Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3153

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
200.168.883_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid accountant.

Franchise-organisatie.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3693
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers HD 200.168.883/01

arrest van 11 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
[appellante],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. M. Franke te Eindhoven,

tegen

[Accountants Belastingadviseurs] Accountants Belastingadviseurs B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J.C. van Gurp te Hengelo (OV),

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 september 2015 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant (sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch) gewezen vonnissen van 28 november 2013, 13 februari 2014 en 6 november 2014 (hersteld bij vonnis van 19 februari 2015).

5 Het tussenarrest van 29 september 2015

Bij het tussenarrest heeft het hof het gevorderde in het incident toegewezen, waarbij de proceskosten in het incident tussen partijen zijn gecompenseerd.

6 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi, gehouden op 24 april 2017, waarbij de advocaten producties en pleitnota’s hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

8 De beoordeling

8.1.

Als niet of onvoldoende weersproken staat het volgende tussen partijen vast.

  1. Cristal Cleaning B.V. (hierna: CC) exploiteert een franchiseformule voor stomerij-ondernemingen. Deze formule houdt in dat CC haar formule tegen betaling van een franchisefee beschikbaar stelt aan de ondernemer, die een stomerij exploiteert.

  2. [geïntimeerde] heeft een accountantspraktijk. [geïntimeerde] was de accountant van CC.

  3. CC heeft in 2007 aan [geïntimeerde] opdracht gegeven een exploitatieprognose en een investeringsprognose op te stellen voor de stomerij-onderneming die voorheen in [vestigingsplaats] door een ondernemer was geëxploiteerd binnen de franchise-organisatie van CC. [geïntimeerde] heeft deze prognoses, gedateerd 12 april 2007, opgesteld. CC heeft de prognoses aan [appellanten] ter hand gesteld.

  4. [appellanten] hebben in 2007 een franchise-onderneming (inventaris, kosten toetreding en goodwill) voor een bedrag van € 135.000 gekocht van CC. [appellanten] hebben ook een franchiseovereenkomst met CC gesloten.

  5. [appellanten] waren op grond van de franchiseovereenkomst gehouden (op eigen kosten) de financiële verslaglegging van hun stomerij-onderneming in [vestigingsplaats] te laten verzorgen door [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft vanaf 2007 diverse werkzaamheden verricht in opdracht van en ten behoeve van (de voormalige vof van) [appellanten] .

  6. [appellanten] hebben in 2012 besloten de bedrijfsactiviteiten als franchisenemer te beëindigen. [geïntimeerde] heeft in verband daarmee in een investeringsbegroting van 13 juli 2012 de marktwaarde van de onderneming begroot op € 75.000. Op 7 september 2012 is [geïntimeerde] door [appellanten] aansprakelijk gesteld voor een ondeugdelijke omzetprognose voorafgaand aan de totstandkoming van de franchiseovereenkomst.

  7. CC, [appellanten] hebben in het najaar van 2012 de franchiseovereenkomst beëindigd. De stomerij-onderneming van [appellanten] in [vestigingsplaats] is overgenomen door CC voor € 75.000 op basis van een tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst van 30 november 2012. CC, [appellanten] hebben elkaar bij deze vaststellingsovereenkomst over een weer finale kwijting verleend, onder meer met betrekking tot de achterstallige huur en franchisefee die door [appellanten] aan CC verschuldigd was.

8.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 21.918,19 ter zake van openstaande facturen, de wettelijke handelsrente tot 23 juli 2013 en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 16.897,79 vanaf 23 juli 2013.
De grondslag van deze vorderingen is de door [geïntimeerde] gestelde overeenkomst van opdracht tot het verrichten van werkzaamheden voor de onderneming van [appellanten] in het kader van de franchise-organisatie.

8.3.

[appellanten] hebben in conventie verweer gevoerd en in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens hen tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, en [geïntimeerde] te veroordelen de schade te vergoeden die zij hebben geleden als gevolg van dat tekortschieten, althans het onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De grondslag van deze vorderingen is de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde] tekort geschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en onrechtmatig heeft gehandeld. [geïntimeerde] heeft, met betrekking tot de exploitatieprognose en de investeringsprognose van 12 april 2007, de investeringsbegroting van 13 juli 2012 en de naleving van haar zorgplicht in de periode vanaf 2007 tot en met 2013, niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant mag worden verwacht, aldus [appellanten] .

8.4.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnissen van 28 november 2013 en 13 februari 2014 een onderzoek door de deskundige drs. L.S. Goeman van Inventive Controle Accountants en Belastingadviseurs te [vestigingsplaats] gelast. De deskundige heeft bij brief van 13 augustus 2014 gerapporteerd. De kantonrechter heeft bij eindvonnis van 6 november 2014 het gevorderde in conventie toegewezen en het gevorderde in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in conventie en in reconventie, met inbegrip van de kosten van het deskundigenbericht.

8.5.

[appellanten] hebben 11 grieven aangevoerd. Zij handhaven in hoger beroep, na intrekking van de bij memorie van grieven ingestelde subsidiaire vordering, hun vorderingen (reconventie) en verweren (conventie) in eerste aanleg. [geïntimeerde] voert verweer.

8.6.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

8.7.

De advisering of voorlichting in de aanloop naar de (beëindiging van de) franchiseovereenkomst, en in het bijzonder de exploitatieprognose en de investeringsprognose van 12 april 2007 en de investeringsbegroting van 13 juli 2012, zijn het eerste thema waarvoor [appellanten] de aandacht vragen. De argumenten van [appellanten] in dit kader komen, zakelijk weergegeven, op het volgende neer.

  1. [geïntimeerde] heeft bij de prognoses in 2007 de omzet te hoog en de kosten te laag begroot, waardoor de winstprognose van € 31.875 per jaar ongeveer € 7.000 te hoog was.

  2. [geïntimeerde] is bij deze prognoses uitgegaan van de omzet van de vestiging [vestigingsplaats] uit 2003 en 2004. [geïntimeerde] heeft de lagere winst uit 2004 buiten beschouwing gelaten. [geïntimeerde] heeft verzuimd de werkelijke cijfers van de vestiging [vestigingsplaats] in 2005 en in (de tweede helft van) 2006, die aanzienlijk slechter waren, te betrekken bij de prognoses. [geïntimeerde] heeft opgemerkt dat in de tweede helft van 2006 sprake was van onvoldoende inzet, maar dat wordt betwist.

  3. [geïntimeerde] heeft in de prognoses van april 2007 al met al onjuiste gegevens en een onhaalbaar verdienmodel gepresenteerd.

  4. [geïntimeerde] heeft in 2012 en 2013 eerst een lage marktwaarde van € 75.000 gepresenteerd, met het oog op de verkoop door [appellanten] aan CC, en vervolgens een hoge waarde van € 135.000, met het oog op de verkoop door CC aan de opvolgers. [geïntimeerde] is wat betreft de opvolgers uitgegaan van een volledig werkend partner, maar de partner van de opvolger werkte maar 15 uur in de week.

  5. [geïntimeerde] is in 2012 uitgegaan van een te hoge schuld van [appellanten] (€ 160.000).

  6. De vestiging [vestigingsplaats] is in de loop van de jaren, onder leiding van (a) de voorgangers, (b) [appellanten] en (c) de opvolgers, steeds in rode cijfers beland. [geïntimeerde] heeft steeds te rooskleurige cijfers gepresenteerd. Vanaf het begin was duidelijk dat de kosten de baten zouden overtreffen.

  7. [geïntimeerde] heeft in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen in de gedragscode voor accountants (artikel A-100.4, A-110.2) zoals integriteit, zorgvuldigheid en deskundigheid.

  8. [geïntimeerde] heeft in 2007 en weer in 2012 en 2013 oude begrotingen gekopieerd en overgenomen zonder rekening te houden met alle relevante omstandigheden zoals de werkelijke realisatie.

8.8.

De deskundige is in zijn rapport onder 6.4 tot de conclusie gekomen dat de exploitatieprognose en de investeringsprognose van 12 april 2007, en de investeringsbegroting van 13 juli 2012, begrijpelijk zijn en overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze zijn opgemaakt. De deskundige heeft erop gewezen dat verschillen tussen de prognoses/begrotingen en de gerealiseerde cijfers beperkt zijn. De deskundige heeft gewezen op enkele tekortkomingen van [geïntimeerde] (een opdrachtbevestiging is niet opgemaakt, het belangenconflict is niet vastgelegd en enkele essentiële elementen, zoals de vermelding van de veronderstellingen, ontbreken in het rapport), maar deze tekortkomingen zijn volgens de deskundige niet zodanig dat de cijfers in de prognoses en de begrotingen onbetrouwbaar zouden zijn (memorie van antwoord, 64). Het hof heeft, gelet op al het voorgaande en op de opmerkingen en bezwaren van [appellanten] (in het bijzonder: grieven 1 tot en met 6), geen redenen aan het oordeel van de deskundige te twijfelen en maakt de conclusie van de deskundige tot de zijne.

8.9.

Het hof overweegt dat het bij een prognose of een begroting altijd gaat om een toekomstverwachting, waarover geen zekerheid kan worden gegeven. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof goede redenen aangevoerd voor haar keuze de cijfers over 2005 en (de tweede helft van) 2006 buiten beschouwing te laten (memorie van antwoord, 6-7, 16, 71, 74): geen (goede) cijfers over 2005 waren beschikbaar, mede omdat er in 2005 een overname en een toetreding tot de franchise-organisatie plaatsvonden; in de tweede helft van 2006 was de ondernemer al voornemens uit te treden. [appellanten] voeren aan dat [geïntimeerde] zich heeft gebaseerd op omzetcijfers en geen rekening heeft gehouden met de (ongunstige) winstcijfers over 2004, maar zij zijn niet ingegaan op de stelling van [geïntimeerde] dat de winst- en verliesrekening over 2004 aan hen ter hand is gesteld voor het sluiten van de franchiseovereenkomst en dat de begroting van 2007 mede gezien de gerealiseerde kosten in 2008 adequaat was (memorie van antwoord, 16, 81). De stellingen van [appellanten] kunnen bij deze stand van zaken niet de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerde] in april 2007 onjuiste gegevens en een onhaalbaar verdienmodel heeft gepresenteerd.

Wat betreft de periode 2012 en 2013 neemt het hof in aanmerking dat de waarde van de onderneming sterk samenhangt met de persoon en de inzet van de ondernemer. [geïntimeerde] heeft onvoldoende weersproken aangevoerd dat dezelfde werkwijze met dezelfde variabelen consistent is gehanteerd (memorie van antwoord, 67). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, moet het ervoor worden gehouden dat [geïntimeerde] bij de uittreding van [appellanten] in verband met de (tegenvallende) resultaten en (overige) variabelen een waarde van € 75.000 mocht hanteren en vervolgens bij de verkoop aan de opvolgers, uitgaande van het businessplan van de franchise-organisatie en de beoogde inzet en (overige) variabelen van de opvolgers, een waarde van € 135.000 mocht hanteren. [appellanten] zijn bovendien niet ingegaan op de stelling van [geïntimeerde] dat de kwestie van de volledige werkend partner en de term “nieuwe situatie” betrekking had op [appellanten] in 2012 en dat [appellante] inderdaad, na de eerste fase na het aangaan van de franchiseovereenkomst, volledig heeft meegewerkt (memorie van antwoord, 66). De stelling van [appellanten] dat hun schuld in 2012 aanzienlijk lager is geweest, is niet toegelicht aan de hand van concrete feiten en [appellanten] zijn niet ingegaan op de stelling van [geïntimeerde] dat de schuld van € 160.000 is erkend in de vaststellingsovereenkomst die tussen hen en CC tot stand is gekomen (memorie van antwoord, 100). Ook niet toegelicht aan de hand van concrete feiten zijn de stellingen van [appellanten] dat steeds te rooskleurige cijfers door [geïntimeerde] zijn gepresenteerd, dat steeds duidelijk was dat de kosten de baten zouden overtreffen, dat oude begrotingen zouden zijn gekopieerd zonder rekening te houden met alle relevante omstandigheden zoals de werkelijke realisatie en dat de fundamentele beginselen niet in acht zouden zijn genomen.

8.10.

Al met al is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] niet zou hebben gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant mag worden verwacht. Daarom kan het antwoord op de vraag of [appellanten] ter gelegenheid van het pleidooi tardief een nieuwe grief hebben aangevoerd, zoals [geïntimeerde] heeft betoogd ter gelegenheid van het pleidooi, in het midden blijven.

8.11.

Het volgende verwijt van [appellanten] is dat [geïntimeerde] vanaf 2007 steeds haar zorgplicht heeft geschonden. De argumenten van [appellanten] komen, zakelijk weergegeven, op het volgende neer.

  1. [geïntimeerde] had de verplichting “in te grijpen” en [appellanten] te waarschuwen voor steeds verder oplopende verliezen en schulden en het risico dat de situatie in de onderneming uitzichtloos was.

  2. In 2007 was de omzet te laag. De machines vertoonden gebreken. In 2008 waren er hoge kosten. Een kasverschil (in verband met een pinstoring) is geboekt als privé-opname.

  3. Eind april 2009 waren er al volgens CC aanzienlijke schulden. De cijfers over 2009, 2010 en 2011 waren slecht. De omzet was laag. De kosten waren hoog. De hoge kosten hadden vooral te maken met de hoge franchisefee en de hoge huur, beide verschuldigd aan CC, en de hoge accountantskosten, verschuldigd aan [geïntimeerde] .

  4. In de door [geïntimeerde] bijgehouden administratie is sprake van fouten en omissies.

  5. Een onafhankelijke derde, Zwanenberg, heeft vastgesteld dat al vanaf 2007 geen sprake was van een gezond opstartmodel.

  6. [geïntimeerde] heeft verzuimd de opdracht schriftelijk vast te leggen en duidelijk te maken voor welke partij zij optrad. Er was sprake van een belangenconflict. [geïntimeerde] is bij de prognoses in 2007 uitgegaan van aannames en veronderstellingen, maar zij heeft deze niet duidelijk vermeld. Dit geldt ook voor de waarderingsmethode en voor de eventueel toegepaste correcties en normalisaties. [geïntimeerde] is in 2012 ten onrechte uitgegaan van een volledig meewerkend partner.

  7. [geïntimeerde] heeft in 2007 en in 2012 gegevens verstrekt aan [appellanten] . [geïntimeerde] moet instaan voor de juistheid van deze gegevens, die in de prognoses zijn verwerkt. [geïntimeerde] is uitgegaan van verkeerde uitgangspunten en heeft negatieve effecten, die haar bekend waren, buiten beschouwing gelaten. [geïntimeerde] heeft niet zorgvuldig en onpartijdig gehandeld.

  8. [geïntimeerde] heeft verzuimd in te grijpen toen duidelijk werd dat het slecht ging. [geïntimeerde] heeft verzuimd [appellanten] te adviseren, te begeleiden en bij te staan toen duidelijk werd dat de prognoses niet werden gehaald.

8.12.

Ook deze verwijten zijn naar het oordeel van het hof ongegrond. [geïntimeerde] heeft er onweersproken op gewezen dat CC, in samenspraak met [geïntimeerde] , regelmatig met [appellanten] overleg voerde over de situatie in de onderneming, de tegenvallende resultaten en de vooruitzichten en de mogelijkheden voor verbetering (memorie van antwoord, 18). [appellanten] hebben niet voldoende toegelicht dat en waarom het tot de taak van [geïntimeerde] behoorde in dit kader meer te doen of anders te handelen, om “in te grijpen” of om hen te begeleiden of bij te staan. De omstandigheid dat [geïntimeerde] de accountant was van [appellanten] is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [geïntimeerde] in dit kader een dergelijke verstrekkende taak had. [appellanten] hebben ook niet aan de hand van concrete feiten uitgelegd dat [geïntimeerde] met betrekking tot bepaalde boekingen (als privé-opnames) een verwijt kan worden gemaakt. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de ondernemers duidelijkheid te verschaffen over de in te boeken posten; bij een kasverschil waarvoor geen andere verklaring wordt gegeven zal een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant een privé-opname kunnen aannemen. [appellanten] zijn ook niet ingegaan op de stellingen van [geïntimeerde] dat geen sprake zou zijn van achterblijvende omzet indien de privé-opname (de gestelde kassastoring) zou worden weggedacht, dat in 2009 te veel werk is uitbesteed aan derden en veelbelovende acties zijn afgeblazen, dat er substantiële kostenoverschrijdingen waren (kantoorkosten en algemene kosten) en dat de economische crisis een rol heeft gespeeld (memorie van antwoord, 11, 12, 15). De gestelde fouten en omissies in de administratie, en het belang daarvan voor dit geding, zijn niet nader toegelicht. Zoals hiervoor is overwogen, valt niet in te zien dat de door de deskundige geconstateerde tekortkomingen relevant zijn voor de beslissing in dit geding. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] , die als accountant heeft gehandeld, ervoor moet instaan dat de gegevens in een door haar opgemaakte prognose of begroting zullen overeenstemmen met de cijfers die later bij de exploitatie van de onderneming daadwerkelijk worden gerealiseerd. Hierbij is van belang dat een prognose naar aard en strekking onzeker is. Onvoldoende toegelicht is de stelling dat [geïntimeerde] bij het opmaken van de prognose onzorgvuldig heeft gehandeld.

8.13.

Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] geen vordering hebben op [geïntimeerde] en dat hun dan ook geen beroep op opschorting of verrekening toekomt als verweer tegen de vorderingen van [geïntimeerde] .

8.14.

[appellanten] hebben de facturen van [geïntimeerde] verder bestreden met het betoog dat de opdracht van [geïntimeerde] in juni 2011 is geëindigd (memorie van grieven, 102).

Niet is komen vast te staan, naar het oordeel van het hof, dat [appellanten] de opdracht aan [geïntimeerde] in juni 2011 of op een ander relevant moment hebben beëindigd, in ieder geval voor zover het gaat om noodzakelijke werkzaamheden, werkzaamheden voor de afronding van de taken van [geïntimeerde] of werkzaamheden die betrekking hebben op de jaren 2009 en 2010. [appellanten] hebben niet concreet toegelicht hoe, waar en wanneer zij aan [geïntimeerde] hebben laten weten de opdracht te willen beëindigen. [appellante] heeft in 2012 nog als klant [geïntimeerde] verzocht op vragen te reageren (e-mail van 4 november 2012, gevoegd bij productie 31 van [appellanten] in eerste aanleg). De bestreden facturen van [geïntimeerde] betreffen, naar [geïntimeerde] onvoldoende weersproken stelt, noodzakelijke werkzaamheden, werkzaamheden voor de afronding van de taken van [geïntimeerde] en de jaren 2009 en 2010; dit geldt volgens [geïntimeerde] ook voor de werkzaamheden die in 2011 of 2012 zijn uitgevoerd (memorie van antwoord, 97-99). Het betoog van [appellanten] faalt.
Ten overvloede overweegt het hof dat [appellanten] , zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, te laat hebben gereclameerd over de bestreden facturen (memorie van antwoord, 20, 95). Uit artikel L van de algemene voorwaarden, voor de ontvangst waarvan [appellanten] hebben getekend, volgt dat binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur of ontdekking van de fout moet worden gereclameerd. Het gaat in dit geding om gestelde fouten die direct blijken uit de facturen. [geïntimeerde] voert onweersproken aan dat pas enkele maanden zoniet enkele jaren later is geklaagd. Dat is te laat. Ook dit staat eraan in de weg dat het verweer van [appellanten] wordt gehonoreerd. Het beroep van [appellanten] op artikel 6:236 g BW, indien dit beroep al niet tardief zou zijn gedaan, faalt omdat niet aan de hand van concrete feiten is toegelicht dat en waarom de termijn van 30 dagen in dit geval te kort zou zijn, zodat gelet op de toelichting door [geïntimeerde] het wettelijke vermoeden in dit geval is ontzenuwd.

8.15.

[appellanten] hebben met betrekking tot de facturen van [geïntimeerde] ook het volgende aangevoerd.

  1. [appellanten] hebben meer aan [geïntimeerde] betaald.

  2. [appellanten] hebben vanaf de tweede helft van 2011 geen administratie meer verstrekt aan [geïntimeerde] .

  3. [appellanten] hebben in november 2012 hun werkzaamheden gestaakt.

  4. De door [geïntimeerde] in rekening gebrachte kosten zijn te hoog en de desbetreffende werkzaamheden zijn deels verricht ten behoeve van CC.

  5. Enkele posten op de facturen van [geïntimeerde] , zoals advies, zijn onbegrijpelijk en onjuist.

  6. [geïntimeerde] heeft haar facturen niet voldoende gespecificeerd en niet voldoende duidelijk gemaakt wie wat waar heeft gedaan.

  7. De rentenota’s van [geïntimeerde] zijn onbegrijpelijk en onjuist.

8.16.

[appellanten] hebben deze stellingen, tegenover de betwisting door [geïntimeerde] , niet voorzien van een toereikende toelichting. Zij hebben tegenover de stellingen van [geïntimeerde] niet voldoende uitgelegd wanneer zij welke bedragen aan [geïntimeerde] zouden hebben betaald (memorie van grieven, 28, 104; memorie van antwoord, 34, 83, productie 11). [appellanten] zijn niet ingegaan op de stellingen van [geïntimeerde] dat de post crediteuren op de balans steeds is opgelopen, waaruit volgt dat [appellanten] oplopende achterstanden hadden, en dat uit de winst- en verliesrekening, waarop [appellanten] zich baseren, niets kan worden afgeleid over betalingen. [appellanten] hebben niet duidelijk gemaakt waarom het niet verstrekken van administratie of het staken van de werkzaamheden relevant zou zijn. Zij zijn niet ingegaan op de stelling van [geïntimeerde] dat [geïntimeerde] alleen kopieën van de administratie heeft ontvangen en dat [appellanten] steeds in het bezit zijn geweest van de originele administratie, met uitzondering van enkele stukken die al geretourneerd zijn (memorie van antwoord, 32). Het verwijt dat rekeningen uit de administratie zouden zijn verdwenen of dat fouten zijn gemaakt met betrekking tot de btw is dan ook onvoldoende toegelicht (memorie van antwoord, 56). [appellanten] hebben ook niet duidelijk gemaakt dat de in rekening gebrachte kosten niet in overeenstemming zijn met de tussen partijen gemaakte afspraken en de gewerkte uren. Zij zijn niet of niet voldoende ingegaan op de stelling van [geïntimeerde] dat de administratie chaotisch was of niet goed werd aangereikt waardoor [geïntimeerde] extra (advies)werkzaamheden moest verrichten (memorie van antwoord, 103, 108-109). Hun stelling dat bepaalde werkzaamheden zijn verricht voor CC is niet toegelicht. [geïntimeerde] heeft, anders dan [appellanten] stellen, de facturen en rentenota’s voldoende gespecificeerd nu inzicht is gegeven in de verrichte werkzaamheden, de daarmee gemoeide tijd en de daarvoor verschuldigde kosten (memorie van antwoord, 96, 100, 104-108, productie 11). De stelling dat bepaalde posten en rentenota’s onbegrijpelijk en onjuist zouden zijn, is niet voldoende toegelicht.

8.17.

Gelet op al het voorgaande heeft de kantonrechter terecht de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (€ 1.000, vonnis van 28 november 2013, 2.1) toegewezen en zijn [appellanten] terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. De buitengerechtelijke kosten komen het hof redelijk voor en zijn gemaakt voor werkzaamheden die in redelijkheid moesten worden verricht als gevolg van het verzuim van [appellanten] (inleidende dagvaarding, 8).

8.18.

De grieven falen. Aan het bewijsaanbod van [appellanten] gaat het hof voorbij, nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep (antwoord 1, pleidooi 2 punten, tarief III € 1.158) worden veroordeeld.

9 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.937,- aan vast recht en € 3.474,- voor salaris advocaat in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, L.S. Frakes en J.M.H. Evers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 juli 2017.

griffier rolraadsheer