Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:321

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
200.182.537_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 843a Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.182.537/01

arrest van 31 januari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.C. Hissink te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 september 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer C/02/290919/HA ZA 14-862 gewezen vonnis van 29 juli 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 13 september 2016;

  • -

    de akte uitlating van de zijde van [geïntimeerde] ;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [appellante] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het eenzijdig door [appellante] ingediende verzoek haar in de gelegenheid te stellen schriftelijk pleidooi te voeren en daarvoor een termijn te bepalen. Krachtens art. 4.5. van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij gerechtshoven kan een dergelijk verzoek slechts eenparig geschieden. Blijkens zijn akte uitlating ondersteunt [geïntimeerde] het verzoek om een schriftelijk pleidooi niet. Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest bepaald.

6.2.

[appellante] legt aan haar conclusie in hoger beroep ten grondslag dat zij door [geïntimeerde] bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijksgemeenschap dusdanig is benadeeld, dat dit tot vernietiging van de verdeling dient te leiden. Indien geen sprake is van benadeling voor meer dan een kwart, zo stelt [appellante] , is sprake van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden, op welke grond(en) de verdeling dient te worden vernietigd.

Het ontbreekt [appellante] aan de relevante stukken teneinde de omvang van haar aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap te berekenen. Op grond van art. 843a Rv vordert zij derhalve, onder verbeurte van een dwangsom, [geïntimeerde] te veroordelen aan haar ter beschikking te stellen:

  • -

    gegevens over alle op zijn naam dan wel op beider naam gestelde bankrekeningen door het verstrekken van alle bankafschriften waaruit de saldi blijken over de periode van 11 januari 2011 tot 26 juli 2011;

  • -

    gegevens over de stand van de bankrekeningen per datum ontbinding huwelijk;

  • -

    gegevens over de (kapitaal)verzekeringen met waarde-overzichten;

  • -

    een compleet overzicht van alle overige tot de huwelijksgemeenschap behorende vermogensbestanddelen.

De toepassing van art. 843a Rv

6.3.

De eerste drie grieven in het principaal appel richten zich – kort gezegd – tegen de afwijzing door de rechtbank van de incidentele vordering ex art. 843a Rv. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

6.3.1.

[appellante] betoogt met haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de stukken die zij ter beschikking gesteld wenst te krijgen, geen “bepaalde bescheiden” zoals bedoeld in art. 843a Rv zouden zijn. De tweede grief vloeit voort uit de eerste grief.

6.3.2.

[geïntimeerde] heeft de grieven en de daarop voortbouwende vordering in hoger beroep gemotiveerd weersproken.

6.3.3.1. Het hof overweegt dat de eerste grief zich richt tegen de uitleg door de rechtbank van art. 843a Rv. Het eerste lid van art. 843a Rv bepaalt:

“Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.”

Dit artikel beoogt een partij bij een (mogelijk) geschil onder de in de wet gestelde voorwaarden inzage te geven in bescheiden teneinde die partij in staat te stellen, hetzij om zijn vordering of verweer aan de hand van deze bescheiden verder met feiten te onderbouwen, hetzij om na kennisneming van deze bescheiden de conclusie te trekken dat zijn vordering of verweer voldoende feitelijke grondslag ontbeert.

Aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van art. 843a Rv zijn, zoals de rechtbank terecht en juist heeft overwogen, drie cumulatieve voorwaarden verbonden: i) het hebben van een rechtmatig belang, ii) het zijn van partij bij de rechtsbetrekking en iii) dat het moet gaan om bepaalde bescheiden. In hoger beroep is slechts de derde voorwaarde onderdeel van het geschil.

6.3.3.2. Het hof overweegt dat het vereiste dat de bescheiden voldoende bepaald dienen te zijn, meebrengt dat een vordering tot inzage dermate concreet dient te zijn dat goed vastgesteld kan worden welke bescheiden bedoeld worden (zie HR 9 december 2016 ECLI:NL:HR:2016:2830 alsook Hof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9850). Het is niet nodig om de precieze inhoud, datum of omvang van het stuk te duiden.

Het vereiste dat bescheiden voldoende bepaald behoren te zijn dient – net als het vereiste van rechtmatig belang – blijkens de parlementaire geschiedenis om zogenoemde ‘fishing expeditions’ te voorkomen (Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 553). Een vordering tot inzage dient immers niet gebruikt te worden om door de papieren van de wederpartij te bladeren om te kijken of men wellicht iets nuttigs aantreft.

6.3.3.3. In haar memorie van grieven geeft [appellante] een nadere omschrijving van de stukken waarvan zij overlegging op grond van art. 843a Rv vordert. [appellante] vermeldt: “Het betreffen stukken met betrekking tot de echtelijke woning, de financiering daarvan, polissen van (kapitaal)verzekeringen, opgave van waardes daarvan op het moment van ontbinding van het huwelijk en van de actuele waardes, bankafschriften van alle tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende bankrekeningen met saldi op de genoemde momenten, aanslagen IB over de huwelijkse periode, etc.

[geïntimeerde] heeft reeds in zijn memorie van antwoord in eerste aanleg gemotiveerd gesteld dat alle (financiële) informatie met de daarbij behorende bescheiden zijn besproken door partijen en dat hij de bescheiden, op verzoek van de advocaat van de vrouw, aan haar advocaat heeft overhandigd. Weliswaar heeft [appellante] ter comparitie bij de rechtbank verklaard dat zij nooit onderliggende stukken heeft gezien die zijn gebruikt bij de opstelling van het convenant, maar gelet op de omstandigheid dat de/het overgelegde (concept) convenant(en) informatie bevat die mede is gebaseerd op diverse financiële bescheiden, de gemotiveerde en onderbouwde stelling van [geïntimeerde] niet gemotiveerd is betwist in eerste aanleg en voorts ook in hoger beroep niet is weersproken, had naar het oordeel van het hof van [appellante] mogen worden verwacht dat zij, gelet op het bepaalde in art. 843a Rv, expliciet had aangegeven welke documenten zij nog mist, bijvoorbeeld door vermelding van nummers van de polissen of bankrekeningen (vgl. HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2830, rov. 3.4.1). De ruime omschrijving zoals hierboven door het hof is aangehaald alsmede de opmerking van [appellante] “Het betreffen stukken welke de man onder zich had en heeft.” kunnen derhalve naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie leiden dat de stukken waarvan [appellante] inzage vordert thans dermate concreet zijn dat goed kan worden vastgesteld welke bescheiden worden bedoeld. Ook in het petitum heeft [appellante] de vereiste concretisering nagelaten. Aan het bewijsaanbod van [appellante] voor zover dit gericht is op dit onderdeel van het geschil, komt het hof gelet daarop dan ook niet toe. Gelet op het vorenstaande falen de grieven 1 en 2.

6.3.3.4. De derde grief houdt in dat het onbegrijpelijk is dat [appellante] niet de gelegenheid is geboden om bij repliek haar vordering nader te specificeren.

Deze grief treft, bij gebrek aan belang, geen doel. [appellante] is immers in hoger beroep gekomen en daarmee, vanwege de herstelfunctie van het hoger beroep, in de gelegenheid gesteld haar vordering alsnog te specificeren.

6.3.3.5 In het licht van het bepaalde in art. 843a Rv en de strekking hiervan, wordt daarom de vordering van [appellante] ex art. 843a Rv afgewezen.

6.4.

Het voorgaande betekent dat het hof op basis van de gedingstukken dient vast te stellen of het beroep van [appellante] op art. 3:196 BW – en derhalve of sprake is van benadeling met meer dan een kwart – kan slagen. Het hof zal daartoe de omvang en waarde van de huwelijksgemeenschap en het aan [appellante] toegedeelde aandeel daarvan vaststellen.

Voor zover dan komt vast te staan dat sprake is van benadeling van [appellante] met meer dan een kwart zal het hof toekomen aan de beoordeling van de eerste grief in het incidentele appel en grief 14 in het principale appel, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte niets heeft overwogen naar aanleiding van de stelling van [geïntimeerde] dat [appellante] de toedeling te harer bate of nadeel heeft aanvaard.

Benadeling art. 3:196 BW

6.5.

In rov. 3.13. heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellante] niet voor meer dan een vierde is benadeeld. Daarbij heeft zij het volgende in aanmerking genomen.

  • -

    “Het echtscheidingsconvenant vermeldt aan waarde van de activa € 298.000,= en aan passiva € 211.562,59.

  • -

    Uit de nadere overeenkomst (productie 9 van de man) blijkt dat partijen ter zake de daarin genoemde activa zijn uitgegaan van een waarde van € 20.000,=.

  • -

    Uitgaande van een totaal aan activa van € 318.000 (…) bedraagt het verschil tussen de activa en passiva € 106.437,41. Hiervan heeft de vrouw ontvangen de helft ofwel € 53.218,71.

  • -

    Indien, zoals de vrouw stelt, tevens tot de activa gerekend moeten worden

  • -

    de Avéro/Achmea levensverzekering [nummer 3] voor een bedrag van € 14.000,= (productie 6 van de vrouw),

  • -

    de saldi van de bankrekeningen ad € 2.2223,28 (€ 8.446,58 : 2 minus reeds ontvangen € 2.000,= productie 8 en 9 van de man)

leidt dit tot een verhoging van de activa tot € 334.223,28 (…).

  • -

    De rechtbank volgt de vrouw niet in haar – ter zitting aangevoerde – stelling dat ten aanzien van de polissen [nummer 1] en [nummer 2] de contante waarde in aanmerking genomen moet worden, nu de polissen niet zijn afgekocht. De rechtbank acht redelijk om uit te gaan van de afkoopwaarde, nu dit de waarde is die de levensverzekering op de peildatum in het economisch verkeer heeft. De man lijkt door het hanteren van de afkoopwaarde te worden bevoordeeld, doch alleen als hij aan de verplichtingen (de premiebetalingen) blijft voldoen. In het kader van de verdeling ontvangt de vrouw een geldsom ineens, zonder dat daaraan verplichtingen zijn verbonden. Bij gebrek aan informatie over het verschuldigde belastingtarief zal de rechtbank – in het voordeel van de vrouw – uitgaan van de bruto afkoopwaarde van de polissen. Hierbij wordt opgemerkt dat de bruto-afkoopwaarde van polis [nummer 2] overigens hoger is dan de som van de betaalde premies (zie productie 8 van de vrouw).

  • -

    Uitgaande van een bruto afkoopwaarde van de polissen van respectievelijk € 3.209,44 en € 10.230,72 leidt dit tot een totaal aan activa van € 347.663,28.

  • -

    Hierop strekken in mindering de passiva ad € 211.56,59. De waarde van de te verdelen gemeenschap bedraagt dan € 136.100,69. De vrouw zou dan recht hebben op de helft ofwel € 68.050,35. Een kwart hiervan bedraagt € 17.012,59.

  • -

    Gelet op het feit dat de vrouw € 53.218,71 heeft ontvangen zou er sprake zijn van benadeling van € 14.831,64. Dit is minder dan een kwart, nog daargelaten dat de waarde van de erfenis van de broer van de vrouw en de sieraden nog niet in deze opsomming zijn betrokken, maar wel aan de vrouw zijn toegekomen.“

Betalingen aan [appellante]

6.6.1.

betwist dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, € 53.218,71 heeft ontvangen (grief 5 en 7).

6.6.2.

Het hof overweegt dat op grond van de notariële afrekening (prod. 3 memorie van grieven) vast staat dat [appellante] gerechtigd is tot een uitkering wegens onderbedeling van € 43.218,71. Uit productie 9 bij conclusie van antwoord (“Verdeling kosten, niet meegenomen in convenant t.a.v. nog lopende zaken, tussen [geïntimeerde] en [appellante] ”) volgt dat [appellante] vanwege de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog een vordering van € 10.000,00 (bestaande uit “Avero lijfrentepolissen (2x) 2000, [belleggingsportefeuille] 4000, caravan 2000, verdeling banksaldo 2000”) op [geïntimeerde] heeft. Dat [appellante] deze vordering heeft erkend en heeft geïnd blijkt naar het oordeel van het hof uit deze aanvullende overeenkomst, nu [appellante] heeft getekend voor akkoord en ontvangst van dit bedrag. Hieruit leidt het hof af dat [appellante] in totaal € 53.218,71 (€ 43.218,71+ € 10.000,00) in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft ontvangen. De vijfde grief treft dus geen doel.

Weliswaar heeft [appellante] in grief 7 de ontvangst van het bedrag van € 10.000,00 betwist, maar die grief kan haar gelet op het vorenoverwogene niet baten. Het had, gelet op het bepaalde in art. 150 Rv op haar weg gelegen gemotiveerd te stellen en eventueel te bewijzen dat zij, in weerwil van het door haar ondertekenen voor ontvangst, dit bedrag niet heeft ontvangen. Haar enkele stelling dat zij niets extra’s heeft ontvangen is hiertoe onvoldoende en haar stelling dat [geïntimeerde] het tegendeel moet aantonen berust, gelet op art. 150 Rv, op een onjuiste rechtsopvatting. De zevende grief treft dus geen doel.

Polis Delta Lloyd kapitaalverzekering (polisnummer [nummer 4]) (grief 5)

6.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de polis van Delta Lloyd kapitaalverzekering (prod. 1 bij memorie van antwoord) later in de verdeling is betrokken. Deze polis vertegenwoordigt een afkoopwaarde van € 3.597,00. [appellante] heeft onweersproken gesteld dat partijen de waarde van deze polis hebben vastgesteld op € 4.000,00. Deze waarde dient bij de vaststelling van de omvang en waarde van de huwelijksgemeenschap te worden betrokken. Het aandeel van [appellante] in deze waarde is door partijen – zo is als onweersproken komen vast te staan – vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00.

Lijfrentepolissen Avéro, beleggingsportefeuille [belleggingsportefeuille] en banksaldi (grief 6, 8, 11 en 12, grief 2 in incidenteel appel)

6.8.1.

In haar zesde grief voert [appellante] aan dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat zij heeft ingestemd met de verdeling van slechts twee lijfrentepolissen van Avéro met een gezamenlijke waarde van € 4.000,00, een waarde van de beleggingsportefeuille [belleggingsportefeuille] van € 8.000,00 en de waarde van de banksaldi à € 4.000,00.

Met grief 8, 11 en 12 bestrijdt [appellante] de door de rechtbank vastgestelde afkoopwaarden van de polissen van Avéro met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] . Voorts stelt zij in grief 8 dat de lijfrentepolis met polisnummer [nummer 5] buiten de verdeling is gebleven.

6.8.2.

[geïntimeerde] voert ter bestrijding van grief 6 aan dat [appellante] heeft ingestemd met de door partijen overeengekomen (nadere) verdeling en verrekening. De lijfrentepolis met polisnummer [nummer 5] is in de verdeling betrokken. Verder, zo stelt [geïntimeerde] ter bestrijding van grief 8, heeft de rechtbank de drie polissen in de berekening betrokken voor de bruto afkoopwaarde hetgeen in het voordeel van [appellante] moet worden geacht.

[geïntimeerde] voert aan dat de rechtbank op de juiste gronden de afkoopwaarde in aanmerking heeft genomen in plaats van de contante waarde, maar hierbij had de rechtbank, aldus de tweede grief in het incidenteel appel, de netto afkoopwaarde moeten hanteren, omdat de belastinglatentie als (latente) schuld in de verdeling moet worden betrokken.

In haar memorie van antwoord in het incidenteel appel stelt [appellante] dat er geen aanleiding is om rekening te houden met de netto afkoopwaarde van de polissen omdat de polissen niet zijn afgekocht en zij vermoedt dat deze nog renderen.

De verdeling van de lijfrentepolissen, de beleggersrekening en banksaldi

6.9.

Het hof stelt aan de hand van de gedingstukken in eerste aanleg vast dat partijen vier concept-convenanten hebben opgesteld (concept 1 d.d. 8 februari 2011, prod. 3 bij conclusie van antwoord, concept 2 d.d. 12 april 2011, prod. 4 bij conclusie van antwoord, concept 3 d.d. 1 juli 2011, prod. 5 bij conclusie van antwoord, concept 4 d.d. 12 juli 2011, prod. 6 bij memorie van antwoord) en ten slotte een definitief convenant, door partijen ondertekend op 19 juli 2011 (prod. 7 bij conclusie van antwoord) alsmede een aanvullende overeenkomst (prod. 9 bij conclusie van antwoord).

6.10.1.

Voor wat betreft de lijfrentepolissen bij Avéro/Achmea stelt het hof vast dat drie polissen deel uitmaakten van de huwelijksgemeenschap. Het gaat om de polis met nummer [nummer 3] , de polis met nummer [nummer 1] en de polis met nummer [nummer 6] . In de eerste twee concept-convenanten zijn alle drie de polissen evenals de beleggersrekening bij [belleggingsportefeuille] (prod. 9 bij dagvaarding in eerste aanleg) aan de orde gesteld. Hetzelfde heeft te gelden voor de bankrekeningen.

Uiteindelijk is in het definitieve convenant opgenomen dat de polis met nummer [nummer 3] – die is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening voor de echtelijke woning – deel uitmaakt van de te verdelen huwelijksgemeenschap. De waarde van deze polis is door partijen op nihil gesteld en is aan [geïntimeerde] toegedeeld, zulks onder de verplichting om de schuld uit de hypothecaire geldleningen volledig te dragen. Gelet op deze omstandigheden faalt grief 8 voor zover deze grief betrekking heeft op deze polis. Ook de wijziging van de vordering van [appellante] ter zake kan daarom niet slagen.

6.10.2.

Voorts is in het convenant vastgelegd dat de overige twee polissen ook zonder nadere verrekening aan [geïntimeerde] worden toegedeeld. Vervolgens is in de nadere overeenkomst deze overeenstemming tussen partijen gewijzigd, in die zin dat [appellante] ter zake deze laatste twee lijfrentepolissen een vordering op [geïntimeerde] heeft van € 2.000,00 en voor wat betreft de waarde van de beleggersrekening bij [belleggingsportefeuille] een vordering van € 4.000,00. Voor de banksaldi komt [appellante] op grond van deze nadere overeenkomst een vordering toe van € 2.000,00.

6.10.3.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het convenant en de aanvullende overeenkomst, die beide zijn ondertekend door partijen, leidt het hof af dat partijen meerdere malen hebben gesproken over voornoemde bestanddelen van de huwelijksgemeenschap. Uiteindelijk zijn, zo blijkt uit de aanvullende overeenkomst, deze bestanddelen gewaardeerd op een totaalbedrag van € 20.000,00. Niet duidelijk is welke overwegingen van partijen hieraan ten grondslag hebben gelegen, maar dit acht het hof niet relevant nu het convenant alsmede de aanvullende overeenkomst het resultaat is van het wegen van de waarden van diverse (overige) bestanddelen van de huwelijksgemeenschap door partijen en deze stukken door beide partijen zijn ondertekend. Partijen worden daarmee geacht te hebben ingestemd met de door hen aan deze bestanddelen toegekende waarden. De zesde grief faalt derhalve.

Waarde van de lijfrentepolissen

6.11.

Het hof stelt vervolgens vast dat de rechtbank, naast rekening te hebben gehouden met de waarde van de activa in de nadere overeenkomst ter grootte van € 20.000,00 – welke bestaat uit de waarde van de twee Avéro lijfrentepolissen, waarde [belleggingsportefeuille] , waarde caravan en verdeling banksaldo tezamen – bij de vaststelling van de omvang van de huwelijksgemeenschap ook nog de afkoopwaarde van de polissen met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] heeft betrokken. Naar het hof begrijpt, is tegen deze dubbeltelling geen zelfstandige grief gericht en zal het hof de rechtbank hierin volgen.

Het hof komt derhalve thans toe aan de beoordeling van de grieven die zich richten tegen de door de rechtbank gehanteerde afkoopwaarde van voornoemde polissen.

6.12.

Het hof stelt voorop dat hij met [geïntimeerde] van oordeel is dat de rechtbank door bij de activa van de huwelijksgemeenschap tevens rekening te houden met een waarde per 31 december 2010 van € 14.000,00 voor de levensverzekering met polisnummer [nummer 3] zulks niet ten nadele strekt van [appellante] gelet op de omstandigheid dat zij haar vordering heeft gebaseerd op art. 3:196 BW. Het hof zal dan ook bij de vaststelling van de omvang van de huwelijksgemeenschap rekening houden met deze polis tegen die waarde.

6.13.

Voor wat betreft de bestreden waarde (grieven 8, 11 en 12 in principaal appel en grief 2 in incidenteel appel) van de polissen met polisnummers [nummer 1] en [nummer 2] overweegt het hof dat blijkens productie 7 bij dagvaarding de indicatie voor de afkoopwaarde van de polis met polisnummer [nummer 1] per 11 februari 2011 € 3.209,44 bedraagt. Rekening houdend met de fiscale consequenties in geval van afkoop bedraagt de uit te keren waarde van deze polis € 2.150,32. De polis met polisnummer [nummer 2] heeft blijkens productie 8 bij dagvaarding per datum van 11 februari 2011 een berekende netto waarde van € 4.910,75.

Het hof overweegt dat in het kader van de verdeling rekening dient te worden gehouden van de contante netto waarde van deze polissen, omdat op deze wijze de belastinglatentie in de verdeling wordt verdisconteerd. Gelet daarop kan het hof de stelling van de [appellante] dat deze polissen afgerond een waarde van € 13.440,00 bedragen dan ook niet volgen

Dat betekent dat de tweede grief in het incidentele appel slaagt en de grieven 8, 11 en 12 in het principale appel falen. Het slagen van grief 2 in het incidentele appel brengt evenwel niet mee dat het vonnis waarvan beroep vernietigd moet worden, reeds omdat de man bekrachtiging van het bestreden vonnis heeft gevorderd.

Waarde van de banksaldi (grief 9 en 10)

6.14.1.

[appellante] betoogt met grief 9 dat de rechtbank ten onrechte uitgaat van een saldo van de bankrekeningen van € 2.223,28. Ter onderbouwing van haar grief stelt [appellante] dat dit bedrag is afgeleid van het als productie 8 bij conclusie van antwoord overgelegde overzicht. Dit overzicht kan niet worden gecontroleerd omdat de onderliggende stukken ontbreken en is bovendien betwist door [appellante] . [appellante] gaat uit van een minimale waarde van de bankrekeningen van € 8,.446,58, Voorts is volgens [appellante] onbegrijpelijk dat de rechtbank er van uit gaat dat [appellante] hiervan al € 2.000,00 heeft ontvangen.

[geïntimeerde] heeft de grief gemotiveerd bestreden.

6.14.2.

Voor wat betreft de ontvangst van het bedrag van € 2.000,00 door [appellante] , miskent deze grief dat [appellante] heeft ingestemd met deze waardering van de banksaldi en zij dit bedrag, blijkens haar ondertekening van de aanvullende overeenkomst, inmiddels in ontvangst heeft genomen. Het hof verwijst hiervoor naar zijn rechtsoverweging 6.6.2. De negende grief faalt voor wat betreft de ontvangst van het bedrag van € 2.000,00.

6.14.3.

Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de saldi van de bankrekeningen die in de verdeling moeten worden betrokken in ieder geval € 8.446,58 bedragen. Voor zover [appellante] heeft betoogd dat dit een hoger bedrag moet zijn, heeft zij die stelling niet onderbouwd en wordt deze stelling daarom gepasseerd.

Het hof stelt vervolgens vast dat de rechtbank het bedrag van € 8.446,58 bij de vaststelling van de omvang en waarde van de activa reeds bij helfte heeft gedeeld. Naar het hof begrijpt ziet de grief van [appellante] ook op deze verdeling (“€ 8.446,58:2 minus reeds ontvangen € 2.000,00”). Die grief slaagt in zoverre dat pas na vaststelling van de totale omvang en waarde van de te verdelen huwelijksgemeenschap kan worden beoordeeld of sprake is van benadeling zoals bedoeld in art. 3:196 BW.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat dat bij de vaststelling van de activa rekening moet worden met een bedrag van € 8.446,58 en bij de vaststelling van het aan de vrouw uitgekeerde bedrag met € 2.000,00 ter zake de banksaldi, waarbij het hof opmerkt dat dit laatste bedrag reeds is inbegrepen bij de door [appellante] ontvangen € 10.000,00 op grond van de aanvullende overeenkomst van partijen. Grief 9 en 10 – welk laatste grief gelet op het voorgaande geen nadere bespreking behoeft – slagen derhalve in zoverre. Zoals hierna zal blijken, leidt het in zoverre slagen van deze grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis, nu daarvoor beslissend is of sprake is van benadeling met meer dan een kwart.

6.15.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de volgende vaststelling van de activa en passiva van de huwelijksgemeenschap.

De activa van de huwelijksgemeenschap worden volgens het hof gelet op de omvang van het geschil zoals dat ter beoordeling aan het hof voorligt door de volgende bestanddelen gevormd:

  • -

    de waarde van de woning € 298.000,00

  • -

    de waarde van de polis Delta Lloyd € 4.000,00

  • -

    de waarde van de polissen Avéro, banksaldi, effectenrekening € 20.000,00

  • -

    de waarde van de polis met polisnummer [nummer 3] € 14.000,00

  • -

    de waarde van de polis met polisnummer [nummer 1] € 2.150,32

  • -

    de waarde van de polis met polisnummer [nummer 2] € 4.910,75

  • -

    banksaldi € 8.446,58

totaal € 351.507,65

De passiva van de huwelijksgemeenschap zijn niet in geschil. De totale waarde daarvan bedraagt volgens het echtscheidingsconvenant € 211.562,59

6.16.1.

De totaal te verdelen waarde is gelet op het bovenstaande € 139.945,06 (€ 351.507,65 - € 211.562,59). Aan [appellante] komt in het kader van de verdeling dan een bedrag toe van € 69.972,53 (€ 139.945,06 : 2). [appellante] heeft inmiddels € 55.218,71 ontvangen:

  • -

    krachtens de akte van verdeling € 43.218,71

  • -

    krachtens de nadere verdeling € 10.000,00

  • -

    krachtens de Polis Delta Lloyd € 2.000,00

totaal € 55.218,71

6.16.2.

Gelet op het feit dat [appellante] € 55.218,71 heeft ontvangen, zou er sprake zijn van een benadeling van € 14.753,82 (€ 69.972,53 - € 55.218,71). Dit is minder dan een kwart.

Nu de erfenis van de broer van de vrouw en de sieraden niet in de berekening van de rechtbank zijn betrokken, mist grief 13 voor zover deze grief hierop betrekking heeft, feitelijke grondslag.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de grieven 4 en 13 niet slagen. Aan de bespreking van de grieven 14 in het principale appel en de eerste grief in het incidentele appel komt het hof dan ook niet toe.

6.17.1.

Met grief 13 betoogt [appellante] ook nog dat sprake is van bedrog en meer subsidiair van misbruik van omstandigheden en wijzigt zij in die zin de grondslag van haar vordering. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd bestreden dat sprake is van bedrog en/of misbruik van omstandigheden.

6.17.2.

Art. 3:44 lid 3 BW bepaalt dat bedrog aanwezig is indien iemand tot een rechtshandeling wordt bewogen door een onjuiste mededeling of door het opzettelijk verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mee te delen. Van misbruik van omstandigheden is sprake wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (art. 3:44 lid 4 BW).

6.17.3.

Het hof overweegt dat op [appellante] , nu zij de vernietiging inroept met een beroep op de regeling van de wilsgebreken, zij de stelplicht en bewijslast met betrekking tot alle elementen van bedrog en misbruik van omstandigheden draagt. Dit betekent dat [appellante] ten eerste moet stellen dat in geval van bedrog sprake is van “kunstgrepen”, “opzettelijke misleiding” en een causaal verband tussen het bedrieglijke gedrag en het verrichten van de rechtshandeling. Weliswaar heeft [appellante] gesteld dat [geïntimeerde] uit is gegaan van onjuiste waardes, maar gelet op het vorenoverwogene kan dit naar het oordeel van het hof niet worden gekarakteriseerd als een kunstgreep en/of opzettelijke misleiding. Nadere onderbouwing door [appellante] van haar beroep op het wilsgebrek bedrog ontbreekt.

De enkele, niet onderbouwde verwijzing naar haar slechte en labiele gezondheidstoestand ter onderbouwing van haar beroep op misbruik van omstandigheden, is naar het oordeel van het hof, volstrekt onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [appellante] aan haar stelplicht hiervoor heeft voldaan.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel van het hof dat grief 13 voor zover deze betrekking heeft op het beroep op een wilsgebrek niet slaagt deze betrekking.

6.18.1.

Grief 15 klaagt erover dat de rechtbank geen aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat de [appellante] krachtens de verdeling toekomende inboedel nog niet aan haar is geleverd. [appellante] vordert afgifte hiervan. Voor zover [geïntimeerde] afgifte hiervan weigert, vordert zij een schadevergoeding van ex aequo et bono te bepalen op € 10.000,00.

6.18.2.

[geïntimeerde] stelt dat [appellante] inmiddels in het bezit is van alle goederen waar zij aanspraak op heeft gemaakt.

6.18.3.

Het hof overweegt dat gelet op de betwisting van [geïntimeerde] ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast van de omstandigheid dat de desbetreffende inboedelgoederen nog niet zijn geleverd op [appellante] rust. Dat bewijs heeft zij echter niet bijgebracht. [appellante] heeft op dit punt evenmin een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Het hof ziet geen aanleiding om ambtshalve bewijs op te dragen. Grief 15 faalt derhalve.

6.19.

Grief 16 ten slotte mist naast de overige grieven zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

6.20.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat slechts de grieven 9 en 10 in het principaal appel en grief 2 in het incidenteel appel slagen. Deze grieven kunnen evenwel, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het bestreden vonnis zal derhalve worden bekrachtigd.

De proceskosten zullen, gelet op het bepaalde in art. 237 lid 1 Rv, worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 29 juli 2015 voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 januari 2017.

griffier rolraadsheer