Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:322

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
200.184.652_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening.

Echtpaar leent geld aan samenwoners.

Een van de echtgenoten vordert het onbetaalde gedeelte terug van een van de samenwoners.

Wat is toewijsbaar, het geheel, de helft of een kwart?

Artikel 6:15 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek BES Boek 6 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.184.652/01

arrest van 31 januari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.C.G. Reezigt te Apeldoorn,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.B. de Bree te Etten-Leur,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 januari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 december 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3898562 CV EXPL 15-945)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het comparitievonnis van 2 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met drie grieven en één productie;

  • -

    de memorie van antwoord met twee producties;

  • -

    de akte uitlating producties van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1.

Tussen [schuldenaar 1] en [geïntimeerde] als geldleners enerzijds (aanduid als de schuldenaar, enkelvoud) en [appellant] en zijn (inmiddels ex-)echtgenote als degenen die geld, € 5.000,-, hebben uitgeleend anderzijds (aangeduid als schuldeiser, enkelvoud) is op 17 april 2013 een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten (prod. 1 bij inl. dagv.). De overeenkomst is gesloten onder de volgende bedingen:

Terzake van deze geldlening zijn ondergetekenden het navolgende overeengekomen:

1. Vanaf 17 april 2013 is over de hoofdsom, respectievelijk het restant daarvan, een rente verschuldigd van 5 procent (5 %) per jaar.

2. De looptijd van de lening eindigt op 30 april 2014.

3. De hoofdsom of het restant daarvan kan met de lopende en eventueel achterstallige rente in het hierna genoemde geval worden opgeëist, zonder enige waarschuwing of ingebrekestelling: bij niet nakoming door de schuldenaar van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening.

4. De schuldenaar zal in gebreke zijn door het enkele verloop van de bepaalde termijn of het enkele feit van de niet of niet behoorlijke nakoming of overtreding, zonder dat daartoe een bevel of soortgelijke akte nodig zal zijn.

5. De eerste aflossing dient te geschieden op 1 september 2013 of zoveel eerder de schuldenaar daartoe de mogelijkheid ziet.

6. Alle betalingen moeten geschieden door storting op een door schuldeiser aan te geven bankrekening.

De overeenkomst is door alle vier de partijen ondertekend.

3.1.2.

Op de hoofdsom is € 1.700,- afgelost. [geïntimeerde] erkent dat een bedrag van € 3.300,- onbetaald is gebleven.

3.1.3.

[appellant] vordert [geïntimeerde] te veroordelen om aan hem het restant, € 3.300,-, te betalen, met nevenvorderingen (contractuele rente en buitengerechtelijke kosten). Deze vordering is door de kantonrechter afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartegen keert zich het hoger beroep.

3.2.

De rechtsmacht en het toepasselijk recht

3.2.1.

[appellant] woonde ten tijde van de inleidende dagvaarding in [woonplaats] , België. De overeenkomst van geldlening is blijkens de overeenkomst in [woonplaats] , België, gesloten. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen.

3.2.2.

Nu de gedaagde partij, [geïntimeerde] , in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van de Herschikte EEX-Verordening rechtsmacht (de inleidende dagvaarding dateert van ná 10 januari 2015, namelijk 18 februari 2015, artikel 66 lid 1 Herschikte EEX-Vo).

3.2.3.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op litispendentie, stellende dat in België een procedure aanhangig is. Dit beroep is verworpen (rov. 2.7 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis). Daarop is [geïntimeerde] in hoger beroep niet teruggekomen. Ook voor het hof bestaat er derhalve geen aanleiding om het geding op de voet van artikel 29 lid 1 Herschikte EEX-Vo aan te houden.

3.2.4.

Ten aanzien van het toepasselijk recht zijn partijen Nederlands recht overeengekomen, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld (rov. 2.11 tot en met 2.13 van het bestreden vonnis). Daartegen is door partijen niet opgekomen, zodat het hof Nederlands recht zal toepassen.

3.3.

De procesbevoegdheid en de omvang van het vorderingsrecht, grief 1

3.3.1.

Artikel 6:15 BW luidt:

1 Is een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd, dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie hun voor ongelijke delen toekomt of dat zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben.

2 Is de prestatie ondeelbaar of valt het recht daarop in een gemeenschap, dan hebben zij gezamenlijk één vorderingsrecht.

3 Aan de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer dit recht voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten heeft gesloten, maar hij niet wist noch behoefde te weten dat dit recht van die gemeenschap ging deel uitmaken.

3.3.2.

[geïntimeerde] heeft, zich beroepende op artikel 6:15 lid 2 BW, aangevoerd dat [appellant] wellicht niet-ontvankelijk is, omdat [appellant] en zijn echtgenote in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, zodat hij de vordering niet voor zichzelf had kunnen instellen. De kantonrechter heeft dienaangaande overwogen dat haar op de comparitie is gebleken dat [appellant] buiten iedere gemeenschap was gehuwd. Daartegen heeft [geïntimeerde] in hoger beroep geen stelling genomen, zodat ook het hof hiervan uitgaat.

3.3.3.

[geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat [appellant] slechts de helft kan incasseren (14 cva/e). De kantonrechter heeft, onder toepassing van artikel 6:15 lid 1 en lid 2 BW geoordeeld dat sprake is van een deelbare vordering zodat [appellant] hooguit aanspraak kan maken op de helft van het openstaande bedrag (rov. 2.16 tot en met 2.18 van het bestreden vonnis).

Daartegen keert zich grief 1.

3.3.4.

Blijkens de toelichting op de grief stelt [appellant] zich op het standpunt dat sprake is van ‘één vorderingsrecht’ als bedoeld in de slotwoorden van lid 1 van artikel 6:15 BW. Dit volgt uit de uitleg van de overeenkomst, als de Haviltex-maatstaf wordt toegepast, in het bijzonder uit het enkelvoud voor de schuldenaar en de schuldeiser.

[appellant] stelt zich hiermee kennelijk op het standpunt dat de vier contractspartijen één vorderingsrecht zijn overeengekomen. Hij kan aldus, hoewel de vordering hun niet gezamenlijk toekomt, de prestatie van [geïntimeerde] toch voor het geheel vorderen, des dat de voldoening aan [appellant] haar, [geïntimeerde] , ook jegens de echtgenote van [appellant] bevrijdt (art. 6:16 BW, Asser/Sieburgh 6-I 2016/136).

3.3.5.

Ingevolge Haviltex moet de betekenis van omstreden bedingen in een overeenkomst door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.3.6.

Dat partijen over de onderhavige kwestie hebben onderhandeld en jegens elkaar dienaangaande verklaringen hebben afgelegd wordt niet gesteld en is ook niet gebleken. Aan een bewijsopdracht dienaangaande komt het hof mitsdien niet toe. Overigens beroept [appellant] zich enkel op de tekst van de overeenkomst en die is niet betwist.

3.3.7.

Naar het oordeel van het hof hoefde [geïntimeerde] uit het gebruik van het enkelvoud van de woorden schuldenaar en schuldeiser niet te begrijpen of te verwachten dat wordt afgeweken van de hoofdregel uit artikel 6:15 BW (splitsing). Evenmin is waarschijnlijk dat partijen, juridisch niet geschoold, die bepaling voor ogen hebben gehad. Dienaangaande wordt niets gesteld. Het beroep op de gegeven uitleg van de overeenkomst faalt mitsdien.

3.3.8.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat niet is kunnen blijken dat de (ex) echtgenote van [appellant] instemt met deze uitleg (een verklaring van haar met die inhoud heeft [appellant] niet overgelegd), zodat geenszins vaststaat dat zij, in een later stadium, niet ook haar deel (€ 1.650,-) van [geïntimeerde] zal vorderen. Overigens is ook niet gebleken dat [appellant] gerechtigd is voor zijn (ex-)echtgenote de vordering te incasseren. Een procesvolmacht is niet overgelegd. Een stilzwijgende volmacht kan niet worden aangenomen temeer niet nu [appellant] en zijn echtgenote inmiddels van echt gescheiden zijn.

3.3.9.

Het hof merkt voorts nog op dat niet is kunnen blijken aan wie het afgeloste gedeelte van € 1.700,- is voldaan. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat zij aan [appellant] heeft betaald zodat zijn vordering hooguit (de helft van € 5.000,- verminderd met € 1.700,- =) € 800,- kan bedragen). Partijen zijn het er kennelijk over eens dat – wanneer het beroep op kwijtschelding niet opgaat - [geïntimeerde] € 1.650,- verschuldigd is. Het hof dient daarvan uit te gaan.

3.3.10.

[geïntimeerde] heeft evenmin een beroep gedaan op artikel 6:6 lid 1 (Is de prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij), zodat het hof ook aan die rechtsfiguur voorbij moet gaan.

3.3.11.

Grief 1 faalt.

3.4.

De kwijtschelding, grief 2

3.4.1.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat de voormalige echtgenote van [appellant] in een gesprek op 29 april 2014 zou hebben gezegd “laten wij allemaal ons verlies maar nemen”, waaraan zij de betekenis toekent dat haar schuld uit hoofde van de geldleningsovereenkomst is kwijtgescholden. [appellant] bestrijdt, naar het hof begrijpt, deze uitlating en deze uitleg. De kantonrechter heeft dit verweer gehonoreerd kort gezegd overwegende dat [appellant] onvoldoende aandacht heeft besteed aan dit verweer (rov. 2.20 van het bestreden vonnis). Daartegen keert zich grief 2, thans met een uitgebreide onderbouwing.

3.4.2.

Naar het oordeel van het hof kan het verweer van [geïntimeerde] , mede in het licht van zowel haar relaas als dat van [appellant] omtrent hetgeen zich heeft voorgedaan, niet slagen.

In de eerste plaats lijken de door [geïntimeerde] gestelde woorden meer op een voorstel, dan op een toezegging. In het algemeen taalgebruik kan aan die bewoording niet, althans niet zonder nadere onderbouwing van de context waarin deze plaatsvonden, de betekenis worden toegekend die [geïntimeerde] daar aan geeft.

Voor wat betreft de context geldt dat beide partijen deze plaatsen in het licht van nadeel geleden terzake van gezamenlijke projecten. [geïntimeerde] stelt niet dat de opmerking van de echtgenote van [appellant] specifiek betrekking had op de geldlening (waaraan niet afdoet dat deze lening in het kader van die projecten is afgesloten).

Ten slotte wordt door [geïntimeerde] niet gesteld, en is ook niet gebleken, dat [appellant] heeft ingestemd, meer specifiek dat hij heeft ingestemd met kwijtschelding. Een goede grond om daarmee in te stemmen is niet aangevoerd en ook niet aannemelijk. Partijen hadden immers een verlies geleden en [appellant] kon die verliezen iets terugbrengen door de incasso van de lening.

3.4.3.

De conclusie is dat het kwijtscheldingsverweer faalt, dat de grief slaagt en dat de vordering van [appellant] deels kan worden toegewezen.

3.5.

De eis in reconventie

3.5.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] voorwaardelijk een eis in reconventie ingesteld, namelijk voor het geval de vordering van [appellant] zou worden toegewezen. De kantonrechter is daar niet aan toegekomen. Het hof dient die vordering nu wel te beoordelen.

3.5.2.

[geïntimeerde] stelt (punt 19 cva/e) dat zij in de jaren 2011 tot en met 2013 meerdere opdrachten heeft uitgevoerd voor de echtgenote van [appellant] en uit dien hoofde op haar een vordering heeft van € 6.545,- excl. btw. Zij vordert een verklaring voor recht met die strekking en tevens om te bepalen dat dat zij die vordering mag verrekenen met de vordering van [appellant] op haar.

3.5.3.

Nu [geïntimeerde] geen vordering stelt die betrekking heeft op [appellant] , dient de verklaring voor recht jegens [appellant] te worden afgewezen. De (ex-)echtgenote van [appellant] is immers niet in dit geding betrokken.

3.5.4.

Het beroep op verrekening stuit af op artikel 6:127 lid 3 BW.

3.6.

De redelijkheid en billijkheid

3.6.1.

Het beroep op de redelijkheid en billijkheid (17 cva/e) wordt afgewezen als onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] door [appellant] werd bedreigd levert geen grond voor het verval van zijn vordering op [geïntimeerde] .

3.7.

De proceskosten, grief 3, en de contractuele rente

3.7.1.

[appellant] stelt in grief 3 dat de kantonrechter [geïntimeerde] in de proceskosten in de reconventie in eerste aanleg had beoordelen te veroordelen. Er was sprake van een nodeloze reconventie.

De grief faalt. De kantonrechter is niet toegekomen aan de voorwaardelijk ingestelde eis in reconventie, zodat zij ook niet kon toekomen aan een proceskostenbeslissing.

3.7.2.

Overigens heeft [appellant] geen belang bij zijn vordering. Het hof zal, gelet op de uitkomst van dit geding de proceskosten in eerste aanleg compenseren. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten is geen plaats.

3.7.3.

De contractuele rente is als niet-betwist toewijsbaar. Deze rente dient enkelvoudig te worden berekend, aldus de AG vóór HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:BJ2678 (81 RO).

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw recht doende:

in conventie:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] € 1.650,- te betalen te vermeerderen met de contractuele rente ad 5% per jaar van 1 mei 2014 tot de dag der voldoening;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie:

wijst af hetgeen is gevorderd;

in conventie en reconventie en in hoger beroep:

compenseert de proceskosten aldus dat partijen de eigen kosten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, O.G.H. Milar en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 januari 2017.

griffier rolraadsheer