Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3230

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
16/03353
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2620, Bekrachtiging/bevestiging
Herziening: ECLI:NL:HR:2019:194
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbenden wonen in Duitsland en zijn gezamenlijk eigenaar van een vakantiewoning gelegen in Nederland. Zij verhuren deze vakantiewoning, middels tussenkomst van een in Nederland gevestigd verhuurkantoor, aan derden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbenden niet beschikken over een vaste inrichting in Nederland hetgeen betekent dat zij geen recht hebben op toepassing van de kleine ondernemersregeling zoals bedoeld artikel 25, van de Wet OB 1968

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2141 met annotatie van Maria van Helden
V-N Vandaag 2017/1993
V-N 2017/49.1.2
Belastingadvies 2017/21.8
Viditax (FutD), 25-08-2017
FutD 2017-2128
NTFR 2017/2563 met annotatie van mr. J.P.W.H.T. Becks, drs. J. van der Laan
Viditax (FutD), 08-02-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03353

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbenden] ,

wonende te [plaats 1] (Duitsland),

hierna gezamenlijk te noemen: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 april 2016, nummer BRE 15/5090, in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen voldoening op de aangifte omzetbelasting 2013.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbenden hebben op 24 maart 2014 aangifte omzetbelasting (OB) gedaan over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013. Naar aanleiding van het door belanghebbenden tegen deze aangifte gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak het bezwaar afgewezen.

1.2.

Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 167.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 251.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 20 juni 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , belastingadviseur te [plaats 2] , als gemachtigde van belanghebbenden, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [B] en de heren [C] en [D] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

2.1.

Belanghebbenden wonen in Duitsland. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van een vakantiewoning in [plaats 3] (hierna: de vakantiewoning), gelegen in het vakantiepark [E] (hierna: het vakantiepark). Belanghebbenden verhuren de vakantiewoning en zijn daarvoor in Nederland ondernemer voor de omzetbelasting.

2.2.

De verhuur van de vakantiewoning vindt plaats door tussenkomst van ‘ [F] B.V.’ (hierna: het verhuurkantoor), gevestigd in [plaats 3] . Tot de gedingstukken behoort een standaard verhuurovereenkomst met als titel ‘Verhuurovereenkomst [verhuurovereenkomst] ’, met bijbehorende standaard verhuurvoorwaarden (hierna: de verhuurovereenkomst). Naar het Hof begrijpt zijn belanghebbenden en het verhuurkantoor (onder de naam “ [verhuurkantoor] ”) op basis van de verhuurovereenkomst een overeenkomst aangegaan tot verhuur van de vakantiewoning.

2.3.

In de verhuurovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

‘1. Het object wordt door het verhuurkantoor voor rekening en risico van de eigenaar verhuurd aan derden. (…)

4. Behoudens voorkeurboekingen zal steeds getracht worden gelijksoortige objecten in gelijke mate voor de verhuur beschikbaar te stellen. (…)

7. Het verhuurkantoor controleert de toestand na afloop van iedere huurperiode en zorgt voor een goede afwikkeling van de huurbetrekkingen.

8. De eigenaar bepaalt per jaar welke periode(s) voor verhuur beschikbaar is c.q. zullen zijn en zal dit uiterlijk 1 november voor het betreffende verhuurjaar aan het verhuurkantoor bekendmaken. In geval op deze datum geen schriftelijke mededeling van de eigenaar is ontvangen, komt het object volledig ter beschikking voor verhuur via het verhuurkantoor. Eigen gebruik van het verhuurobject is, naast de van tevoren aangegeven perioden, niet toegestaan.

9. Het verhuurkantoor is verplicht aan het einde van het seizoen rekening en verantwoording af te leggen inzake verhuur en de aan de eigenaar toekomende gelden af te dragen. (…)

13. (…) Het verhuurkantoor is niet aansprakelijk voor schade, toegebracht of ontstaan door de huurder en/of derden. (…)

14. De vergoeding voor de bemiddeling van het verhuurkantoor bedraagt 16% van de bruto huursom, vermeerderd met de aan het Rijk af te dragen omzetbelasting over de ontvangen huurpenningen, welke omzetbelasting de eigenaar bij ondernemerschap aan het verhuurkantoor kan berekenen over de netto huuropbrengst. Deze afrekening en verrekening zal door het verhuurkantoor intern worden verzorgd.

15. Het verhuurkantoor verplicht zich met betrekking tot bovenstaande provisie- en kostenregeling tot het werven van huurders door middel van:

 een goede promotie van [verhuurkantoor]

 het verzorgen van advertenties

 het aangaan van samenwerkingsverbanden ten behoeve van promotie

 het verstrekken van telefonische/elektronische informatie

 het verzenden van foldermateriaal en reserveringsformulieren

 het verzenden van huurovereenkomsten

 het innen van de huursommen

 het verzorgen van de verhuuradministratie

 het inschrijven van de huurder bij aankomst

 het innen van de waarborgsom bij aankomst van de huurder

 het verstrekken van toeristische informatie

 het aanreiken van de sleutels van het object

 het totale beheer van het verhuurkantoor met de daaruit voortvloeiende administratieve verwerking en opstellen van de afrekeningen voor de eigenaar van het object.
(…)

17. De verhuurprijzen zullen door het verhuurkantoor, afhankelijk van de jaarlijkse vakantieperiodes worden vastgesteld.’

2.4.

Belanghebbenden hebben op 24 maart 2014 over het jaar 2013 aangifte omzetbelasting gedaan. Zij hebben de op aangifte verschuldigde belasting voldaan en vervolgens bezwaar tegen de voldoening op aangifte gemaakt.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbenden in Nederland over een vaste inrichting beschikken, waardoor zij recht hebben op toepassing van de kleine ondernemersregeling (hierna: de KOR) zoals bedoeld in artikel 25 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB).

Belanghebbenden zijn van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan het volgende toegevoegd:

Gemachtigde
De vakantiewoning zelf vormt geen vaste inrichting.

Inspecteur
Het verhuurkantoor doet alles onder eigen naam en niet onder de naam van belanghebbenden. Als huurder weet je niet wiens woning gehuurd wordt als je kiest voor een huisje op het vakantiepark.

De spreiding van huurders wordt bepaald door het verhuurkantoor. De huurovereenkomst met een gast wordt gesloten onder de naam van het verhuurkantoor: de huurder ziet de namen van belanghebbenden niet. Daarom is hun onderneming ook niet voor huurders zichtbaar en dus is er geen vaste inrichting.

3.3.

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van de omzetbelasting die op aangifte met betrekking tot het jaar 2013 is voldaan. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Nu belanghebbenden gezamenlijk en op één omzetbelastingnummer over het jaar 2013 aangifte omzetbelasting hebben gedaan en de verschuldigde omzetbelasting hebben voldaan, en voorts opkomen tegen één besluit van de Inspecteur, merkt het Hof belanghebbenden in deze uitspraak gezamenlijk aan als belanghebbenden als bedoeld in artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Artikel 25 van de Wet OB bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Indien een ondernemer een natuurlijk persoon is die in Nederland woont of is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft en de door hem in een kalenderjaar verschuldigde belasting na toepassing van de in artikel 15 bedoelde aftrek niet hoger is dan € 1883, wordt het bedrag van de belasting verminderd met een bedrag, gelijk aan 2,5 maal het verschil tussen € 1883 en het bedrag van die belasting. De vermindering bedraagt ten hoogste het bedrag van de belasting.

2. (…)’

Artikel 11, lid 1, van de Uitvoeringsverordening (EU) 282/2011 bepaalt:

‘Voor de toepassing van artikel 44 van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder ‘vaste inrichting’ verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken.’.

4.3.

In de Wet OB noch in de BTW-richtlijn wordt het begrip ‘vaste inrichting’ gedefinieerd. In de arresten van het Hof van Justitie (HvJ) van 4 juli 1985, nr. 168/84, ECLI:EU:C:1985:299 (Berkholz) en 17 juli 1997, nr. C-190/95, ECLI:EU:C:1997:374 (ARO Lease) wordt dit begrip nader ingevuld: de inrichting dient een zekere bestendigheid (een voldoende mate van duurzaamheid) te vertonen en een geschikte structuur te bezitten – gelet op personeel en technisch materieel – om een zelfstandige verrichting van de diensten van de onderneming van belanghebbende mogelijk te maken. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt voorts, dat het personeel niet noodzakelijk in dienstbetrekking hoeft te zijn en er geen sprake hoeft te zijn van technische middelen in eigendom van de vaste inrichting.

4.4.

Vast staat dat belanghebbenden in Duitsland woonachtig zijn, dat de vakantiewoning voor rekening en risico van belanghebbenden wordt verhuurd door het verhuurkantoor en dat belanghebbenden in Nederland niet beschikken over eigen personeel.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat de activiteiten, die tezamen de hoofddienst van belanghebbenden vormen, namelijk het verhuren van de vakantiewoning aan gasten, gelet op de inhoud van de verhuurovereenkomst en de daarmee in overeenstemming zijnde feitelijke werkzaamheden van het verhuurkantoor, effectief worden verricht door het verhuurkantoor.

Belanghebbenden, die slechts de gelden van het verhuurkantoor ontvangen en hun eigen gewenste gebruik van de woning aan het verhuurkantoor vooraf doorgeven, verrichten in Nederland geen activiteiten welke, gelet op de aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, als zelfstandige verrichting van bedoelde hoofddienst kwalificeren.

4.6.

Overigens is tussen partijen niet in geschil dat de vakantiewoning zelf niet als vaste inrichting kwalificeert.

4.7.

Ook de vraag of het verhuurkantoor als vaste inrichting van belanghebbenden in Nederland kan worden aangemerkt, beantwoordt het Hof ontkennend. Het verhuurkantoor kan niet als in Nederland gelegen verlengstuk van de onderneming van belanghebbenden worden beschouwd. Het verhuurkantoor verricht haar activiteiten immers geheel zelfstandig, onafhankelijk van belanghebbenden, voor meerdere opdrachtgevers (eigenaren van vakantiewoningen gelegen op het vakantiepark) tegen betaling van een provisie. De Inspecteur heeft gesteld, en belanghebbenden hebben dit niet weersproken, dat het verhuurkantoor bepaalt welke vakantiewoning wanneer verhuurd wordt als zich een geïnteresseerde potentiële huurder bij het verhuurkantoor meldt. De huurovereenkomsten worden op naam van het verhuurkantoor gesloten en een huurder weet niet van wie hij de vakantiewoning huurt. Gelet op het vorenstaande verricht het verhuurkantoor haar activiteiten naar het oordeel van het Hof los van de onderneming van belanghebbenden en kan het verhuurkantoor daarom niet als vaste inrichting van belanghebbenden in Nederland worden aangemerkt. Al hetgeen belanghebbenden overigens hebben gesteld maken dit oordeel niet anders.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbenden het door hen betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 13 juli 2017 door J. Swinkels, voorzitter, A.J. Kromhout en M.H.P. Groenland, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door A.J. Kromhout, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.