Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3236

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
20-003882-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:893, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgeving Oost-Brabant, meisjes worden van de fiets af getrokken. Ten laste gelegd medeplegen van poging tot verkrachting in augustus 2013 en medeplegen van twee pogingen tot verkrachting in periode september-november 2014. Hof spreekt vrij van het feit van augustus 2013, maar acht bewezen de andere twee feiten (medeplegen). Volgt strafoplegging: gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden, welke dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003882-15

Uitspraak : 17 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 8 december 2015 in de strafzaak met parketnummer

03-702668-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedag] 1989,

thans verblijvende te [adres] .

Hoger beroep

Bij genoemd vonnis is verdachte ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van een poging tot verkrachting in Maasbree (feit 1) en het medeplegen van een poging tot verkrachting in Malden (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Van het tevens ten laste gelegde medeplegen van een poging tot verkrachting in Horst/Tienray (feit 2 primair) dan wel het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2 subsidiair), alsmede van de tevens ten laste gelegde diefstal in vereniging van een kentekenplaat (feit 4) werd verdachte door de rechtbank vrijgesproken. De rechtbank heeft voorts een beslissing genomen op vorderingen van benadeelde partijen en op in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft onbeperkt appel ingesteld; derhalve eveneens tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraken van het onder 2. en 4. ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft – getuige de akte appel – uitsluitend appel ingesteld tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde.

Het hof zal verdachte niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 4. ten laste gelegde, aangezien tegen een vrijspraak voor verdachte blijkens het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen hoger beroep openstaat.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft aldus uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, te weten de onder 1. tot en met 3. ten laste gelegde feiten.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft (zo begrijpt het hof) gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, ten laste van verdachte bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1. primair, 2. primair en 3. primair is ten laste gelegd (telkens: medeplegen van een poging tot verkrachting), en haar ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 19 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, (en met aftrek van voorarrest, zo begrijpt het hof), met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, te weten: een alcohol- en drugsverbod, behandeling voor verdachtes psychische problematiek bij FPK De Horst en voor haar verslavingsproblematiek bij Vincent van Gogh te Venray, en een contactverbod ten aanzien van de betrokken slachtoffers [slachtoffer A] , [slachtoffer B] en [slachtoffer C] . De advocaat-generaal heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze integraal kan worden toegewezen, onder toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C] dient volgens de advocaat-generaal te worden toegewezen tot een bedrag van (in totaal) € 14.191,11, onder toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige zou [slachtoffer C] in haar vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, zo heeft de advocaat-generaal gevorderd.

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd de beslissing van de rechtbank te volgen.

De raadsman heeft namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat zij zal worden vrijgesproken van hetgeen haar onder 2. en 3. ten laste is gelegd. Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft de omvang en een strafmaatverweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer A] heeft de raadsman zich eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman heeft bepleit dat benadeelde partij [slachtoffer C] in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tot slot heeft de raadsman verzocht dat de voorlopige hechtenis van verdachte zal worden opgeheven.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.


zij op of omstreeks 21 november 2014 te Maasbree, in elk geval in de gemeente Peel en Maas en/althans te Sevenum, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer A] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer A] , met dat opzet met haar mededader naar Maasbree en Sevenum is gegaan, waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader

  • -

    met een bivakmuts over zijn hoofd op [slachtoffer A] is afgerend; en

  • -

    een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer A] heeft getoond; en

  • -

    [slachtoffer A] heeft vastgepakt; en

  • -

    [slachtoffer A] van haar fiets heeft getrokken; en

  • -

    [slachtoffer A] naar een door haar, verdachte, bestuurde personenauto heeft getrokken en in de kofferbak van die personenauto heeft geduwd; en

  • -

    vervolgens met die personenauto is gaan rijden; en

  • -

    een taser op een been van [slachtoffer A] heeft gezet; en

  • -

    heeft getracht de telefoon van [slachtoffer A] af te nemen; en

  • -

    [slachtoffer A] meermalen heeft geslagen; en

  • -

    heeft getracht de mond van [slachtoffer A] met duct-tape dicht te plakken; en

  • -

    heeft getracht [slachtoffer A] met touw vast te binden; en

  • -

    een vloeistof in de mond van [slachtoffer A] heeft gespoten of gebracht; en

  • -

    aan de haren van [slachtoffer A] heeft getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op of omstreeks 21 november 2014 te Maasbree, in elk geval in de gemeente Peel en Maas en/althans te Sevenum, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer A] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, hierin bestaande dat zij, verdachte, en/of haar mededader

  • -

    met een bivakmuts over zijn hoofd op [slachtoffer A] is afgerend; en

  • -

    een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer A] heeft getoond; en

  • -

    [slachtoffer A] heeft vastgepakt; en

  • -

    [slachtoffer A] van haar fiets heeft getrokken; en

  • -

    [slachtoffer A] naar een personenauto heeft getrokken en in de kofferbak van die personenauto heeft geduwd; en

  • -

    vervolgens met die personenauto is gaan rijden; en

  • -

    een taser op een been van [slachtoffer A] heeft gezet; en

  • -

    heeft getracht de telefoon van [slachtoffer A] af te nemen; en

  • -

    [slachtoffer A] meermalen heeft geslagen; en

  • -

    heeft getracht de mond van [slachtoffer A] met duct-tape dicht te plakken; en

  • -

    heeft getracht [slachtoffer A] met touw vast te binden; en

  • -

    een vloeistof in de mond van [slachtoffer A] heeft gespoten of gebracht; en

  • -

    aan de haren van [slachtoffer A] heeft getrokken;


2.

zij op of omstreeks 31 augustus 2013 te Horst en te Tienray, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer C] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer C] met dat opzet met haar mededader naar Horst en Tienray is gegaan, waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader

  • -

    voor [slachtoffer C] op het fietspad is gesprongen en tegen de fiets van [slachtoffer C] heeft geduwd en [slachtoffer C] heeft doen stilstaan en [slachtoffer C] heeft vastgepakt en [slachtoffer C] ten val heeft gebracht; en

  • -

    de mond van [slachtoffer C] heeft dichtgedrukt (gehouden) en [slachtoffer C] heeft vastgepakt en vastgehouden; en

  • -

    tegen [slachtoffer C] heeft gezegd dat zij in een auto moest plaatsnemen; en

  • -

    (vervolgens) toen [slachtoffer C] in de auto zat, met die auto is weggereden; en

  • -

    een (bivak)muts over het hoofd van [slachtoffer C] heeft gedaan, althans het hoofd van [slachtoffer C] heeft afgedekt/bedekt (gehouden); en

  • -

    een taser heeft voorgehouden en getoond aan [slachtoffer C] en die taser in/op de nek van [slachtoffer C] heeft gezet en [slachtoffer C] een flesje met vloeistof heeft overhandigd en tegen [slachtoffer C] heeft gezegd dat zij dat flesje leeg moest drinken; en

  • -

    toen [slachtoffer C] vroeg wat ze met haar gingen doen heeft geantwoord: "Verkrachten."; en

  • -

    toen [slachtoffer C] uit de (rijdende) auto gesprongen was, een taser in de nek van [slachtoffer C] heeft gezet en [slachtoffer C] een of meer stroomstoten heeft toegediend en [slachtoffer C] bij de haren heeft vastgepakt; en

  • -

    (vervolgens) [slachtoffer C] , vanuit een rijdende auto, (ongeveer 100 meter) over het wegdek heeft meegesleurd/meegetrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op of omstreeks 31 augustus 2013 te Horst en te Tienray, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader

  • -

    voor [slachtoffer C] de weg versperd op het fietspad en tegen de fiets van [slachtoffer C] geduwd en [slachtoffer C] doen stilstaan en [slachtoffer C] vastgepakt en [slachtoffer C] ten val gebracht; en

  • -

    de mond van [slachtoffer C] dichtgedrukt (gehouden) en [slachtoffer C] vastgepakt en/of vastgehouden; en

  • -

    tegen [slachtoffer C] gezegd dat zij in een auto moest plaatsnemen; en

  • -

    (vervolgens) toen [slachtoffer C] in de auto zat, met die auto gereden; en

  • -

    een (bivak)muts over het hoofd van [slachtoffer C] gedaan, althans het hoofd van [slachtoffer C] afgedekt/bedekt (gehouden); en

  • -

    een taser voorgehouden en getoond aan [slachtoffer C] ; en

  • -

    die taser in/op de nek van [slachtoffer C] gezet en [slachtoffer C] een flesje met vloeistof overhandigd en tegen [slachtoffer C] gezegd dat zij dat flesje leeg moest drinken; en

  • -

    toen [slachtoffer C] uit de (rijdende) auto gesprongen was, een taser in de nek van [slachtoffer C] gezet en [slachtoffer C] stroomstoten toegediend en [slachtoffer C] bij de haren vastgepakt; en

  • -

    (vervolgens) [slachtoffer C] , vanuit een rijdende auto, (ongeveer 100 meter) over het wegdek meegesleurd/meegetrokken;

3.


zij op of omstreeks 19 september 2014 te Malden, in elk geval in de gemeente Heumen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer B] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer B] , met dat opzet met haar mededader naar Malden is gegaan en zich met een auto heeft opgesteld langs een weg waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader

  • -

    naar de langs fietsende [slachtoffer B] toe is gerend en op het fietspad is gaan staan en daarmee de weg heeft geblokkeerd voor [slachtoffer B] ; en

  • -

    [slachtoffer B] tegen haar nek heeft geduwd, haar van haar fiets heeft geduwd en haar heeft vastgepakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op of omstreeks 19 september 2014 te Malden, in elk geval in de gemeente Heumen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer B] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven of beroofd te houden, met dat opzet met haar mededader naar Malden is gegaan en zich met een auto heeft opgesteld langs een weg waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader

  • -

    naar de langs fietsende [slachtoffer B] toe is gerend en op het fietspad is gaan staan en daarmee de weg heeft geblokkeerd voor [slachtoffer B] ; en

  • -

    [slachtoffer B] tegen haar nek heeft geduwd, haar van haar fiets heeft geduwd en haar heeft vastgepakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde

Op 3 september 2013 deed de toen 22-jarige [slachtoffer C] aangifte van wederrechtelijke vrijheidsberoving c.q. een poging tot verkrachting. Zij verklaarde (zaakdossier 2, pagina 2528 e.v.) dat zij in de vroege ochtend van zaterdag 31 augustus 2013 om ca. 04.00 u na het uitgaan in Horst naar huis fietste. Onderweg zag zij een geparkeerde auto staan, waar vanachter een man op het fietspad sprong. De man hield haar tegen waarna zij stopte en van de fiets stapte. De man pakte haar vast, waarbij zij op de grond terecht kwam. Hij hield vervolgens haar mond dicht en dwong haar in de auto plaats te nemen. Wat volgde was een rit in de auto waarbij aangeefster onder meer werd gedwongen een drankje te drinken en werd bedreigd met een taser, waarna zij zichzelf uiteindelijk wist te bevrijden.

Aangeefster verklaarde dat het feit werd gepleegd door twee mannen, de man die haar vastgreep op het fietspad en een tweede man, die later achter het stuur plaatsnam.

Verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij dit feit.

Het hof stelt vast dat aangeefster in haar verklaringen (aangifte d.d. 3 september 2013, informatief gesprek d.d. 31 augustus 2013 en verhoor d.d. 2 oktober 2013) consequent verklaart over twee personen, beiden man, die betrokken waren bij de poging haar te verkrachten, dan wel te ontvoeren.

In het informatief gesprek op 31 augustus 2013 heeft aangeefster blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindingen verklaard: ‘Ik wist dat het een man was, maar hij zag er uit als een vrouw’ (zaakdossier 2, pagina 2548, cursief, hof).

Tijdens de aangifte heeft aangeefster op een vraag naar het signalement van de tweede dader blijkens de verbatim uitwerking daarvan verklaard: ‘eigenlijk hetzelfde antwoord (hof: als bij dader 1) alleen deze man was wat slanker, was een uh slanke man. Ik meen in eerste instantie uh toen ie achter het stuur zat wist ik wel dat het een man was maar het zag ook een beetje uit als een vrouw gewoon omdat ie een beetje zo’n uh beetje dunner was, maar het was wel een man’. Op de vraag waarom aangeefster wist dat het een man was, antwoordde zij: ‘uhm ze hebben met elkaar zitten praten het was geen vrouwenstem anders zou ik het me wel herinneren (…)’ (zaakdossier 2, pagina 2562).

Blijkens de aangifte heeft een van de verbalisanten aangeefster voorts de vraag gesteld: ‘Je vertelde dat je eerst dacht dat die bestuurder een vrouw was?’, waarop aangeefster verklaarde: ‘ja… die man was slanker en ik dacht dat hij langer haar had. Daarom dacht ik dat hij eerst een vrouw was. Aan de stem hoorde ik dat hij een man was omdat die wat zwaarder was als een vrouwenstem’ (zaakdossier 2, pagina 2538).

Ook bij haar verhoor op 2 oktober 2013 is aangeester nog weer de vraag gesteld: ‘Waarom dacht je eerst dat dader 2 een vrouw was?’. Daarop heeft aangeefster verklaard: ’Ja, dat komt eigenlijk omdat ik die buiten de auto had gezien. Hij was wat smaller, maar nu weet ik ook niet meer waarom ik dat toen had gedacht. Het was gewoon een man. Ook een mannenstem.’ (zaakdossier 2, pagina 2555).


Aangezien verdachte een vrouw is, past zij niet in het profiel dat de aangeefster van de tweede dader heeft gegeven. Aan deze verklaringen zou mogelijk voorbij kunnen worden gegaan indien er andere aanwijzingen zouden zijn waaruit ondubbelzinnig zou kunnen worden afgeleid dat aangeefster zich moet hebben vergist. Die aanwijzingen zijn er naar het oordeel van het hof echter niet.

Dat op een tas die werd aangetroffen op de plaats delict – en die afkomstig bleek te zijn van het voertuig waarin aangeefster werd gedwongen plaats te nemen – DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen, maakt een en ander niet anders. Weliswaar is op dit voorwerp ook DNA-materiaal van de [medeverdachte] aangetroffen, met wie verdachte een relatie had, maar een tas is bij uitstek een verplaatsbaar voorwerp. Als op een verplaatsbaar voorwerp DNA-materiaal wordt aangetroffen, dient daar naar het oordeel van het hof, voor zover het betreft het toekennen van bewijswaarde, met behoedzaamheid mee te worden omgegaan. Het hof is van oordeel dat dit enkele spoor van verdachte onvoldoende aanknopingspunten biedt om het bewijs te dragen dat verdachte betrokken was bij het onder 2. ten laste gelegde.

Het voorgaande leidt het hof, anders dan de advocaat-generaal, tot het oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om vast te stellen dat verdachte in de ten laste gelegde zin betrokken was bij de poging tot verkrachting, dan wel wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer C] . Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van hetgeen onder 2. primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair en 3. primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.


zij op 21 november 2014 te Maasbree, in elk geval in de gemeente Peel en Maas en/althans te Sevenum, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer A] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer A] , met dat opzet met haar mededader naar Maasbree en Sevenum is gegaan,

waarbij haar mededader

  • -

    met een bivakmuts over zijn hoofd op [slachtoffer A] is afgerend; en

  • -

    een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan [slachtoffer A] heeft getoond; en

  • -

    [slachtoffer A] heeft vastgepakt; en

  • -

    [slachtoffer A] van haar fiets heeft getrokken; en

  • -

    [slachtoffer A] naar een door haar, verdachte, bestuurde personenauto heeft getrokken en in de kofferbak van die personenauto heeft geduwd; en

waarbij zij, verdachte,

- vervolgens met die personenauto is gaan rijden; en

waarbij haar mededader

  • -

    een taser op een been van [slachtoffer A] heeft gezet; en

  • -

    heeft getracht de telefoon van [slachtoffer A] af te nemen; en

  • -

    [slachtoffer A] meermalen heeft geslagen; en

  • -

    heeft getracht de mond van [slachtoffer A] met duct-tape dicht te plakken; en

  • -

    heeft getracht [slachtoffer A] met touw vast te binden; en

  • -

    een vloeistof in de mond van [slachtoffer A] heeft gespoten of gebracht; en

  • -

    aan de haren van [slachtoffer A] heeft getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

zij op 19 september 2014 te Malden, in elk geval in de gemeente Heumen, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer B] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer B] , met dat opzet met haar mededader naar Malden is gegaan en zich met een auto heeft opgesteld langs een weg waarbij haar mededader

  • -

    naar de langs fietsende [slachtoffer B] toe is gerend en op het fietspad is gaan staan en daarmee de weg heeft geblokkeerd voor [slachtoffer B] ; en

  • -

    [slachtoffer B] tegen haar nek heeft geduwd, haar van haar fiets heeft geduwd en haar heeft vastgepakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

overwegingen met betrekking tot feit 1 (21 november 2014)

Het hof stelt vast dat de raadsman ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde feit ter terechtzitting in hoger beroep geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen.

Het hof overweegt (ambtshalve) het navolgende.

Op 21 november 2014 deed de toen 17-jarige [slachtoffer A] aangifte bij de politie.1 Zij verklaarde – kort gezegd – dat zij op die dag in de ochtend door een man met een bivakmuts en een pistool van haar fiets was afgetrokken en dat de man haar in de kofferbak van een auto had geduwd. [slachtoffer A] was door de man geslagen met de vuist, hij had haar onder dreiging met een tang gedwongen haar telefoon af te geven en de man dwong haar een vloeistof te drinken.

[slachtoffer A] verklaarde dat er ook een vrouw in de auto zat; de vrouw zat op de bijrijders-plek op het moment dat [slachtoffer A] van haar fiets werd getrokken. Toen [slachtoffer A] in de kofferbak lag, zag ze dat de vrouw op de bestuurdersplaats ging zitten en de auto bestuurde toen deze wegreed. [slachtoffer A] werd door de man bij zich getrokken op de achterbank toen de auto wegreed. Toen de auto op een zeker moment is gestopt, stapte de man met [slachtoffer A] uit de auto. [slachtoffer A] heeft toen kunnen vluchten.

[medeverdachte] heeft bekend dat hij bij dit feit betrokken was.2

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict heeft gehad. Er moet met andere woorden sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ten aanzien van het delict.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: “Ik was er op 21 november 2014 bij. Ik heb meegekregen dat [medeverdachte] haar in de kofferbak heeft geduwd.” “Wij zijn begonnen in september 2014 met rondrijden op zoek naar meisjes. Ik wist dat zijn doel was om meisjes te verkrachten” en “Ik heb mijn tas klaar gezet. Er zat altijd een verrekijker in de tas die ik klaarlegde. Dat wilde [medeverdachte] . Hij wilde daarmee naar potentiële meisjes kijken.”3

Op een in beslag genomen telefoon van verdachte zijn geluidsopnamen4 aangetroffen van gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] . Daarin vindt het hof bevestiging voor de verklaring van verdachte dat zij met [medeverdachte] in september 2014 is begonnen met rondrijden op zoek naar meisjes. De geluidsopnames bevestigen minst genomen dát verdachte al in september 2014 met [medeverdachte] heeft rondgereden op zoek naar meisjes. Uit deze opnames leidt het hof voorts af dat verdachte en [medeverdachte] samen diverse keren voorbereidingen hebben getroffen voor het te plegen feit. Ook blijkt uit de opnames dat verdachte ten aanzien van de zoektocht naar meisjes voor de medeverdachte een initiërende en aansporende rol heeft aangenomen.

Samengevat stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte is samen met [medeverdachte] diverse keren met een auto uit rijden gegaan op zoek naar meisjes, met als doel hen door [medeverdachte] te laten verkrachten. Verdachte wist voorafgaand en ten tijde van het rondrijden wat [medeverdachte] van plan was. Verdachte maakte dan immers een tas klaar met daarin onder andere een verrekijker om potentiële slachtoffers te zoeken. Verdachte heeft gezien dat [medeverdachte] op 21 november 2014 [slachtoffer A] in de kofferbak heeft geduwd. Zij heeft de fiets van [slachtoffer A] aan de kant gezet om weg te kunnen rijden, heeft vervolgens de auto bestuurd waarin [slachtoffer A] tegen haar wil en met geweld en onder bedreiging met geweld werd vastgehouden en na afloop heeft verdachte die betreffende auto, zo verklaarde zij, schoon gemaakt om sporen uit te wissen.

Uit de verklaring van de [getuige X] blijkt bovendien dat verdachte hem daarna heeft gevraagd onder andere een uit de auto afkomstige tas met een taser, twee bivakmutsen, tie-wraps, touw en een flesje met opgedroogde vloeistof te vernietigen. Het was, aldus de getuige, bewijsmateriaal voor wat zij gedaan hebben.

Het hof oordeelt dat onder die omstandigheden sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte haar medeverdachte ten aanzien van het delict, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen van een poging tot verkrachting van [slachtoffer A] bewezen.

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte (ten overstaan van de politie) dat zij in de auto bij [medeverdachte] was, maar onder invloed van drugs/slapend was en pas wakker werd toen zij [slachtoffer A] in de auto hoorde schreeuwen. Het hof gaat uit van de verklaring van verdachte bij de rechtbank, zoals hierboven weergegeven.

Het hof gaat voorbij aan de verklaring van verdachte dat zij [slachtoffer A] heeft geholpen om te vluchten nu die wordt weersproken door de verklaringen van aangeefster en een toevallige – en dus in de visie van het hof neutrale – passant [getuige Y] . [getuige Y] verklaarde5 dat zij bij de auto (waarin [slachtoffer A] werd vervoerd, zo begrijpt het hof) een meisje en een man zag worstelen. De man trok aan het meisje. [getuige Y] zag dat het meisje los wist te komen en hard weg rende in de richting van de [getuige Y] ' auto. [getuige Y] heeft het meisje meegenomen in haar auto. [getuige Y] verklaarde desgevraagd dat zij buiten het meisje en de man niet nog andere mensen heeft gezien bij de auto tijdens de worsteling.

Het hof acht de voorts de verklaring van verdachte dat zij met [medeverdachte] mee ging om hem te weerhouden van het plegen van een verkrachting, ongeloofwaardig. Dit valt moeilijk te rijmen met het middelengebruik van verdachte, waardoor zij minder bij de les was dan [medeverdachte] wenste, zoals uit zijn verhoren blijkt6. Het hof betrekt bij dit oordeel ook de inhoud van de tot het bewijs gebezigde geluidsopnamen van gesprekken tussen [medeverdachte] en verdachte, waaruit een initiërende en aansporende rol van verdachte blijkt.

overwegingen met betrekking tot feit 3 (19 september 2014)

De raadsman heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3. primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet aanwezig was op 19 september 2014 te Malden en dat dat wordt ondersteund door de verklaring van aangeefster dat zij slechts één dader heeft gezien en de afwezigheid van aangetroffen DNA-sporen van verdachte. Verdachte heeft weliswaar enige voorbereidingen getroffen, zoals het klaarleggen van een verrekijker, maar in de visie van de verdediging kan daarmee medeplegen niet bewezen worden. Volgens de raadsman is voor het bewijs van medeplegen méér vereist, nu de feitelijke uitvoering in de kern niet gezamenlijk is geweest.

Het hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 19 september 2014 deed de toen 17-jarige [slachtoffer B] aangifte bij de politie.7 Zij verklaarde – kort gezegd – dat zij die dag omstreeks 03.00 uur van Nijmegen naar Malden fietste. Onderweg ter hoogte van de rotonde Droogsestraat/Rijksweg/Heiweg zag zij een man met een soort bivakmuts uit een matgrijze auto stappen. De man kwam op haar afrennen, duwde tegen haar nek, waarna zij met haar fiets viel, en hij raakte haar arm aan. [slachtoffer B] gilde tijdens het voorval heel hard. De man rende naar de auto, stapte weer in en reed daarmee weg.

[slachtoffer B] heeft niet gezien aan welke kant van de auto de dader is ingestapt, hetgeen de mogelijkheid open laat dat er een tweede dader was.

Op de onder verdachte bij haar aanhouding in beslag genomen telefoon zijn geluids-opnamen8 aangetroffen. Het hof bezigt de inhoud van deze op 3, 6 en 19 september 2014 opgenomen gesprekken, tussen verdachte en [medeverdachte] , tot het bewijs. Op 19 september 2014 in de middag voerden [medeverdachte] en verdachte een gesprek, waarin onder meer is gezegd:

(sprachmemo 014.m4a, 13.59.57 uur)9

[initiaal] (de stem van [medeverdachte] , hof):

“Ja, vannacht wilden wij terugrijden. [Toen] had je helemaal geen zin meer om naar huis” (p. 5723)

[initiaal] (de stem van verdachte: hof):
“Ja, had ik ook niet, op dat moment [had ik] geen zin”.

[initiaal] : “Het wordt morgen (het hof begrijpt: ochtend), dan wil jij naar huis, oké, rijden wij naar huis (…)
[initiaal] : “Had je maar gewacht totdat ik wakker werd. (…) Dan hadden we toch een paar uur uitgespaard.”

[initiaal] : “Gisteravond mislukt omdat we naar huis zijn gereden en vanmorgen mislukt omdat wij weer zijn teruggereden, toen heb jij gezegd, dat jij geen zin meer hebt, naar huis, dat we rondrijden.” (p. 5723)

[initiaal] : “En wat hebben wij nu aan dat rondrijden gehad? Als ik toch weer in slaap val?”

[initiaal] : “Omdat jij altijd in slaap valt, [voornaam verdachte] , kan ik ze uiteindelijk ook alleen pakken. Wat is het probleem daarbij?”

[initiaal] : “Omdat ik dan helemaal niets mee krijg, ik zou niet mee kunnen krijgen of jij….eh”. (…)

Mijn enige zorg zou heel eerlijk zijn dat jij het dan zou doen en ik helemaal niets meekrijg en dat die dan alweer gaat en ik helemaal niets meekrijg dat jij ook maar iets hebt gedaan.”
[initiaal] : “ [voornaam verdachte] , als ik eentje [opmerking vertaalster: in het Duit staat “eine”, dus vrouwelijk!: het hof begrijpt: een vrouw] zou pakken, dan pak ik die in de kofferbak en rijd dan eerst even weg. Ja. (…) Wij rijden weg.”. (p. 5724)

Door de politie is onderzoek gedaan naar telefoniegegevens.
Het (Duitse) [telefoonnummer] – gekoppeld aan de telefoon die is aangetroffen bij verdachte bij haar aanhouding op 1 december 2014 (Samsung GT-i9195)10 en waarvan vast staat dat zij daarmee op 19 september 2014 in de middag voornoemde geluidsopnames heeft gemaakt – heeft op 19 september 2014 om 03.08.37 een zendmast in Mook aangestraald, in welk gebied de Rijksweg Nijmegen-Venlo is gelegen.

Het (Nederlandse) [telefoonnummer] – volgens verdachte ook haar telefoon-nummer11 – is op 19 september 2014 te 03.07.36 uur eveneens aangestraald door een mast in Mook.12

Beide zendmasten, aangestraald door telefoonnummers van verdachte, bevinden zich dicht in de buurt van de plaats delict.

Bij de aanhouding van verdachte is haar auto, een grijze [merk en type auto] , voorzien van [kenteken] , in beslag genomen.13 Deze grijze [merk en type auto] , met Duits [kenteken] , is door het verkeersregistratiesysteem ARS in de nacht van 19 september 2014 drie maal gesignaleerd op de N844 te Malden tussen de Lierseweg en de Bovendorpseweg, in zuidelijke richting, te weten om 01.07 uur, om 02.40 uur en om 03.04 uur.14 De locatie van de ARS-signalering ligt ongeveer 2 kilometer van de plaats delict.15 Het tijdstip 03.04 uur was kort na het door [slachtoffer B] aangegeven moment van lastigvallen. De grijze [merk en type auto] van verdachte past in het signalement van de auto, zoals dat door aangeefster is gegeven (matgrijze auto, hoger dan een [merk en type auto] ).

Verdachte heeft in eerste aanleg verklaard:

“Wij zijn begonnen in september 2014 met rondrijden op zoek naar meisjes. Ik wist dat zijn (het hof begrijpt: [medeverdachte] ’s) doel was om meisjes te verkrachten. Er zat altijd een verrekijker in de tas die ik klaarlegde. Dat wilde [medeverdachte] . Hij wilde daarmee naar potentiële meisjes kijken, daarom moest de verrekijker mee in de tas.” 16

Verdachte heeft ontkend dat zij in de ten laste gelegde zin betrokken was bij het feit in Malden. Het hof stelt deze verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Anders dan de verdediging heeft bepleit, stelt het hof op grond van volgende bewijsmiddelen vast dat verdachte tezamen met [medeverdachte] aanwezig was ten tijde van het plegen van het feit.

Volgens het hof blijkt uit de inhoud van de genoemde geluidsopnamen opgenomen in de middag van 19 september 2014 dat verdachte en [medeverdachte] in de avond/nacht en ochtend daaraan voorafgaand hebben rondgereden. Dit vindt bevestiging in de genoemde telefoniegegevens en de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat zowel de beide telefoons die aan verdachte kunnen worden toegeschreven, als de auto welke op naam van verdachte staat, zich bevonden in de nabijheid van het plaats delict. Daarbij komt het signalement van de auto zoals ten tijde van het delict gebruikt overeen met dat van de auto van verdachte.

Dit alles bezien in samenhang met de verklaring van verdachte dat zij en [medeverdachte] in september 2014 begonnen zijn met rondrijden op zoek naar meisjes waarvan zij wist dat het doel van de [medeverdachte] was om deze te verkrachten en de verklaring van [medeverdachte] dat hij uitsluitend gebruik maakte van verdachtes telefoon wanneer zij bij hem was,17 acht het hof voldoende redengevend wettig en overtuigend bewijs dat verdachte tezamen met [medeverdachte] aanwezig was ten tijde van het plegen van het feit. Dat geen DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen, maakt dit niet anders.

Samengevat stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte is vanaf september 2014 samen met [medeverdachte] diverse keren met een auto uit rijden gegaan op zoek naar meisjes met als doel hen door [medeverdachte] te laten verkrachten. Verdachte wist blijkens de geluidsopnamen ook wat [medeverdachte] van plan was. Verdachte had bij die zoektochten blijkens de eerdere geluidsopnamen van begin september een actieve en instigerende rol; verdachte zette een tas klaar met daarin onder andere een verrekijker om potentiële slachtoffers te zoeken en op de ten laste gelegde datum 19 september 2014 was verdachte op het moment van het plegen van het feit aanwezig op de plaats delict.

Het hof oordeelt dat onder die omstandigheden sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte ten aanzien van het delict, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen van een poging tot verkrachting van [slachtoffer B] bewezen.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. en 3. bewezen verklaarde levert telkens op:

medeplegen van poging tot verkrachting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat zij tot twee keer toe samen met een ander heeft geprobeerd om een jong meisje te verkrachten. Verdachte ging samen met haar mededader – met wie zij destijds een relatie had – op pad om meisjes te zoeken en hen van de fiets af te trekken, met als doel om hen (onder invloed van een bedwelmend middel) te verkrachten. Hierbij werd door de mededader gebruik gemaakt van onder meer een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een bivakmuts.

Bij het onder 1. bewezen verklaarde (de poging tot verkrachting van [slachtoffer A] ) is het slachtoffer in de kofferbak geduwd en is zij met geweld en onder bedreiging met geweld gedwongen in de auto te blijven. [slachtoffer A] , destijds 17 jaar oud, heeft uitsluitend dankzij haar eigen doortastend optreden kunnen ontsnappen.

Bij het onder 2. bewezen verklaarde (poging tot verkrachting van [slachtoffer B] ) is het eveneens aan [slachtoffer B] eigen handelen – voortdurend gillen – te danken dat de dader na het eerste contact is afgedropen.

Verdachte heeft door zo te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat dit ook in het concrete geval aan de orde is, blijkt onder meer uit hetgeen het [slachtoffer A] hierover heeft verklaard. Verdachte heeft zich van de belangen van de slachtoffers geen enkele rekenschap gegeven en heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van haar eigen lustgevoelens en die van haar mededader.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op hetgeen blijkt uit:

- het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 mei 2017, namelijk dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van zedendelicten;

  • -

    de Pro Justitia Rapportage van het NIFP d.d. 31 januari 2017, opgemaakt door L. Kuipers, arts-assistent in opleiding tot psychiater en C.T.H.M. Salet, psycholoog, naar aanleiding van het verblijf van verdachte in het Pieter Baan Centrum;

  • -

    het advies aan opdrachtgever toezicht d.d. 26 april 2017 en het voortgangsverslag toezicht d.d. 6 juni 2107, beiden van Vincent van Gogh, GGZ Reclassering Limburg.

Uit het NIFP rapport van 31 januari 2017 blijkt – zeer kort samengevat – dat er bij verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van polymiddelenafhankelijkheid en van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De onderzoekers concluderen dat aspecten van deze stoornis slechts in beperkte mate rechtstreeks zijn terug te zien in de bewezen verklaarde feiten. Indirect is er wel enig verband te onderbouwen, waarbij het vooral gaat om de doorwerking van haar antisociale en parasitaire trekken, die onderzoekers bij verdachte hebben aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkenes polymiddelenafhankelijkheid een relevante rol speelde op haar gedragingen en overwegingen bij de bewezen verklaarde feiten. Nu een rechtstreeks verband tussen verdachtes persoonlijkheidsstoornis en het bewezen verklaarde niet kan worden onderbouwd en er via relationele aspecten alleen een indirect verband kan worden gelegd, adviseren de onderzoekers om verdachte als enigszins verminderd toerekenings-vatbaar te achten.

Het hof neemt het advies van de deskundigen over en maakt voormelde overwegingen tot de zijne. Het hof zal bij de straftoemeting dan ook rekening houden met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Voor het bepalen van de duur van de vrijheidsbenemende straf neemt het hof het landelijke oriëntatiepunt straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, tot uitgangspunt. Gelet daarop zou voor elke bewezen verklaarde poging tot verkrachting, een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden passend zijn.

Het hof houdt in strafverhogende zin rekening met de bewezen verklaarde omstandigheden. Verdachte heeft tezamen met de mededader rondgereden en doelgericht gezocht naar jonge vrouwen, waarbij de mededader in het geval van aangeefster [slachtoffer A] haar vervolgens met veel (dreiging met) geweld, zoals het gebruik van een op vuurwapen gelijkend voorwerp en een bedwelmend middel, heeft getracht haar te verkrachten. Dit handelen heeft een enorme negatieve invloed gehad – en blijkens de verklaring van aangeefster [slachtoffer A] nog heden ten dage – op het dagelijkse leven van de aangeefsters. Het zeer laakbare gedrag van verdachte en haar mededader heeft veel angst en leed veroorzaakt.

In strafmatigende zin houdt het hof in de eerste plaats rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals in het advies van psychiater i.o. Kuipers en psycholoog Salet naar voren komt. Daarnaast heeft verdachte gebroken met [medeverdachte] en is zij inmiddels een andere relatie aangegaan waaraan zij veel steun ontleent, welke als een beschermende factor kan worden beschouwd. Verdachte lijkt in die zin een andere weg ingeslagen naar een maatschappelijk meer bestendig leven. Ook heeft zij ter terechtzitting aangegeven spijt te hebben van hetgeen volgens haar aan haar kan worden verweten.

Alles afwegende, komt het hof tot het oordeel dat ten aanzien van verdachte het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden is.

Verdachte heeft van 1 december 2014 tot en 25 april 2017 in voorlopige hechtenis verbleven. Hierdoor hoeft verdachte niet terug in detentie. Het hof zal dan ook het geschorste bevel gevangenhouding opheffen.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt in het bijzonder de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof verbindt aan het voorwaardelijk deel van de straf dan ook de in het dictum te melden bijzondere voorwaarden. Daartoe ziet het hof aanleiding, gelet op de omtrent verdachte uitgebrachte rapporten, waaronder met name de eerder genoemde Pro Justitia Rapportage van het NIFP en de laatste twee uitgebrachte reclasseringsrapportages.


In de Pro Justitia Rapportage van het NIFP wordt omtrent het recidiverisico onder meer vermeld: ‘Betrokkene scoort hoog op zowel historische, klinische als risicohanteringsitems van de HCR-20. Het algemeen risico op gewelddadig gedrag in de toekomst wordt dan ook hoog ingeschat.’ (p. 61/101)

De Reclassering overweegt in haar rapportage d.d. 8 juni 2017 wat betreft het recidiverisico (citerend uit een eigen rapport van 15 maart 2017): ‘Op basis van Risc wordt de kans op hernieuwd justitiecontact als hoog ingeschat. Dit risico komt voort uit een samenhang van de criminogene factoren antisociale gedragingen, denkpatronen, relaties en middelen-gebruik.’ (p. 3/5)

Het hof ziet hierin bovendien aanleiding tot het opleggen van de voorwaarde van een korte klinische opname, zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 26 april 2017.

In het vorenstaande ziet het hof bovendien aanleiding een langere dan de gebruikelijke proefperiode van twee jaar op te leggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden

Het hof zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De aard van de bewezen verklaarde feiten en hetgeen uit de persoonsrapportages blijkt over het recidive-risico, zoals hiervoor weergegeven, geven het hof daartoe aanleiding.

Op grond hiervan moet er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht is daarmee naar het oordeel van het hof voldaan.

Verbeurdverklaring

Onder verdachte zijn blijkens de zich in het dossier bevindende lijst goederen in beslag genomen, welke nog niet zijn teruggegeven. Het hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van de in beslag genomen zonnebril, rol tape, GSM, en bivakmuts zijn begaan. Deze voorwerpen zullen op grond van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht – overeenkomstig de beslissing van de rechtbank – verbeurd worden verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Beslag

Zoals vermeld onder het kopje ‘op te leggen straffen/verbeurdverklaring’ bevindt zich in het dossier een lijst met in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Het hof beslist – overeenkomstig de beslissing van de rechtbank – op de voorwerpen, voor zover niet verbeurd verklaard, als in het dictum vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A]

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 2.854,50, bestaande uit een bedrag van € 1.500,-- aan immateriële schade en een bedrag van € 1.354,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2014. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en in hoger beroep gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen. De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer A] gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer A] als gevolg van verdachtes onder 1. bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het volledig gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is.

Het hof ziet voorts aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en haar mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, ter hoogte van (in totaal) € 24.191,11. De benadeelde partij is in deze vordering bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn (te weten het onder 2. primair, dan wel subsidiair ten laste gelegde), geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer C] in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4. ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2. primair en 2. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en 3. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 3. bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 3 dagen zal melden bij Reclassering Nederland, GGZ Reclassering Limburg, Laurentiusplein 10, 6043 CS Roermond, telefoonnummer 0475-319747, en zich daarna gedurende de proeftijd en op door de Reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat nodig acht;

2. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens voormelde Reclasseringsinstelling;

3. dat verdachte gedurende de proeftijd op generlei wijze contact zal opnemen met:

 [slachtoffer A]

 [slachtoffer B]

4. dat verdachte zich onthoudt van het gebruik van alcohol en drugs zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht en medewerking zal verlenen aan controles op zowel alcohol- als drugsgebruik;

5. dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen voor verslavingsproblematiek bij de GGZ Verslavingszorg Vincent van Gogh of een soortgelijke (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de Reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de zorginstelling of de behandelaar worden gegeven;

6. dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen voor psychische problematiek bij FPP De Horst of een soortgelijke forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de Reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de zorginstelling of de behandelaar worden gegeven, ook als dit inhoudt een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek.

Geeft Reclassering Nederland opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 zonnebril (584398)

- 1 rol tapeband (584421)

- 1 GSM Samsung zonder achterkant (584245)

- 1 bivakmuts (585473)

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 sjaal (584329)

- 1 shirt (584371)

- 2 joggingbroeken (584475)

- 9 stuks papier (584114)

- bankbescheiden (584173)

- medicijnen (584179)

- 1 stuk ketoconazol shampoo (584118)

- 1 rozenkrans (584383)

- 2 broeken ( 584364)

- 5 flessen (584464)

- 1 fles/kappersartikel (584139)

- 1 emmer (584482) bankbescheiden (584140)

- 1 pas Western Union (584145)

- 1 pas VGZ (584148)

- 1 pas ABN (584157)

- 1 doos poeder (584169)

- 1 GSM Nokia 6300 (584287)

- 1 SD kaart Hama (584292)

- 1 SIMkaart Lebara (584432)

- 1 Apple iPod (584440)

- 1 USB-stick Sweex (584141).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer A] ter zake van het onder 1. bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.854,50 (tweeduizend achthonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) bestaande uit € 1.354,50 (duizend driehonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) materiële schade en € 1.500,-- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte die, evenals haar mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn of haar betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer A] , ter zake van het onder 1. bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.854,50 (tweeduizend achthonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) bestaande uit € 1.354,50 (duizend driehonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) materiële schade en

€ 1.500,-- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 (achtendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer C]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer C] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Heft op de reeds geschorste voorlopige hechtenis van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J.J. van der Kaaden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman, griffier,

en op 17 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van der Kaaden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 politiedossier, zaakdossier 1, deel 1, pagina 1534 e.v.

2 politiedossier, algemeen dossier, deel 1, pagina 263 e.v.

3 proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 november 2015, pagina’s 4 en 5.

4 politiedossier, zaakdossier 8, pagina 5676 e.v.

5 politiedossier, zaakdossier 1, deel 1, pagina 1591 e.v.

6 politiedossier, algemeen dossier, deel 1, pagina 267.

7 politiedossier, zaakdossier 4, pagina 3510 e.v.

8 politiedossier, zaakdossier 8, pagina 5676 e.v.

9 politiedossier, zaakdossier 8, pagina 5720 e.v.

10 beslagdossier, pagina 957.

11 politiedossier, algemeen dossier, deel 2, pagina 448.

12 politiedossier, zaakdossier 4, pagina’ 3549 en 3550.

13 beslagdossier, pagina 957.

14 Politiedossier, zaakdossier 4, pagina 3537 e.v.

15 Politiedossier, zaakdossier 4, pagina 3506.

16 proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 november 2015, pagina’s 4 en 5.

17 politiedossier, algemeen dossier, deel 1, pagina 348.