Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3232

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
16/03601
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3970, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Scholingsuitgaven. Belanghebbende is piloot. Om zijn vliegbrevet geldig te houden heeft hij kosten moeten maken. De Inspecteur heeft zich ter zitting bij het Hof nader op het standpunt gesteld dat de kosten van de simulatortraining wel als scholingsuitgaven kwalificeren. Ten aanzien van de kosten van een medische keuring, een headset, een iPad en het vernieuwen van de license oordeelt het hof dat deze uitgaven niet in rechtstreeks verband met een leertraject staan. Beroep op vertrouwensbeginsel wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1992
V-N 2017/49.21.11
Viditax (FutD), 25-08-2017
FutD 2017-2125
NTFR 2017/2220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03601

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] (Spanje),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 juni 2016, nummer BRE 15/8349, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.26.01 over het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een verzamelinkomen van nihil (hierna: de aanslag). Daarbij is bij beschikking een restant persoonsgebonden aftrek (hierna: PGA) vastgesteld van € 16.083 (hierna: de beschikking). De Inspecteur heeft het tegen de beschikking gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 2 juni 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [plaats 2] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [B] en mevrouw [C] .

1.5.

De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft in 2009 een opleiding tot verkeersvlieger afgerond. Sinds datzelfde jaar is belanghebbende werkzaam als piloot bij [D] . Om zijn brevet geldig te houden heeft belanghebbende in 2012 voor € 7.132 aan kosten gemaakt, bestaande uit de volgende posten: €
kosten voor een simulatortraining 3.824
medische keuring 228
risicoverzekering 152
headset 1.990
vernieuwen van de license 363
stomerij 150
iPad 336
supplies . 89
Totaal 7.132.

2.2.

Belanghebbende heeft voornoemde kosten in zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2012 opgenomen als scholingsuitgaven. De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd.

2.3.

Ook over het jaar 2009 heeft belanghebbende scholingsuitgaven geclaimd, opgenomen in zijn brief gedagtekend 8 juli 2011. De geclaimde scholingsuitgaven betreffen de leerlingbijdrage Stella Aviation Academy (€ 772), de kosten voor een “type qualification” (€ 28.500), een medische keuring (€ 203), een zaklamp (€ 75), een certificaat (€ 638) en een headset (€ 865). De brief van 8 juli 2011 is eerst op 31 augustus 2012 bij de Belastingdienst binnengekomen. De aanslag is opgelegd met dagtekening 12 september 2012, waarbij geen rekening meer kon worden gehouden met de brief van 8 juli 2011. De brief is door de Inspecteur aangemerkt als een aanvulling op de aangifte en is in het aanslagsysteem afgedaan op 10 oktober 2012; zonder het stellen van vragen zijn de geclaimde scholingsuitgaven geaccepteerd hetgeen heeft geleid tot een beschikking van 26 oktober 2012.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de in 2012 geclaimde scholingsuitgaven.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende slechts gedeeltelijk recht heeft op aftrek.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De Inspecteur:

- Ik wijzig mijn standpunt in die zin dat de kosten voor de simulatortraining wel als scholingsuitgaven kwalificeren. Er is dienaangaande sprake van een leertraject onder begeleiding van een instructeur.

- Belanghebbende toont mij een factuur van de aangeschafte headset. Ik betwist niet dat deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt, maar ik stel dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze headset direct verband houdt met de training.

- Ook ten aanzien van de iPad stel ik dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze direct verband houdt met de training. Bovendien zit er ook een privé-element in.

Belanghebbende:

- Niet langer is in geschil dat de kosten voor de risicoverzekering niet als scholingsuitgaven kwalificeren.

- Ten aanzien van de kosten van de medische keuring spreekt de jurisprudentie in mijn nadeel, maar ik beroep me dienaangaande op gewekt vertrouwen doordat de Inspecteur deze kosten in 2009 wel heeft geaccepteerd.

- Ik claim niet langer aftrek scholingsuitgaven voor de kosten van de stomerij en van supplies.

- De headset is aangeschaft voor de simulatortraining. Dat belanghebbende deze headset daarna ook tijdens zijn werk gebruikt, omdat hij deze beter vindt dan de in de cockpit aanwezige headset, is niet relevant.

- De iPad is aangeschaft om de training online te kunnen voorbereiden.

- Na de simulatortraining moest de license worden vernieuwd; daarom zijn ook die kosten aftrekbaar.

- Ik claim niet langer vergoeding van de werkelijke proceskosten, dan wel toepassing van wegingsfactor 2. Ik verzoek om toepassing van het forfaitaire puntenstelsel met wegingsfactor 1.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot handhaving van de aanslag en vaststelling van het restant PGA op € 22.324, zijnde

restant PGA ultimo 2012 vastgesteld bij beschikking (zie 1.1) 16.083
simulatortraining 3.824
medische keuring 228
headset 1.990
vernieuwen license 363
iPad 336
drempel 500-/-
Af: 22.324.

De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot handhaving van de aanslag en vaststelling van het restant PGA op € 19.407, zijnde bij beschikking vastgesteld restant PGA ultimo 2012 van €16.083, plus € 3.824 (simulatortraining) minus € 500 (drempel).

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 worden als scholingsuitgaven aangemerkt de uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.

4.2.

Na het onderzoek ter zitting (zie 3.2) is uitsluitend nog in geschil of de kosten van de medische keuring, de headset, de iPad en het vernieuwen van de license kwalificeren als scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 Wet IB 2001.

4.3.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 260 en 261) is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“De uitgaven moeten direct verband houden met het leertraject. Hierbij moet worden gedacht aan reële en rechtstreekse kosten, lasten en afschrijvingen voor een opleiding of studie, zoals bijvoorbeeld lesgelden en leerboeken. Zo zijn uitgaven voor vakliteratuur alleen aftrekbaar indien er een zodanig verband tussen de literatuur en het volgen van het leertraject bestaat dat de literatuur in de gegeven omstandigheden naar het spraakgebruik als leerboek of leermiddel kan worden aangemerkt.

Met de term «met het oog op het verwerven van inkomen uit arbeid en woning» wordt beoogd aan te geven dat het doel van de opleiding bepalend is voor de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven. Het geobjectiveerde doel van het volgen van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Uitgaven voor een opleiding of studie die wordt gevolgd als hobby of uit persoonlijke interesse, kunnen dus niet als scholingsuitgaven in aanmerking komen, evenmin als dergelijke uitgaven in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen uit werk en woning.”

4.4.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de simulatortraining kan worden gezien als een leertraject en dat dienaangaande aan de voorwaarde “met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning” wordt voldaan.
Alsdan dient de vraag beantwoord te worden of de in 4.2 genoemde overige kosten direct verband houden met dat leertraject. De bewijslast dienaangaande rust op belanghebbende. Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Met hetgeen belanghebbende met betrekking tot de in 4.2 genoemde kosten heeft aangedragen, heeft hij naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven in een rechtstreeks verband met het leertraject staan.

4.5.

Subsidiair beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel omdat de in 2009 gemaakte kosten voor de medische keuring en de headset door de Inspecteur in dat jaar zonder het stellen van vragen geaccepteerd zijn.

4.6.

Van een in rechte te beschermen vertrouwen is naar het oordeel van het Hof geen sprake. De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:

“Uit de stukken blijkt dat belanghebbende in 2009 nog een opleiding volgde als piloot in verband met de “type qualification”, welke opleiding aanzienlijke kosten met zich bracht die (terecht) als scholingskosten zijn aangemerkt. Dat de inspecteur de kosten van die opleiding en de daarbij bijkomende kosten toen mede als scholingskosten heeft geaccepteerd zonder nadere vragen te stellen, kan naar het oordeel van de rechtbank bij belanghebbende niet het vertrouwen hebben gewekt dat de inspecteur dat ook zou doen in latere jaren, na afsluiting van de pilotenopleiding. Er is immers sprake van een wezenlijk verschillende situatie in 2012 ten opzichte van 2009. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet.”

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de Rechtbank en maakt deze overweging tot de zijne. Het Hof voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende heeft gesteld dat de in 2009 geclaimde scholingsuitgaven zowel zien op de periode voordat de opleiding afgerond werd, als op de periode nadat de opleiding afgerond was. Voor zover belanghebbende hiermee bedoelt te stellen dat de Inspecteur een bewuste standpuntbepaling heeft ingenomen, dat de na afronding van de opleiding gemaakte kosten als scholingsuitgaven kwalificeren, faalt deze stelling, nu in de brief van belanghebbende van 8 juli 2011 geen melding wordt gemaakt van het feit dat de opleiding in 2009 is afgerond, noch wordt daarin onderscheid gemaakt tussen de kosten die betrekking hebben op de periode dat het vliegbrevet nog niet was behaald en de periode dat dit wel het geval was. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat in de brief de indruk wordt gewekt dat de bijkomende kosten een onderdeel waren van de in 2006 aangevangen opleiding tot verkeersvlieger. Om die reden is sprake van een wezenlijk andere situatie dan in het onderhavige jaar en dient het beroep op het vertrouwensbeginsel te worden verworpen.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur moeten worden vernietigd. Het restant PGA ultimo 2012 dient te worden vastgesteld op € 19.407 overeenkomstig de conclusie van de Inspecteur vermeld onder 3.3.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Nu de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur worden vernietigd, dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 124 te worden vergoed.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten

4.9.

Nu de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.10.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 246 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 492 voor de behandeling in bezwaar; op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990 voor de behandeling van het beroep; en 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990 voor de behandeling van het hoger beroep; in totaal derhalve op € 2.472.

4.11.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de aanslag;

- wijzigt de beschikking in die zin dat het restant PGA € 19.407 bedraagt;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 169 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van bezwaar en in de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.472.

Aldus gedaan op 13 juli 2017 door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.