Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3227

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
25-08-2017
Zaaknummer
15/01232
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6280, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende maakt aannemelijk dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de taxivrijstelling (BPM)

Belanghebbende exploiteert een taxibedrijf met vier auto’s. Het vervoer betreft hoofdzakelijk schoolvervoer en luchthavenvervoer. Bij aankoop van de auto’s, in 2009, 2010 en 2011 is voor deze auto’s teruggaaf verzocht en verleend van de bij aankoop betaalde BPM op grond van de taxiregeling van artikel 16 Wet BPM. Ingevolge die regeling wordt een vrijstelling van BPM verleend indien en auto geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor taxivervoer.

In augustus 2011 heeft de Inspecteur een bedrijfsbezoek afgelegd bij belanghebbende. Bij het bedrijfsbezoek zijn geen onregelmatigheden geconstateerd en was er geen reden om belanghebbende ‘bij te sturen’.

In november 2013 is door de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld om te beoordelen of de teruggaaf BPM terecht is verleend. Voor drie van de vier auto’s waarvoor de BPM is teruggegeven wordt nageheven, omdat, volgens de Inspecteur niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de teruggaafregeling als bedoeld in artikel 16 Wet BPM.

In geschil is of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de teruggaafregeling als bedoeld in artikel 16 Wet BPM.

Het boekenonderzoek, waarop de naheffingsaanslag is gestoeld, is van zeer korte duur geweest en beperkt van omvang. Uit het rapport boekenonderzoek volgt dat enkel de rittenadministratie is gecontroleerd. De controlerende ambtenaar is niet op het (bewijs)aanbod van belanghebbende ingegaan om de in computerbestanden opgeslagen informatie in onderlinge samenhang te bezien met de rittenstaten. Het Hof is van oordeel dat de controlerende ambtenaar en de Inspecteur zich ten onrechte hebben beperkt tot de rittenstaten en ten onrechte het door belanghebbende overige aangevoerde bewijs hebben veronachtzaamd. Dit klemt te meer omdat belanghebbende vrij is in diens keuze om het vereiste bewijs te leveren.

Met hetgeen belanghebbende heeft verstrekt, dan wel heeft willen verstrekken, wordt belanghebbende geacht voldoende te hebben aangevoerd om zich van zijn bewijsopdracht te kwijten.

Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en de naheffingsaanslag.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2001
V-N 2017/51.18.1
Viditax (FutD), 28-08-2017
FutD 2017-2164
NTFR 2017/2425
NLF 2017/2122 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01232

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] h.o.d.n. [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 september 2015, nummer AWB 14/4383 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en de beschikkingen belastingrente en heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is, gedagtekend 18 maart 2014, een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen, aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd naar een bedrag van € 7.588 (hierna: de naheffingsaanslag). Tegelijkertijd zijn, in één geschrift verenigd met de naheffingsaanslag, bij voor bezwaar vatbare beschikkingen belastingrente van € 189 en heffingsrente van € 594 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en - naar het Hof verstaat - de beschikkingen belastingrente en heffingsrente bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren met betrekking tot de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de beschikking heffingsrente ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 148.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248.

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 19 december 2016 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, mevrouw [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] .

1.6.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende exploiteert een taxibedrijf. Het vervoer betreft hoofdzakelijk schoolvervoer en luchthavenvervoer. Voor wat betreft het schoolvervoer is niet duidelijk wat er precies schriftelijk is vastgelegd met de opdrachtgevers. Het luchthavenvervoer wordt voorafgaande aan de rit besteld en geregeld. Het aantal straatritten is te verwaarlozen.

2.2.

Het taxibedrijf wordt onder meer geëxploiteerd met een viertal auto’s met de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] , [kenteken 3] en [kenteken 4] . Bij aankoop van deze auto’s, in 2009, 2010 en 2011 is voor deze auto’s teruggaaf verzocht en verleend van de bij aankoop betaalde BPM op grond van de taxiregeling van artikel 16 Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM).

2.3.

Op 18 augustus 2011 heeft de Inspecteur een bedrijfsbezoek afgelegd bij belanghebbende. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 4 november 2011.

2.4.

Op 5 november 2013 is door de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld om te beoordelen of de teruggaaf BPM terecht is verleend. De bevindingen daarvan worden vastgelegd in een rapport boekenonderzoek van 3 maart 2014.

2.5.

Naar aanleiding van het rapport is aan belanghebbende met dagtekening 4 maart 2014 de naheffingsaanslag opgelegd. De ter zake van de auto’s met kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] en [kenteken 3] (hierna: de taxi’s) verleende teruggave van BPM is nageheven, omdat, volgens de Inspecteur niet is voldaan voorwaarden voor de toepassing van de teruggaafregeling voor taxivervoer als bedoeld in artikel 16 Wet BPM.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de teruggaafregeling voor taxivervoer als bedoeld in artikel 16 Wet BPM.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar, van de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ambtshalve en vooraf

4.1.

De griffie van het Hof (hierna: de griffie) heeft de Inspecteur op 9 december 2015 uitgenodigd voor het voeren van verweer. Na geen reactie van de Inspecteur te hebben ontvangen, heeft de griffie op 20 januari 2016 een rappel is verzonden. Op dit rappel reageert de Inspecteur op 28 januari 2016 met de mededeling dat hij het (te) druk heeft en dat hij zo spoedig mogelijk zijn verweer zal indienen. Hierop wordt de Inspecteur uitstel verleend tot 29 februari 2016. Op 29 februari 2016 stelt de griffie vast dat nog steeds geen verweerschrift is ingekomen, rappelleert opnieuw en geeft de Inspecteur een termijn die eindigt op 14 maart 2016. Een verweerschrift wordt evenwel niet ingediend. Eerst op 8 december 2016, 11 dagen voor de zitting, dient de Inspecteur een nader stuk in, aangeduid als ‘verweerschrift’.

4.2.

Het Hof stoort zich in ernstige mate aan de handelwijze van de Inspecteur temeer omdat de Inspecteur in eerste aanleg er eveneens voor gekozen heeft om geen verweerschrift in te dienen. Dit handelen van de Inspecteur is in strijd met het bepaalde in paragraaf 2.2.1 van het Besluit Beroep in Belastingzaken. Uiteindelijk heeft de Inspecteur weliswaar met toepassing van artikel 8:58 van de Awb een stuk ingediend met een inhoudelijk verweer tegen het gestelde in het (hoger) beroepschrift, maar door deze handelwijze ontneemt de Inspecteur de wederpartij de mogelijkheid op de voet van 8:43 van de Awb tot het indienen van een conclusie van repliek en noodzaakt hij de wederpartij tot het op het allerlaatste moment nog indienen van nadere stukken als reactie op het verweerschrift. Voornoemd gedrag van de Inspecteur en de effecten daarvan verstoren voorts de voorbereiding van het Hof. Het aldus handelen door de Inspecteur belemmert een efficiënte procesgang. Met een dergelijk gedrag miskent de Inspecteur zijn positie als professionele procespartij, in het bijzonder nu hij optreedt namens de overheid.

Het Hof volstaat op dit moment met een waarschuwing aan de Inspecteur. In toekomstige zaken waarin dit gebeurt zal het Hof aan het handelen van de Inspecteur gevolgen verbinden, bijvoorbeeld door het toekennen van een proceskostenvergoeding, ongeacht de uitkomst van het geschil.

4.3.

Ter zitting heeft belanghebbende lijsten aangeboden, zijnde een administratie per dag die door belanghebbende naast de rittenadministratie is bijgehouden. Hierop zijn vermeld de ‘BPM-kilometers’ en de ‘niet-BPM-kilometers’, alsmede verklaringen voor bijzonderheden, zoals het omruilen van een auto en tanken. Daarnaast zijn er nog andere bescheiden aanwezig in de administratie die van belang zijn voor de beoordeling of voldaan wordt aan de voorwaarden voor de toepassing van de teruggaafregeling voor taxivervoer. Ter zitting verzoekt belanghebbende ook deze stukken te mogen toevoegen aan het procesdossier.

4.4.

Het Hof wijst belanghebbendes verzoek om alsnog de lijsten en andere zich in de administratie bevindende bescheiden te mogen toevoegen aan het procesdossier af. Het Hof merkt het verzoek als tardief aan. Belanghebbende had de genoemde lijsten en bescheiden al in een veel eerder stadium kunnen inbrengen. Het eerst ter zitting in hoger beroep inbrengen van genoemde lijsten en bescheiden acht het Hof in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

Ten aanzien van het geschil

4.5.

Artikel 16 Wet BPB bepaalt, voor zover hier van belang:

‘1. Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregelen van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s die zijn bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000.

(…).

4. de aanspraak op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop aan de voorwaarden en beperkingen voor teruggaaf als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan.

(…).

6. Indien in het eerste, tweede of derde jaar na het in het vierde lid bedoelde tijdstip niet langer aan de voorwaarden en beperkingen voor teruggaaf, bedoeld in het eerste lid wordt voldaan, wordt vanaf het moment dat hieraan niet langer wordt voldaan het teruggegeven bedrag voor de nog niet verstreken maanden van het desbetreffende jaar en de nog niet verstreken hele jaren van deze driejaarsperiode naar evenredigheid als belasting verschuldigd. Indien voor de reeds verstreken periode van het desbetreffende jaar de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het in het eerste lid bedoelde vervoer wordt voor de tijdsevenredige berekening van de verschuldigde belasting ook dit jaar geheel in aanmerking genomen. De verschuldigde belasting wordt op aangifte voldaan binnen een maand na het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden en beperkingen voor teruggaaf, bedoeld in het eerste lid wordt voldaan.

7. Indien over het eerste, tweede of derde jaar na het in het vierde lid bedoelde tijdstip bezien uitsluitend niet is voldaan aan de voorwaarde dat de personenauto geheel of nagenoeg wordt gebruikt voor het in het eerste lid bedoelde vervoer, wordt telkens een derde deel van het teruggegeven bedrag als belasting verschuldigd. De verschuldigde belasting wordt op aangifte voldaan binnen een maand na afloop van het desbetreffende jaar.

(…).’

4.6.

De bij algemene maatregelen van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen als bedoeld in artikel 16, lid 1, Wet BPM zijn neergelegd in artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan die voorwaarden en beperkingen is voldaan.

4.7.

Of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de teruggaafregeling voor taxivervoer als bedoeld in artikel 16 Wet BPM spitst zich toe op de vraag of de taxi’s, elk afzonderlijk, geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt voor het verrichten van taxiritten. De taxi’s mogen niet meer dan 10% van de totaal verreden kilometers worden gebruikt voor andere doeleinden dan taxiritten. De bewijslast dat voldaan wordt aan de 90%-eis rust op de belanghebbende. Nu geen wettelijke voorschriften worden gesteld aan het te leveren bewijs, is belanghebbende vrij om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast.

4.8.

In de tot 16 juni 2010 geldende Leidraad BPM 2006, Besluit Minister van Financiën van 12 september 2006, nr. CPP2006/1980M, Stcrt. 2006, 185, was in § 11.7.3 met betrekking tot het door belanghebbende te leveren bewijs bepaald dat in eerste instantie moest worden gedacht aan het leveren van bewijs met behulp van een kilometeradministratie. Als dat niet voldoende was dan konden nadere gegevens, neergelegd in de bedrijfsadministratie, in de beoordeling worden betrokken. Bood ook de administratie in onvoldoende mate aangrijpingspunten voor een adequate toetsing, dan was het totaalbeeld dat de Belastingdienst had van de ondernemer die om teruggaaf van de belasting verzocht, relevant. Alsdan konden ook de uitkomsten van door de Belastingdienst bij de ondernemer ingestelde onderzoeken in het kader van andere belastingmiddelen, zoals inkomstenbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting, van belang zijn.

4.9.

De Leidraad BPM 2006 is met de invoering van het Kaderbesluit BPM 2010, Besluit Minister van Financiën van 4 juni 2010, nr. DGB2010/1670M, Stcrt. 2010, 9057, vervallen. In het Kaderbesluit BPM 2010 is § 11.7.3 niet langer opgenomen. In de toelichting op het Kaderbesluit BPM 2010 is uiteengezet dat de standpunten uit de Leidraad BPM 2006 zijn opgenomen, maar niet de passages met (enkel) een toelichtend karakter. Het niet langer opnemen van bepaalde toelichtende passages in het Kaderbesluit BPM 2010, zoals het bepaalde in § 11.7.3, betekent naar het oordeel van het Hof evenwel niet dat die passages na het vervallen van de Leidraad BPM 2006 niet langer van betekenis zijn. Niet valt in te zien dat een belastingplichtige die onder het toepassingsbereik van de Leidraad BPM 2006 slaagt in de op hem rustende bewijslast, niet zou voldoen aan de op hem rustende bewijslast onder de toepassing van een vervolgbesluit, temeer niet, omdat in het Kaderbesluit BPM 2010 niet valt af te leiden dat de besluitgever andere, in het bijzonder strengere, voorwaarden stelt aan het door de belastingplichtige te leveren bewijs.

4.10.

De Inspecteur acht belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat voldaan wordt aan de 90%-eis, omdat de rittenadministratie nogal wat onvolkomenheden bevat. In dat verband stelt de Inspecteur dat vrijwel nooit, althans onvoldoende expliciet, onderscheid wordt gemaakt tussen de ‘beladen’ ritten en de ‘onbeladen’ ritten; daardoor dient belanghebbende zelf het aantal verreden ‘beladen’ kilometers te bepalen. Bij de controle is vastgesteld dat ook in gevallen dat indien slechts één of twee schoolritten op een dag werden gemaakt, er geen verklaring is voor het (soms grote) verschil in berekende onbeladen kilometers. Ook onjuist is, aldus de Inspecteur, dat de kilometerstand op het einde van een vaste route niet wordt vermeld, zodat niet duidelijk is of er daarna nog ritten zijn gemaakt. Volgens de Inspecteur is belanghebbende er ook niet in geslaagd om met alternatieve bewijsmiddelen op een praktisch acceptabele wijze de 90%-eis aannemelijk te maken. De in de hoger beroepsfase overgelegde rittenstaten van drie dagen acht de Inspecteur daartoe onvoldoende.

4.11.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan de 90%-eis wordt voldaan. Uit de combinatie van de rittenstaten en tot de administratie behorende computerbestanden volgt dat aannemelijk is dat aan de 90%-eis wordt voldaan, aldus belanghebbende.

In een reactie op hetgeen de Inspecteur heeft opgemerkt ten aanzien van het gebrek aan onderscheid tussen beladen en onbeladen op de rittenstaten, stelt belanghebbende dat in de onderzochte periode met verschillende rittenstaten is gewerkt. De rittenstaten die in 2010 zijn gebruikt bevatten geen kolom waarin kan worden aangegeven of sprake is van een beladen of onbeladen rit. De in 2011 en latere jaren gebruikte rittenstaten heeft een dergelijke kolom wel (‘soort rit’).

4.12.

Het opleggen van de naheffingsaanslag is gegrond op de bevindingen van het boekenonderzoek. In het rapport boekenonderzoek wordt de conclusie getrokken dat de beschikbare kilometeradministratie niet alleen onvolledig, maar ook onbetrouwbaar is, en niet geschikt is om aan te tonen dat voldaan werd aan de gebruikseis. Zoals hierna uiteen zal worden gezet deelt het Hof de conclusie van het rapport boekenonderzoek niet. Het Hof is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.

4.12.1.

Op 18 augustus 2011 hebben de controlerende ambtenaren, [E] en [F] , bij belanghebbende een bedrijfsbezoek afgelegd. Van dat bedrijfsonderzoek is op 4 november 2011 een rapport opgemaakt. Op p. 7 van het rapport is vermeld welke primaire registraties tijdens het bedrijfsbezoek zijn vastgesteld. Onder die vastgestelde registraties is vermeld ‘rittenregistratie taxi’s (+ bestanden detailgegevens!)’.

Op p. 8 van het rapport wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

4.6. rittenopbrengsten

De rittenstaten worden door de chauffeur na iedere rit direct ingevuld. Bij het inleveren van de rittenstaten controleert de eigenaar van de onderneming, samen met de chauffeur, de ingeleverde rittenstaten. De rittenstaat wordt door zowel de chauffeur als de ondernemer geparafeerd.

De rittenstaten worden overzichtelijk per kenteken op datum gearchiveerd.

Samen met de chauffeur wordt onder andere gecontroleerd onder andere gecontroleerd of de rittenstaat voldoet aan de minimale eisen. Die eisen zijn:

  • -

    naam/adres vervoerder

  • -

    naam chauffeur

  • -

    kenteken auto/nummer auto

  • -

    datum dienst

  • -

    aanvang en einde diensttijd

  • -

    kilometerstand taxi begin en einde van de dienst

  • -

    totaaltelling ontvangsten per taxi per dag

Per rit dienen de volgende gegevens te worden geregistreerd:

  • -

    tijdstip vertrek en aankomst per rit

  • -

    plaats van vertrek en aankomst per rit (bestemming)

  • -

    kilometerstand begin/eind rit

  • -

    aantal vervoerde personen

  • -

    beladen/onbeladen rit

  • -

    ritprijs contant/op rekening (ontvangen bedrag)

Tijdens het bedrijfsbezoek is steekproefsgewijs vastgesteld dat de rittenstaten aan de eisen voldoen. De lege en loze ritten worden genoteerd op de rittenstaat. Er wordt niet privé gereden met de taxi’s.’

De garage/tankritten worden genoteerd op de rittenstaat.

De werkmapjes worden bijgehouden en bewaard.’

4.12.2.

Uit het vermelde op p. 7 en 8 van het rapport bedrijfsbezoek leidt het Hof af dat de controlerende ambtenaren tijdens het bedrijfsbezoek kennis hebben genomen van de rittenadministratie, alsmede van de bestanden met detailgegevens. Op de rittenstaten zijn voorts steekproeven gedaan, waarbij is vastgesteld dat de rittenstaten, al dan niet in combinatie met de bestanden met detailgegevens, aan de eisen voldoen. Kennelijk was er voor de controlerende ambtenaren geen enkele reden om belanghebbende ‘bij te sturen’.

Uit het rapport wordt niet duidelijk of de opmerking dat ‘niet privé (wordt) gereden met de taxi’s’ afkomstig is van belanghebbende, dan wel een constatering is van de controlerende ambtenaren. Hoe dan ook, door de controlerende ambtenaren is kennelijk niet een dermate hoog privé-gebruik gesignaleerd, dat dit aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen dan wel dat de Inspecteur daarvan op de hoogte moest worden gesteld.

4.12.3.

Belanghebbende heeft steeds gesteld dat het de chauffeurs niet was toegestaan privé-ritten te maken met de aan hen ter beschikking gestelde taxi’s. Belanghebbende stelt voorts dat hijzelf incidenteel gebruik heeft gemaakt van de taxi’s. Deze ritten zijn opgenomen in de administratie, maar het privé-gebruik ter zake is dermate beperkt dat dit zelfs niet leidt tot een bijtelling privé-gebruik auto.

4.12.4.

Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, leidt het Hof af dat het boekenonderzoek van zeer beperkte omvang is geweest. Belanghebbende spreekt van een duur van het onderzoek van ‘2 á 3 uur’, de controlerend ambtenaar, [D] , van ‘tussen 2 en 4 uur’.

Uit het rapport boekenonderzoek van 3 maart 2014 volgt dat de controlerend ambtenaar enkel de rittenadministratie heeft gecontroleerd. Op pagina 4 van het rapport wordt opgemerkt dat alleen de beladen uitgevoerde ritten op de rittenstaten worden genoteerd, en de ritten zonder passagiers (onbeladen ritten) meestal niet. Uit de in hoger beroep overgelegde rittenstaat over 2011 blijkt evenwel dat zowel de beladen als de onbeladen ritten zijn vermeld. Zoals reeds vermeld onder 4.12.2. heeft ook de steekproefsgewijze controle tijdens het bedrijfsbezoek niet geleid tot opmerkingen van de zijde van de controlerende ambtenaren. Het Hof leidt daaruit af dat in de gecontroleerde gevallen zowel de beladen als onbeladen ritten zijn genoteerd, omdat het anders niet mogelijk kan zijn geweest dat de rittenstaten volgens de controlerende ambtenaren voldeden aan de daaraan te stellen eisen.

4.12.5.

Het Hof sluit zeker niet uit dat zich in de rittenadministratie rittenstaten hebben bevonden die niet voldoen aan alle eisen die aan een rittenstaat gesteld mogen worden. Belanghebbende heeft evenwel – ook ten tijde van het boekenonderzoek – in die gevallen nader bewijs aangeboden. Belanghebbende heeft in dat verband onweersproken gesteld dat het vaste schoolvervoer en het luchthavenvervoer volledig in computerbestanden lag opgeslagen en dat door het combineren van die gegevens met de rittenstaten hij aannemelijk kan maken dat voldaan wordt aan de 90%-eis. De controlerende ambtenaar, in reactie op het concept-rapport, en de Inspecteur, tijdens de bezwaarfase, hebben evenwel niet de moeite genomen om de in computerbestanden opgeslagen informatie in onderlinge samenhang te bezien met de rittenstaten. Indien een dergelijke controle onevenredig veel tijd zou kosten, zoals de Inspecteur ter zitting heeft gesteld, dan had de Inspecteur met belanghebbende procedureafspraken moeten maken. De Inspecteur had bijvoorbeeld van belanghebbende kunnen en mogen verlangen om gedurende een of meer door de Inspecteur te bepalen perioden een overzicht te maken van alle ritten van een of meer taxi’s aan de hand van de rittenstaten en de in de computer bestanden opgeslagen informatie. Vooral omdat het maximale aantal chauffeurs (vier) beperkt is. De Inspecteur heeft zich naar het oordeel van het Hof ten onrechte beperkt tot de rittenstaten en ten onrechte het door belanghebbende overige aangevoerde bewijs veronachtzaamd. Zoals is vermeld in 4.7 worden in artikel 16 Wet BPM geen bewijsregels voorgeschreven; belanghebbende is vrij in diens keuze om het vereiste bewijs te leveren.

4.12.6.

Bij de controle is vastgesteld dat ook in gevallen dat indien slechts één of twee schoolritten op een dag werden gemaakt, er geen verklaring is voor het (soms grote) verschil in berekende onbeladen kilometers. In het rapport boekenonderzoek van 3 maart 2014 worden op p. 6 ter illustratie een aantal voorbeelden gegeven. Zo wordt bijvoorbeeld ten aanzien van de taxi met het kenteken [kenteken 1] vermeld dat op 16 oktober 2009 in totaal 162 kilometer is verreden waarvan 51 kilometer beladen en 111 kilometer onbeladen. Ter zake overweegt het Hof als volgt. Anders dan de Inspecteur kennelijk veronderstelt, zullen, zoals belanghebbende middels de in de hoger beroepsfase overgelegde rittenstaten inzichtelijk heeft gemaakt, de beladen en onbeladen kilometers, ook op een dag dat slechts één of twee schoolritten worden gemaakt, een verschil te zien kunnen geven, in die zin dat er (veel) meer onbeladen kilometers dan beladen kilometers worden gereden. Om een leerling naar school te brengen (beladen kilometers), dient de chauffeur, een kind eerst op halen (onbeladen kilometers van het huisadres van de chauffeur naar het huisadres van de leerling) en rijdt hij vervolgens onbeladen van school weer naar zijn huisadres. Tegenover één beladen rit staan derhalve twee onbeladen ritten. Nog afgezien daarvan, ook dergelijke onbeladen ritten zijn in het kader van artikel 16 van de BPM aan te merken als taxivervoer.

4.12.7.

Het overwogene in 4.12.1 tot en met 4.12.6 leidt voor het Hof tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat hetgeen belanghebbende heeft overgelegd niet geschikt is om aan te tonen dat voldaan is aan de 90%-eis. Door zich enkel te richten op de rittenstaten heeft de Inspecteur een te beperkt beoordelingskader aangelegd. De Inspecteur had zich mede rekenschap moeten geven van hetgeen bij het bedrijfsbezoek aan de orde is gekomen en, op enigerlei wijze, van de in computerbestanden opgeslagen informatie. Met hetgeen belanghebbende heeft verstrekt, dan wel heeft willen verstrekken, wordt belanghebbende geacht voldoende te hebben aangevoerd om zich van zijn bewijsopdracht te kwijten. De naheffingsaanslag moet dan ook worden vernietigd.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraken van de Inspecteur vernietigen en de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de beschikking heffingsrente vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 165 respectievelijk € 248, in totaal € 413, te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten

4.15.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op:

  • -

    bezwaarfase: 2 punten x € 246 (wegingsfactor 1) = € 492;

  • -

    beroepsfase: 2 punten x € 495 (wegingsfactor 1) = € 990;

  • -

    hoger beroepsfase: 2 punten x € 495 (wegingsfactor 1) = € 990,

in totaal derhalve € 2.472.

4.17.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur,

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de beschikking heffingsrente,

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 413 vergoedt,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van bezwaar, de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.472.

Aldus gedaan op 13 juli 2017 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en M.B.A. van Hout, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.