Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3148

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
20-002162-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

1. Medeplegen van poging tot zware mishandeling door meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen, terwijl het slachtoffer op de grond lag.

Het hof heeft weliswaar kunnen vaststellen dat er meermalen tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 1] is geschopt, doch heeft niet kunnen vaststellen dat dit met een zodanige kracht is geschied dat dit een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer oplevert.

2. Openlijk geweld tegen personen in vereniging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002162-15

Uitspraak : 5 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 juni 2015 met parketnummer 02-665607-14 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 02-254942-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 primair is ten laste gelegd, namelijk het medeplegen van poging tot doodslag, en hetgeen onder 2 primair is ten laste gelegd en dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 518,74, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige, en tot toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal bevelen van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 april 2013 met parketnummer 02-254942-12 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Primair is door en namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde hoogstens poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging is verzocht de proeftijd te verlengen dan wel de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is verzocht deze niet ontvankelijk te verklaren. Tot slot is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 1 juli 2014, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 27 oktober 2013 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- voornoemde [slachtoffer 1] geslagen/gestompt tegen zijn gezicht en/of

- getrapt/geschopt tegen zijn knie waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt tegen het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 27 oktober 2013 te Breda met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Karnemelkstraat te Breda, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit

- het meermalen, althans eenmaal slaan/stompen in/tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het achtervolgen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het trappen/schoppen tegen de knie van voornoemde [slachtoffer 1] , waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- het (vervolgens) slaan/stompen en/of schoppen/trappen tegen het hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande evenmin tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 27 oktober 2013 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of de knie, althans het lichaam van [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 27 oktober 2013 te Breda met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Karnemelkstraat te Breda, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

- het achtervolgen van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het meermalen, althans eenmaal slaan/stompen tegen het gezicht/voorhoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of het meermalen, althans eenmaal duwen tegen het lichaam van [slachtoffer 2] waardoor [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of

- het (vervolgens) meermalen, althans eenmaal schoppen/trappen tegen het (onder)lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] ;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 27 oktober 2013 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] ) meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam van [slachtoffer 2] heeft gestompt/geslagen en/of getrapt/geschopt en/of geduwd, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 1]

Het hof acht niet bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] , zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Het hof verwijst naar hetgeen hierna wordt overwogen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 27 oktober 2013 te Breda tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader

- meermalen heeft getrapt/geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 27 oktober 2013 te Breda met een ander op of aan de openbare weg, de Karnemelkstraat te Breda, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

- het achtervolgen van voornoemde [slachtoffer 2] en

- het meermalen slaan/stompen tegen het voorhoofd, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en het duwen tegen het lichaam van [slachtoffer 2] waardoor [slachtoffer 2] ten val is gekomen en

- het (vervolgens) meermalen schoppen/trappen tegen het (onder)lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De verdachte en zijn raadsman hebben ter zake het onder 1 bewezen verklaarde primair betwist dat de verdachte aangever [slachtoffer 1] zou hebben geschopt. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 juni 2017 heeft de verdachte verklaard dat alleen de mededader betrokken is geweest bij de mishandeling van [slachtoffer 1] en dat hij, verdachte, zelf niemand heeft geschopt.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat hij tegen zijn hoofd is geschopt (dossierpg 34). Uit de verklaring van aangever [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte en zijn mededader samen achter [slachtoffer 1] aan gingen en [slachtoffer 1] , toen hij op de grond lag, meermalen tegen het hoofd hebben geschopt (dossierpg 31). Dat verdachte betrokken was bij het schoppen van [slachtoffer 1] tegen het hoofd vindt bevestiging in de verklaring van de [getuige] (dossierpg 41) dat zowel verdachte als zijn mededader trappende bewegingen hebben gemaakt in de richting van het gezicht van een persoon, naar het hof begrijpt [slachtoffer 1] . Het hof ziet in hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht geen reden om te twijfelen aan deze verklaringen. Verdachte heeft derhalve wel degelijk tezamen met zijn mededader meermalen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] geschopt. Het primair door de verdediging gevoerde verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en wordt aldus verworpen.

Subsidiair is door de verdediging betwist dat de verdachte opzet heeft gehad op de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag. Daartoe is door de verdediging aangevoerd dat de door de verdachte verrichte geweldshandelingen geen aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven hebben geroepen en dat de verdachte een dergelijke kans ook niet welbewust heeft aanvaard. De verdediging onderbouwt deze standpunten door te stellen dat uit de bewijsmiddelen niet valt af te leiden met welke kracht is getrapt, welk schoeisel daarbij werd gedragen en hoe vaak er is getrapt. Evenmin is vast te stellen op welke concrete plaats op het hoofd aangever [slachtoffer 1] is geraakt en of het daarbij ging om een bijzonder risicovolle plaats op het hoofd.

Zowel de verdachte als zijn mededader hebben [slachtoffer 1] meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd geschopt toen deze op de grond lag.

Met betrekking tot de vraag of voornoemd geweld kan worden aangemerkt als het medeplegen van een poging tot doodslag en meer in het bijzonder de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op dat feit, overweegt het hof als volgt.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het met kracht schoppen met geschoeide voet tegen een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd, levert reeds in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer op. In de regel is dergelijk gedrag voorts aan te merken als gedrag dat naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het toebrengen van letsel dat de dood tot gevolg heeft, dat de verdachte reeds daarmee de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg heeft aanvaard. In de voorliggende zaak heeft het hof weliswaar kunnen vaststellen dat er meermalen tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 1] is geschopt, doch heeft het hof niet kunnen vaststellen dat dit met een zodanige kracht is geschied dat dit een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer oplevert. Geen van de getuigen, noch aangevers verklaren immers dat er daadwerkelijk met kracht is geschopt.

Gelet op het voorgaande heeft het hof niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte en zijn mededader met hun handelen de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] in het leven hebben geroepen. Dientengevolge kan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer 1] niet bewezen worden.

De verdachte zal van de aan hem impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

Medeplegen van poging zware mishandeling

Ofschoon een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] niet bewezen kan worden, staat het naar het oordeel van het hof vast dat het meermaals met geschoeide voet trappen tegen een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd de aanmerkelijke kans in het leven roept dat aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

De verdachte, die evenals ieder weldenkend mens van voornoemde kwetsbaarheid van het hoofd op de hoogte moet zijn geweest, heeft, door samen met zijn mededader meermalen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te schoppen terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, de kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] bewust aanvaard. De omstandigheden dat de verdachte voorafgaande aan het feit alcoholische drank had genuttigd, dat hij ten tijde van het feit 19 jaar oud was en dat hij in de hectische situatie wellicht heeft gehandeld in een opwelling, doen daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

Aldus is het hof van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering daarvan niet is voltooid.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Samen met zijn mededader [medeverdachte] heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en openlijke geweldpleging. In de nacht van 27 oktober 2013 is de verdachte samen met [medeverdachte] achter de nietsvermoedende slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aangerend en hebben zij hen zonder duidelijke aanleiding geslagen en geschopt. Toen [slachtoffer 1] bewusteloos raakte, is de verdachte samen met zijn mededader naar het stadscentrum gerend, zonder zich verder om de slachtoffers te bekommeren.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde en op de omstandigheid dat de verdachte door te handelen zoals bewezen verklaard de lichamelijke integriteit van slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op grove wijze heeft miskend. Voorts leidt een dergelijk handelen in de regel bij de slachtoffers tot gevoelens van angst en onveiligheid. Het incident vond bovendien plaats op de openbare weg en in het bijzijn van anderen, hetgeen ook in de samenleving tot gevoelens van angst en onveiligheid kan leiden.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 april 2017, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld en in een proeftijd liep. Het hof heeft tevens acht geslagen op het advies van de reclassering d.d. 11 juni 2015 om aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met een fors voorwaardelijk deel op te leggen. Voorts houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn overige persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan in verband met een juiste normhandhaving niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De door de verdediging benadrukte persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheid dat de verdachte spijt heeft van zijn daden, dat hij reeds enkele jaren niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat hij van zijn verleden heeft geleerd, leggen tegenover de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Alles overziend is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Met de oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Gelet op het tijdsverloop en mede gelet op de positieve persoonlijke ontwikkeling van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om aan voornoemd voorwaardelijk strafgedeelte enige bijzondere voorwaarde te verbinden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 554,94, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 250,- ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 304,94 ter zake van de materiële schade. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 518,74.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om de vordering te matigen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde van artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid op € 250,00. Het hof heeft in dit kader in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte en zijn mededader pijn en letsel heeft opgelopen en dat hij bewusteloos is geraakt.

Tevens stelt het hof vast dat [slachtoffer 1] materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 142,12. Dit betreft het bedrag dat [slachtoffer 1] heeft betaald aan eigen risico aan zijn zorgverzekering ter zake van zijn bezoek aan het Amphia Ziekenhuis te Breda, afdeling neurologie.

De verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 392,12, vermeerderd met de wettelijke rente, toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. De wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade zal worden toegewezen vanaf 27 oktober 2013, zijnde de datum van het feit. De wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade zal worden toegewezen vanaf 21 maart 2014, zijnde de dag waarop dit bedrag door de ziektekostenverzekeraar aan [slachtoffer 1] in rekening is gebracht.

De vordering van [slachtoffer 1] ten aanzien van de materiële schade dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de opgevoerde reiskosten van € 36,20 stelt het hof vast dat deze door de ouders van de benadeelde partij zijn gemaakt. Deze kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien de ouders als gemachtigden van de benadeelde partij optreden. Nu hiervan geen melding wordt gemaakt in het voegingsformulier, zal het hof de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Met betrekking tot de gevorderde zorgkosten voor zover die zien op orthopedische zorg, is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, namelijk door het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , is veroorzaakt.

Het hof ziet aanleiding de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 276,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 250,- ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 26,60 ter zake van de materiële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,- , te vermeerderen met de wettelijke rente, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde van artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid begroten op € 250,00. Het hof heeft in dit kader in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte en zijn mededader pijn en letsel heeft opgelopen.

De verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van €250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 27 oktober 2013, zijnde de datum van het feit.

Met betrekking tot de opgevoerde reiskosten van € 26,60 stelt het hof vast dat deze door de ouders van de benadeelde partij zijn gemaakt. Deze kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien de ouders als gemachtigden van de benadeelde partij optreden. Nu hiervan geen melding wordt gemaakt in het voegingsformulier, zal het hof de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De verdachte is zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2014, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Breda van 9 april 2013 onder parketnummer 02-254942-12 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, van oordeel, dat – nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt – de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet het hof geen aanleiding om deze gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf dan wel de proeftijd te verlengen, nog daargelaten dat de proeftijd reeds is verstreken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde (mede)plegen van poging tot doodslag heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling en het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 392,12 (driehonderdtweeënnegentig euro en twaalf cent) bestaande uit € 142,12 (honderdtweeënveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 392,12 (driehonderdtweeënnegentig euro en twaalf cent) bestaande uit € 142,12 (honderdtweeënveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 9 april 2013, parketnummer 02-254942-12, te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. R.W.J. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.E.J. Hendricksen, griffier,

en op 5 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.W.J. van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.