Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:312

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
200.153.682_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:3558
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenlevingsovereenkomst.

Uitleg.

Leemte.

Investering in woning van de ander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/24.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.153.682/01

arrest van 31 januari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. van den Eshoff te Echt-Susteren,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen, voorheen I.J.M. Gelissen te Roermond,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 november 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/121774/ HA ZA 13-98 gewezen vonnis van 16 april 2014.

8 Het arrest van 22 november 2016

Bij dat arrest zijn partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de vraag of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen en is iedere verdere beslissing aangehouden.

9 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft kennisgenomen van het H16-formulier van:

- de advocaat van de man van 29 november 2016;

- de advocaat van de vrouw van 29 november 2016.

Beide advocaten hebben het hof laten weten af te zien van een nieuwe mondelinge behandeling.

10 De verdere beoordeling

10.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen hebben tussen 1995 en medio 2012 een affectieve relatie gehad.

  2. Op 16 oktober 2009 hebben partijen bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst gesloten.

  3. Artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst luidt als volgt:

“Door [de vrouw] wordt een nader te bepalen bedrag geïnvesteerd in de door [de man] aan te kopen woning.

Partijen komen overeen dat bij verkoop van deze woning en/of bij einde van de relatie, de eventuele overwaarde die de woning dan heeft (waarde woning minus hypothecaire schuld), tussen partijen gelijkelijk gedeeld zal worden, waarbij [de vrouw] eerst ontvangt het door haar geïnvesteerd bedrag. De [man] heeft het recht dit bedrag in vijf achtereenvolgende jaarlijkse termijnen te betalen, voor zover hij het niet beschikbaar heeft of in redelijkheid kan financieren.”

De man heeft op 1 december 2009 de bedoelde woning (staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] ) gekocht; deze woning is op zijn naam gesteld.

De woning is vervolgens verbouwd.

Partijen zijn in de woning gaan samenwonen omstreeks maart 2011. Omstreeks mei 2012 heeft de vrouw de woning verlaten.

10.2.

De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd de man te veroordelen om aan haar te voldoen een bedrag van € 71.379,43 uit hoofde van nakoming van de verplichting voortvloeiende uit artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, en de proces- en beslagkosten (bestreden vs, rov. 3.1).

De vrouw heeft haar vordering – kort gezegd – gegrond op de stelling dat zij het bedoelde bedrag (€ 71.379,43) heeft geïnvesteerd in de door de man gekochte woning (onder andere plaatsing van een nieuwe badkamer, een aanbouw, de afwerking van de woning en het schilderen daarvan) en dat zij op grond van artikel 12 recht heeft op restitutie daarvan.

10.3.

De man heeft daartegen in eerste aanleg, samengevat, het volgende aangevoerd.

Uit de letterlijke tekst van artikel 12 volgt dat alleen een recht op teruggave van het geïnvesteerde bedrag bestaat ingeval sprake is van een overwaarde. Nu daarvan geen sprake is, bestaat ook geen recht op terugbetaling van een geïnvesteerd bedrag.

Subsidiair heeft de vrouw niet aangetoond dat zij daadwerkelijk het door haar gevorderde bedrag heeft geïnvesteerd in de woning.

Meer subsidiair dient het door de vrouw geïnvesteerde bedrag te worden verrekend met hetgeen de vrouw had moeten bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

10.4.

De rechtbank heeft geoordeeld dat:

“(…) enkel recht op terugbetaling van gedane investeringen bestaat in het geval sprake is van een overwaarde op de woning. Nu de man onweersproken heeft gesteld dat geen sprake is van overwaarde op de woning, is dus niet voldaan aan de in artikel 12 vervatte voorwaarde voor terugbetaling. De vordering van de vrouw dient derhalve te worden afgewezen.”

De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

10.5.

De vrouw heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Verder heeft zij gevorderd de man te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 69.833,58 (uit hoofde van nakoming van de verplichting voortvloeiende uit artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte heeft de vrouw gevorderd de man te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

10.6.

De man heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties.

10.7.

De vrouw heeft één grief aangevoerd. Het hof stelt vast dat de grief op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis berust. Een weergave door de rechtbank van een stelling van de man wordt daarin namelijk gelezen als een overweging van de rechtbank zelf, terwijl bovendien de stelling van de man verkeerd wordt geciteerd. Uit de toelichting op de grief, gelezen in samenhang met het petitum, begrijpt het hof dat de grief zich in wezen keert tegen het oordeel van de rechtbank hiervóór weergegeven in rov. 10.4. Het hof zal de grief hieronder stapsgewijs (onder de kopjes “Uitleg/leemte artikel 12”, en “De investeringen in de woning door de vrouw”) bespreken.

Wijzigingen van eis

10.8.

Alvorens de grief te bespreken, dient het hof nog te oordelen over een eiswijziging door de vrouw in haar memorie van grieven: de vrouw vordert thans niet meer, zoals in eerste aanleg, een bedrag van € 71.379,43, maar het lagere bedrag van € 69.833,58. Het hof zal van de aldus verminderde eis uitgaan.

Bij H3-formulier heeft de vrouw voorts nog de grondslag van haar vordering aangevuld. Zij beoogt daarmee aan haar vordering mede ten grondslag te leggen een “verrekenplicht” die tussen partijen bestaat. Deze verrekenplicht vloeit volgens de vrouw voort uit:

“de analogische toepassing van de regeling van vergoedingsrechten ten bate of ten laste van de huwelijksgemeenschap. Conform vaste rechtspraak (zie HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150, Kriek/Smit) strookt het met de rechtszekerheid wanneer [de vrouw] aanspraak kan maken op een gelijk bedrag als door haar aan [de man] werd verschaft. [De vrouw] heeft aanspraak op nominale vergoeding van hetgeen zij in de woning van de man heeft geïnvesteerd.”

Tegen deze wijziging van de grondslag van de vordering heeft de man bij H14-formulier bezwaar gemaakt.

Deze wijziging van de grondslag komt in niet in strijd met de zogenoemde twee conclusie-regel, nu het hof verplicht is de rechtsgronden aan te vullen.

Uitleg/leemte artikel 12

10.9.1.

De vrouw voert het volgende aan.

Partijen hebben hun samenleving zoveel mogelijk willen laten lijken op een huwelijk. In lijn daarmee zijn partijen in artikel 12 een nominaal vergoedingsrecht overeengekomen, aansluitend bij hetgeen in een geval van algehele uitsluiting in een huwelijk gebruikelijk is.

Partijen hebben verder ook nimmer de bedoeling gehad om enkel tot vergoeding van het geïnvesteerde bedrag over te gaan wanneer er sprake was van overwaarde op de woning. Dit temeer omdat de woning reeds met een fikse onderwaarde is aangekocht (mvg, prod. 3). Artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt ook niet dat het bestaan van overwaarde op de woning een voorwaarde is om het geïnvesteerde bedrag terug te ontvangen.

Ten slotte heeft de man tijdens de comparitie in eerste aanleg aangegeven dat de vrouw recht heeft op teruggave van het door haar geïnvesteerde bedrag.

10.9.2.

De man voert het volgende verweer.

Aan de uitleg van artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst wordt niet toegekomen, nu de bewoordingen daarvan duidelijk zijn. Er is geen ruimte voor een aanvullende uitleg. De partijbedoeling dient enkel te worden afgeleid uit de tekst van artikel 12. Enkel indien er overwaarde is, heeft de vrouw recht op terugbetaling van haar investeringen. De hele samenlevingsovereenkomst was bedoeld om de vrouw niet onverzorgd achter te laten, mocht de man iets overkomen, waarbij partijen er van uitgingen dat zij langdurig (in ieder geval een tiental jaar) zouden hebben samengewoond. Partijen hebben niet willen aansluiten bij de regeling van een huwelijk met algehele uitsluiting; dan hadden zij zich wel gewend tot de ambtenaar van de burgerlijke stand.

10.9.3.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat geen sprake is van overwaarde op de woning, maar van onderwaarde (het hof verwijst in het bijzonder naar rov. 10.4 hiervóór; en mvg, pt. 4; mva, pt. 1.9).

Voorts heeft de man, anders dan de vrouw meent, niet tijdens de comparitie in eerste aanleg aangegeven dat de vrouw recht heeft op terugbetaling van het door haar geïnvesteerde bedrag. De man heeft alleen het volgende verklaard: “[De vrouw] heeft wel in de woning geïnvesteerd, maar hoe veel, dat weet ik zo niet. Misschien zo’n € 10.000,-- a € 20.000,--”, pv, p. 4. Hiermee heeft de man nog niets gezegd over een recht op terugbetaling.

Over de uitleg van artikel 12 in geval van onderwaarde oordeelt het hof als volgt.

Blijkens artikel 12 heeft de vrouw zich verplicht tot het doen van investeringen in de woning. Bij het doen van investeringen staat het behalen van vermogensrechtelijk voordeel voorop, hier door (een aandeel in) de verwachte waardestijging (bij overwaarde) van de woning, zoals partijen ook zijn overeengekomen (dit staat tussen partijen niet ter discussie).

Het risico bij een investering vormt een waardedaling (of voortdurende onderwaarde) van het investeringsobject (hier de woning). De vraag of artikel 12 een leemte vertoont op het punt van die onderwaarde, komt erop neer of ter zake van die onderwaarde géén wilsovereenstemming bestaat. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij, mede gelet op de maatschappelijke kring waartoe zij behoren en de rechtskennis die van hen kan worden gevergd, te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749, Koersplan, met verwijzing naar HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981/625, Haviltex).

Waarom in geval van (zelfs de geringste) onderwaarde van de woning de vrouw haar volledige investering kwijt zou moeten raken (en wel: ten gunste van de man), zoals de man betoogt, valt zonder nadere toelichting (bijvoorbeeld op het punt van de mogelijkheden of bereidheid van partijen risico te dragen) niet in te zien. Het had op de weg van de man gelegen, gelet ook op de zojuist weergegeven Koersplan/Haviltex-maatstaf, die toelichting te geven, hetgeen hij echter (ook ter zitting van het hof) heeft nagelaten.

De uitleg die de vrouw geeft aan artikel 12, kan, gelet ook op de zojuist weergegeven Koersplan/Haviltex-maatstaf, evenmin worden gevolgd. Een recht op volledige terugbetaling van haar investering bij (zelfs een zeer aanzienlijke) waardedaling van de woning, zou betekenen dat zij geen enkel risico loopt, terwijl dát, het lopen van risico, eigen is aan het doen van een investering in een woning. Het risico van waardedaling zou zelfs volledig worden afgewenteld op de man. De vrouw had deze verstrekkende uitleg nader moeten motiveren.

Dat partijen hun samenleving zoveel mogelijk op een huwelijk hebben willen laten lijken, zoals de vrouw aanvoert, is onvoldoende, omdat partijen dan ook nog huwelijkse voorwaarden hadden moeten overeenkomen die de vrouw aanspraak gaven op volledige terugbetaling bij onderwaarde van de woning. Voor zover de vrouw heeft wil betogen dat partijen hun samenleving zoveel mogelijk hebben willen laten lijken op een huwelijk met algehele uitsluiting (van iedere wettelijke gemeenschap van goederen), en dan ingevolge HR 12 juni 1987, NJ 1988/150, Kriek/Smit een vergoedingsrecht zou bestaan, gaat dit betoog evenmin op. In de zaak waarover de Hoge Raad zich in dat arrest heeft uitgesproken was namelijk, anders dan in het onderhavige geval, geen sprake van een afspraak betreffende de financiering van de woning, laat staan van een afspraak om te investeren. (Voor de “analogische toepassing”, los van de uitleg van artikel 12, zoals door de vrouw gevorderd (zie rov. 10.8 hiervóór) is voorts dan ook geen plaats). Ten slotte heeft de man de uitleg die de vrouw geeft aan artikel 12 voldoende gemotiveerd betwist, zodat ook daarom aan die uitleg dient te worden voorbijgegaan.

Het hof stelt, gelet op het voorgaande, vast dat tussen partijen geen wilsovereenstemming bestond over een wezenlijk onderdeel van de regeling van artikel 12, te weten het risico dat de vrouw zou lopen bij onderwaarde van de woning. Aldus is, op dit punt, sprake van een leemte in artikel 12. Ingevolge art. 6:248 lid 1 BW heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van die overeenkomst, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Hoewel bij investeringen in de regel een recht bestaat op terugbetaling daarvan mét een correctie daarop voor de nadien voorgevallen waardedaling van het investeringsobject (of waardestijging van het object; hier zou dat zijn tot het bedrag waarop geen sprake meer is van onderwaarde van de woning), is in het onderhavige geval geen sprake van één investering, maar (volgens de vrouw) van een groot aantal betrekkelijk kleine investeringen, die bovendien op verschillende tijdstippen zijn gedaan, gedurende een korte periode (van minder dan twee jaar). Het rendement van de afzonderlijke investeringen in de woning valt dan niet te berekenen. Naar de aard van de overeenkomst vloeit dan uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat de vrouw voor haar investeringen aanspraak kan maken op (nominale) terugbetaling daarvan.

De investeringen in de woning door de vrouw

10.10.1.

De vrouw voert het volgende aan.

De vrouw beschikte over een bedrag van ongeveer € 105.000 op een Belgische bankrekening. Op 11 september 2009, voorafgaand aan de aankoop van de woning door de man, heeft de vrouw dit bedrag van de rekening opgenomen (prod. 9 van de vrouw in eerste aanleg). Ter ontwijking van mogelijke belastingclaims (en omdat de man wél de hypotheek kon rondkrijgen, maar hij geen geld had voor de verbouwingen, pv, p. 2), is gekozen voor de constructie dat de vrouw met dit bedrag zou investeren in een verbouwing van de woning, in ruil waarvoor de verwachte waardestijging van de woning zou worden gedeeld. (Aldus de verklaring van de vrouw ter zitting.) Van het “Belgische geld” stelde de vrouw daarbij contante bedragen ter beschikking aan de man die vervolgens de uitgaven deed (o.m. pv. p. 2).

De man heeft bij de mondelinge behandeling voor de rechtbank erkend dat de vrouw een bedrag van € 10.000 à € 20.000 in de woning heeft geïnvesteerd, zodat over dat gedeelte geen discussie meer bestaat. De rest van het gevorderde bedrag van € 69.833,58 is als volgt tot stand gekomen (mvg, pt. 9). Gedurende de periode dat de vrouw contanten heeft aangewend om de woning van de man te verbouwen en op te knappen heeft de vrouw een lijst bijgehouden waarop zij het merendeel van de bedragen die zij in dat kader heeft uitgegeven, heeft genoteerd (inl. dv., prod. 6). Zij heeft de bedragen thans opgeteld en daarbij enkele posten weggelaten. Met inachtneming van alle opgesomde posten alsmede de bonnen die door de man als productie 4 zijn ingebracht, heeft de vrouw het reeds genoemde bedrag van € 69.833,58 te vorderen. “Voor de bedragen welke de man van zijn eigen rekening heeft voldaan, [geldt] dat [de vrouw] een bedrag van € 15.000 op (…) de rekening [van de man] heeft gestort, van welk bedrag hij deze posten heeft voldaan (productie 4)”.

10.10.2.

De man voert het volgende verweer.

De vrouw heeft niet geïnvesteerd in de woning. De vordering ter zake is niet deugdelijk onderbouwd. De kassabonnen zijn slecht leesbaar. Het merendeel van de bonnen is ten name van de man gesteld, hetgeen het vermoeden oplevert dat de man de contractspartij is en de rekeningen heeft voldaan. De vrouw heeft dit niet kunnen weerleggen “aan de hand van aantonen van de geldstroom”.

De man heeft weliswaar aangegeven in eerste aanleg dat de vrouw een (klein) bedrag heeft geïnvesteerd in de woning, maar dit moet worden gezien als een bijdrage van de vrouw conform artikel 3B van de samenlevingsovereenkomst (de vrouw dient bij te dragen in de kosten van de huishouding). Er is dus geen sprake van een substantiële bijdrage in de kosten van de verbouwing zijdens de vrouw, noch van een investering.

De man betwist verder nog dat de vrouw een bedrag van € 15.000,- heeft gestort op zijn rekening op 22 januari 2010. Het rekeningafschrift (mvg, prod. 4) is daartoe onvoldoende bewijs. Hieruit blijkt immers niet wie deze storting heeft verricht. Uit mva, prod. 1 (“bankafschriften met betrekking tot de samenwoningsperiode”) blijkt dat de vrouw veel bedragen opnam van de bankrekening. Bovendien blijkt daaruit dat de man veelvuldig geld heeft gestort op de rekening. Nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij het bedrag van € 15.000,- heeft gestort, moet het ervoor worden gehouden dat de man ook dit geldbedrag zelf heeft gestort op zijn bankrekening.

10.10.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Vast staat dat de vrouw € 105.000,- op een Belgische bankrekening had staan en dat zij dit bedrag vlak voor het aangaan van de samenlevingsovereenkomst (en de verbouwing) heeft opgenomen. De man heeft niet betwist dat het de bedoeling van partijen was dat met dit bedrag zou worden geïnvesteerd in de woning; evenmin heeft de man betwist dat aanzienlijke investeringen hebben plaatsgevonden. De man weerspreekt weliswaar dat de vrouw deze investeringen heeft gefinancierd, maar hij heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn eigen mogelijkheden om naast de hypotheek, ook nog investeringen te kunnen doen.

In het licht van het voorgaande zal het hof rekening houden met een investering door de vrouw van € 15.000,-. Dit bedrag heeft zij opgenomen in haar productie 6, onder het kopje “Uitgaven [adres] . van postb rek” en uit mvg, prod. 4 blijkt dat dit bedrag op 22 januari 2010 contant is gestort op de rekening van de man. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat de man in eerste aanleg zelf het volgende heeft verklaard, “[De vrouw] heeft wel in de woning geïnvesteerd, maar hoe veel, dat weet ik zo niet. Misschien zo’n € 10.000,-- a € 20.000,--”, (pv, p. 4). Anders dan de man, naar aanleiding van deze verklaring, in hoger beroep nog heeft aangevoerd, kan de investering niet worden gezien als een bijdrage van de vrouw conform artikel 3B van de samenlevingsovereenkomst (“Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding”).

Met productie 6 geeft de vrouw voor het overige geen inzicht in het door haar gevorderde bedrag. Onder het kopje “Uitgaven [adres] . van postb rek” zijn verschillende posten doorgestreept, de niet doorgestreepte posten zijn verkeerd opgeteld, wat ook geldt voor de overige posten opgenomen in productie 6, en geen van de optellingen leidt afzonderlijk of gezamenlijk tot het door de vrouw gevorderde bedrag van € 69.833,58. Ook uit de inleidende dagvaarding valt niet af te leiden hoe de vrouw komt op (ongeveer) dit bedrag. De vordering is voorts onvoldoende onderbouwd; de facturen (inl. dv., prod 2 tot en met 5) sluiten niet (voldoende inzichtelijk) aan op de posten opgenomen in productie 6. Voor zover de vrouw haar vordering baseert op productie 6 wordt daaraan derhalve (met uitzondering van het hiervoor besproken bedrag van € 15.000,-) voorbijgegaan. De vrouw wijst ten slotte nog kortweg op de bonnen die door de man als productie 4 zijn ingebracht, maar welk bedrag aan investeringen daarmee gemoeid zou zijn (als onderdeel van het door haar in hoger beroep na eiswijziging gevorderde bedrag) laat zij na inzichtelijk te maken.

10.10.4.

De vrouw heeft, ten slotte, nog de wettelijke rente gevorderd over, samengevat, het door de man aan haar te betalen bedrag (van € 15.000,-) vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Die vordering zal het hof toewijzen. Wettelijke rente is desgevorderd verschuldigd vanaf de inleidende dagvaarding (anders dan de man meent, cva, pt. 18), zonder voorafgaande ingebrekestelling.

Verrekening

10.11.1.

Volgens de man moet het door de vrouw geïnvesteerde bedrag worden verrekend met hetgeen zij had moeten bijdragen in de kosten van de huishouding. De man beroept zich hiervoor op artikel 3b van de samenlevingsovereenkomst, dat luidt als volgt: “Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding”.

10.11.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

10.11.3.

Het hof oordeelt als volgt. Het beroep van de man op artikel 3b gaat niet op. De man noemt geen totaalbedrag aan kosten van de huishouding en hij laat verder na inzicht te geven in de onderlinge verhouding van de inkomens van partijen (die bepalend is voor het aandeel in de kosten van de huishouding). Een onderbouwing met stukken van het bedoelde totaalbedrag en de bedoelde onderlinge verhouding heeft de man evenmin gegeven. De man heeft daarmee niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan. Aan het door de man (overigens in algemene termen) gedane bewijsaanbod gaat het hof dan ook voorbij.

Proceskosten

10.12.

Op grond van het bepaalde in art. 237 Rv juncto 353 Rv zal het hof, evenals de rechtbank, de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

11 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 16 april 2014 voor zover daarbij het gevorderde is afgewezen

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, M.J. Van Laarhoven en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 januari 2017.

griffier rolraadsheer