosten, de aanschaf of huur van boeken en tijdschriften, de huur van een televisie, et cetera. Op grond van het bepaalde in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.

De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 7.144,00, vermeerderd met de wettelijke rente, toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. De wettelijke rente zal zowel voor wat betreft de immateriële als de materiële schade worden toegewezen vanaf 11 februari 2016, zijnde de datum van het delict.

Het hof acht het noodzakelijk dat het toegekende geldbedrag voor de immateriële schade onder beheer van Bureau Jeugdzorg komt te staan, opdat Bureau Jeugdzorg erop toeziet dat het geld daadwerkelijk ten goede van [slachtoffer] komt.

Wat betreft de reiskosten Bureau Jeugdzorg is het hof van oordeel dat deze kosten niet geheel aan het bewezen verklaarde handelen van de verdachte kunnen worden toegerekend. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat voorafgaande aan het bewezen verklaarde reeds een gezinsvoogd bij de opvoeding van [slachtoffer] was betrokken. Aldus bestaat er naar het oordeel van het hof enig verband tussen het bewezen verklaarde en de uithuisplaatsing van [slachtoffer] , doch valt op grond van de voorliggende feiten en omstandigheden niet vast te stellen in welke mate de uithuisplaatsing en de als gevolg daarvan gemaakte reiskosten naar Bureau Jeugdzorg geheel aan de verdachte zijn toe te rekenen. Het onderzoek naar de mate waarin deze reiskosten aan het bewezenverklaarde handelen van verdachte kunnen worden toegerekend levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Dit betekent dat de benadeelde partij voor zover de vordering ziet op de post ‘reiskosten Bureau Jeugdzorg’ thans niet in de vordering kan worden ontvangen. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft voor operaties en controles niet een concreet bedrag gevorderd, maar deze post p.m. opgevoerd. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze ziet op de post ‘operaties en controles’. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Gelet op de draagkracht van de verdachte zal het hof de hieraan verbonden vervangende hechtenis vaststellen op 35 dagen.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.144,00 (zevenduizend honderdvierenveertig euro) bestaande uit € 644,00 (zeshonderdvierenveertig euro) aan materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.144,00 (zevenduizend honderdvierenveertig euro) bestaande uit € 644,00 (zeshonderdvierenveertig euro) aan materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. H.A.W. Vermeulen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.E.J. Hendricksen, griffier,

en op 18 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. H.A.W. Vermeulen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer 175, gesloten d.d. 11 juli 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1300.

2 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 1 maart 2016, pagina’s 730 en 731 en proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 5 maart 2016, pagina’s 726 tot en met 729.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] d.d. 5 maart 2016, pagina’s 726 tot en met 729.

4 Proces-verbaal van verhoor [getuige 4] d.d. 24 februari 2016, pagina’s 718 tot en met 720.

5 Proces-verbaal van bevindingen 112-melding ambulancedienst d.d. 1 maart 2016, pagina 111 tot en met 113.

6 Gegevens van het Zuyderland Medisch Centrum Heerlen aan [huisarts] d.d. 11 februari 2016, pagina 522.

7 Proces-verbaal van aangifte door [gezinsvoogd] d.d. 18 februari 2016, pagina’s 494 tot en met 499.

8 Het OK verslag van het AZM van de evacuatie van acuut subduraal hematoom bij [slachtoffer] op 11-2-2016, pagina’s 553 t/m 555 en het schrijven van de kinderartsen [kinderarts 1] en [kinderarts 2] , pagina’s 563 en 564.

9 Rapport ‘medisch forensisch onderzoek van een bijna 3,5 jaar oude jongen in verband met een vermoeden van toegebracht letsel’ d.d. 1 augustus 2016, pagina’s 6 en 7.

10 Rapport ‘medisch forensisch onderzoek van een bijna 3,5 jaar oude jongen in verband met een vermoeden van toegebracht letsel’ d.d. 1 augustus 2016, pagina 7.

11 Rapport ‘medisch forensisch onderzoek van een bijna 3,5 jaar oude jongen in verband met een vermoeden van toegebracht letsel’ d.d. 1 augustus 2016, pagina 20.

12 Rapport ‘medisch forensisch onderzoek van een bijna 3,5 jaar oude jongen in verband met een vermoeden van toegebracht letsel’ d.d. 1 augustus 2016, idem pagina 20.

13 Rapport ‘medisch forensisch onderzoek van een bijna 3,5 jaar oude jongen in verband met een vermoeden van toegebracht letsel’ d.d. 1 augustus 2016, pagina’s 23, 24 en 25.

14 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 februari 2017, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 februari 2016, pagina’s 1160 tot en met 1169, proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 24 februari 2016, pagina’s 900 tot en met 910, het proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 25 februari 2016, pagina’s 913 tot en met 924, het proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 7 maart 2016, pagina’s 925 tot en met 949, het proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 24 februari 2016, pagina’s 953 tot en met 961, het proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 22 maart 2016, pagina’s 962 tot en met 1001, het proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 14 april 2016, pagina’s 1002 tot en met 1132, proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 7 juli 2016, pagina’s 1133 tot en met 1141 en de gehouden reconstructies d.d. 31 mei 2016 welke op DVD aan het procesdossier zijn toegevoegd.

15 Verklaring van verdachte en verklaring van [moeder van het slachtoffer] , afgelegd tijdens de reconstructie d.d. 31 mei 2016.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 februari 2016, p. 1166.

17 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de reconstructie d.d. 31 mei 2016.

18 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 februari 2017.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 7 juli 2016, pagina’s 1133 tot en met 1141.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van het slachtoffer] d.d. 7 juli 2016, pagina 1134.