Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3119

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
200.181.553_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontruiming woning wegens huurachterstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.181.553/01

arrest van 11 juli 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellant] (enkelvoud),

advocaat: mr. R. Delgado te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,

tegen

Stichting Stadlander ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als Stadlander ,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 januari 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom onder zaaknummer 4018798/15-1756 gewezen vonnis van 15 juli 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 26 januari 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 mei 2016;

  • -

    de memorie van grieven met negen grieven en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel met een grief en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten (rov. 3.2):

a. [appellant] heeft van Stadlander de woning gehuurd aan de [adres] te [plaats] ;

b. de huurovereenkomst is wegens wanbetaling van [appellant] ontbonden door de kantonrechter bij verstekvonnis van 17 juli 2013;

c. bij dat vonnis is [appellant] eveneens veroordeeld om de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;

d. [appellant] is niet zelf tot ontruiming overgegaan;

e. de ontruiming heeft vervolgens, met behulp van de deurwaarder, plaatsgevonden op 20 augustus 2013 en is, in opdracht van Stadlander , uitgevoerd door verhuisbedrijf [verhuisbedrijf] te [vestigingsplaats] .

6.2.

In deze zaak vordert [appellant] Stadlander te veroordelen tot betaling van € 100.000,- op grond van toerekenbare tekortkoming, onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming. Het gaat daarbij om schade geleden als gevolg van de ontruiming en om een (schade)vergoeding in verband met de aanpassingen van de huurwoning.

In reconventie vorderde Stadlander betaling van € 9.354,13 ter zake van verwijdering van de door [appellant] aangebrachte voorzieningen.

In het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en is hij in reconventie veroordeeld om € 477,- aan Stadlander te betalen.

6.3.

In grief 1 in principaal appel betoogt [appellant] dat de kantonrechter in rechtsoverweging 3.3, waarin het standpunt van [appellant] verkort wordt weergegeven, heeft miskend dat hij zijn vorderingen mede heeft gegrond op toerekenbare tekortkoming. Deze grief voldoet niet aan de eisen die aan een grief mogen worden gesteld nu daarin niet wordt aangegeven dat en hoe de kantonrechter in de dragende overwegingen tot een ander oordeel zou hebben moeten komen op grond van deze nieuwe rechtsgrond, naast de andere rechtsgronden.

Dit neemt niet weg dat het hof bij de beoordeling van de grieven en de vorderingen zonodig mede acht zal slaan op de rechtsgrond toerekenbare tekortkoming.

6.4.

De grieven 3, 4 en 7 in principaal appel, de algemene voorwaarden

6.4.1.

Stadlander heeft zich op de algemene voorwaarden beroepen welke als productie bij conclusie van antwoord zijn overgelegd. De kantonrechter overwoog dienaangaande:

3.8

[appellant] heeft in reactie daarop betwist dat de door Stadlander aangehaalde algemene huurvoorwaarden van toepassing zijn. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat er in het geheel geen algemene voorwaarden van toepassing zijn, kan dit betoog niet slagen nu de toepassing blijkt uit de door Stadlander overgelegde huurovereenkomst. [appellant] heeft in de huurovereenkomst zelfs nog een afzonderlijke handtekening gezet voor de ontvangst van deze algemene huurvoorwaarden. Ter zitting heeft [appellant] erkend dat hij hiervoor getekend heeft maar volgens hem wist hij niet waarvoor hij tekende. Dit verweer treft geen doel. In de huurovereenkomst staat immers in zeer duidelijk bewoordingen “Afzonderlijke handtekening(en) van huurder(s) voor de ontvangst van een eigen exemplaar van de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte als genoemd in artikel 7” Over de betekenis van deze zin kan geen twijfel bestaan. Dat [appellant] , zoals hij zelf ter zitting heeft aangegeven, nalaat te lezen waarvoor hij een handtekening zet, komt voor zijn eigen rekening en risico. Dat er algemene huurvoorwaarden van toepassing zijn staat derhalve vast.

3.9

[appellant] heeft voorts aangevoerd dat de door Stadlander overgelegde algemene huurvoorwaarden buiten toepassing dienen te blijven nu nergens uit blijkt dat dit de met [appellant] overeengekomen voorwaarden zijn. Ook deze stelling treft echter geen doel. Zonder nadere toelichting. die ontbreekt, valt niet in te zien waarom Stadlander andere dan de toepasselijke algemene voorwaarden zou overleggen. Daarbij heeft [appellant] ook op geen enkele wijze aangegeven welke algemene voorwaarden dan wel van toepassing zouden zijn, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Bij de verdere beoordeling van het geschil zal de kantonrechter dan ook uitgaan van de door Stadlander in het geding gebrachte algemene huurvoorwaarden.

6.4.2.

Blijkens de toelichting op grief 3 stelt [appellant] zich niet op het standpunt dat geen algemene voorwaarden zijn overeengekomen, maar wel dat niet blijkt dat de door Stadlander overgelegde algemene voorwaarden van toepassing zijn. De bewijslast drukt op Stadlander . Tot op bewijslevering moet ervan worden uitgegaan dat er geen algemene voorwaarden gelden, zo begrijpt het hof de stelling van [appellant] . Overigens deelt het hof het oordeel van de kantonrechter dat er algemene voorwaarden zijn overeengekomen. In dit verband is wel van belang hetgeen de raadsheer-commissaris op de comparitie na aanbrengen vaststelde, namelijk dat het contract verwijst naar de “Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van verhuurder d.d. 1 juli 2004”.

6.4.3.

[appellant] heeft als productie K bij memorie van grieven een uittreksel uit het handelsregister overgelegd waaruit blijkt dat Stadlander in de periode tussen 30 december 2002 tot 1 januari 2011 de naam Stichting Wonen-West-Brabant droeg. Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, 18 mei 2011, droeg Stadlander derhalve haar huidige naam al, de naam die ook op de Algemene Huurvoorwaarden staat vermeld. In die algemene voorwaarden staat geen datum vermeld, zodat niet kan worden vastgesteld vanaf welk moment die zijn toegepast. Voorshands – gelet op de korte periode tussen 1 januari en 18 mei 2011 - valt niet uit te sluiten dat op laatstgenoemde datum nog de huurvoorwaarden van 1 juli 2004 werden gehanteerd en aan [appellant] zijn uitgereikt, zodat dan die voorwaarden van toepassing zijn.

Overigens hoeven beide sets voorwaarden op de relevante onderwerpen inhoudelijk niet te verschillen.

6.4.4.

Stadlander heeft de algemene voorwaarden van 1 juli 2004 niet overgelegd. Zij dient die algemene voorwaarden alsnog over te leggen. Tevens dient zij nader toe te lichten vanaf welk moment de overgelegde voorwaarden ten name van Stadlander werden gehanteerd.

Stadlander verwijst (punt 48 mva/inc) naar een brief van haar advocaat van 13 mei 2016 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal. Zij stelt niet te kunnen verklaren waarom in het huurcontract naar de algemene voorwaarden 2004 wordt verwezen. Deze brief behoort niet tot de processtukken (het hof heeft deze brief ook niet in het griffiedossier aangetroffen). Maar wat daar ook van zij, de verwijzing naar de algemene voorwaarden 2004 hoeft niet onjuist te zijn als die voorwaarden begin 2011 nog werden gebruikt. Voorshands moet ervan worden uitgegaan dat die voorwaarden 2004 van toepassing zijn, zoals staat vermeld, en het is aan Stadlander aan te tonen dat het anders is. Zij dient zich erover uit te laten of en hoe zij dat wil gaan doen.

[appellant] beschikt kennelijk (ook) over deze voorwaarden uit 2004 want hij verwijst daarnaar in de brief van zijn advocaat van 12 maart 2014 (prod 8 inl. dagv.). [appellant] dient zijn versie in geding te brengen.

Partijen dienen aan te geven in hoeverre – voor zover relevant – de beide sets van voorwaarden van elkaar verschillen en wat de invloed daarvan is voor de beslissing van de geschillen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.5.

De grieven 2 en 5 in principaal appel, de verwijdering van zelf aangebrachte voorzieningen

6.5.1.

Grief 2 in principaal appel keert zich tegen de slotwoorden van rechtsoverweging 3.6 van de bestreden uitspraak, waarin de kantonrechter reageert op de stelling van [appellant] dat de exploten hem niet hebben bereikt. Die overweging luidt:

3.6

Ter zitting heeft [appellant] aangevoerd dat hun huis apart stond van andere huizen in de straat en dat de nummering onduidelijk was. Hierdoor werden door de postbode ook regelmatig brieven verkeerd bezorgd. Deze stelling kan [appellant] echter niet baten. Een deurvaarder is immers geen postbode. De deurwaarder is gebonden aan wettelijke voorschriften en er mag vanuit worden gegaan dat een deurwaarder zorgvuldig te werk gaat bij het betekenen van een exploot. Daarbij komt dat [appellant] tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij destijds meerdere schuldeisers had en dat andere deurwaarders het huis wel wisten te vinden. Het is derhalve niet aannemelijk dat de deurwaarder met betrekking tot de onderhavige procedure de exploten keer op keer op een verkeerd adres zou hebben betekend. Daarbij wist deze deurwaarder de woning op de dag van de ontruiming zelf klaarblijkelijk feilloos te vinden nu deze volgens [appellant] reeds om half negen ’s-ochtends voor de deur stond. Ervan uitgaande dat [appellant] de exploten heeft ontvangen wist hij, of had hij kunnen weten, dat er een vordering tot ontbinding en ontruiming was ingesteld.

Vervolgens is hij op de hoogte gesteld van het verstekvonnis van de kantonrechter en de ontruiming die dit vonnis tot gevolg had. De stelling dat [appellant] geen gelegenheid heeft gehad de woning zelf te ontruimen en daarbij de zelf aangebrachte voorzieningen te verwijderen treft dan ook geen doel. Nu [appellant] van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, heeft dit tot het logische gevolg geleid dat Stadlander zelf tot ontruiming is overgaan.

6.5.2.

Blijkens de toelichting op de grief leest [appellant] in deze overweging dat hij zich voor wat betreft de aangebrachte voorzieningen zou hebben beperkt tot de stelling dat hij deze niet in de gelegenheid is geweest deze voor de ontruiming weg te nemen. Hij stelt zich ook te hebben beroepen op de toestemming van Stadlander voor het aanbrengen van de voorzieningen.

6.5.3.

De grief mist feitelijke grondslag. De kantonrechter heeft de stelling van [appellant] niet over het hoofd gezien maar alleen vastgesteld dat [appellant] op de hoogte was van de ophanden zijnde ontruiming en dus gelegenheid heeft gehad de woning te ontruimen en de zelf aangebrachte voorzieningen te verwijderen. De kantonrechter heeft aldus geoordeeld over de situatie als bedoeld in lid 1 van artikel 7:216 B.W., niet op die van lid 2. Over die situatie heeft de kantonrechter geoordeeld in rechtsoverweging 3.13, waartegen grief 5 zich keert.

6.5.4.

Voor zover [appellant] meent recht te hebben op schadevergoeding, ongeacht het debat over de toestemming voor het aanbrengen van de voorzieningen, faalt de grief. Van het wegneemrecht kan slechts gebruik worden gemaakt tot de (executoriale) ontruiming. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat nu [appellant] van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, hij geen aanspraak heeft op Stadlander . De door [appellant] gesignaleerde onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de exploten doen daar niet aan af. [appellant] grieft immers niet tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] op de hoogte was van de aanstaande ontruiming, althans dat hij dit kon weten en daarop actie had kunnen ondernemen.

6.5.5.

In grief 5 in principaal appel komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 3.13, namelijk dat hij niet voldoende heeft aangetoond dat hij geen toestemming nodig zou hebben van het aanbrengen van de voorzieningen. Blijkens de toelichting op deze grief wordt dit oordeel niet bestreden, maar wordt het standpunt ingenomen dat uitdrukkelijk toestemming is verleend. Stadlander heeft in haar verweer onder meer aangevoerd dat, op grond van de algemene voorwaarden die toestemming schriftelijk verleend dient te worden. [appellant] heeft zich niet op een schriftelijke toestemming beroepen.

Het hof zal deze kwestie aanhouden totdat op de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden is beslist.

6.6.

Grief 6 in principaal appel, immateriële schade

6.6.1.

[appellant] heeft ter zake van immateriële schade een vergoeding gevorderd van € 25.000,- stellende dat hij die schade heeft geleden ‘uit de gang van zaken en het feit dat zijn inboedel is beschadigd en deels verdwenen.’

6.6.2.

Het hof is van oordeel dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt nu de situatie geheel aan [appellant] te wijten is. Hij heeft immers een huurachterstand laten ontstaan, die Stadlander noopte de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming te vorderen, terwijl [appellant] , na het verstekvonnis en de ontruimingsexploten, niet aan zijn verplichting tot ontruiming heeft voldaan. Dat die situatie [appellant] en met name zijn echtgenote heeft aangegrepen zal zo zijn, maar dat kan niet aan Stadlander worden tegengeworpen.

Bovendien acht het hof de stelling dat [appellant] in zijn persoon is aangetast, zoals artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b voorschrijft, onvoldoende onderbouwd. Het beweerde dokterscontact, dat verder niet is onderbouwd, is onvoldoende reeds omdat van een causaal verband met een ongeoorloofde handelwijze niet blijkt.

6.6.3.

De grief faalt.

6.7.

Grief 8 in principaal appel gaat over de toegewezen kosten voor het schoonmaken na de ontruiming door Stadlander , € 450,- plus 6% btw, volgens [appellant] 10 uren à € 45,-. [appellant] voert eerst aan dat hem de gelegenheid had moeten worden geboden zelf voor de schoonmaak zorg te dragen, zoals hij kort voor de ontruiming had aangeboden.

Naar het oordeel van het hof hoefde Stadlander , of de in diens opdracht handelende deurwaarder, [appellant] daartoe niet meer in de gelegenheid te stellen. [appellant] had immers voldoende de tijd gehad om aan de veroordeling tot ontruiming, en deugdelijke oplevering te voldoen. Daarvan had hij geen gebruik gemaakt. Dat [appellant] zich zou houden aan zijn op het laatste moment gedane aanbod, hoefde dan ook niet verwacht te worden. Bovendien bestond er geen contractuele of wettelijke verplichting voor Stadlander om na de ontruiming hem in de gelegenheid te stellen schoon te maken; hetgeen in 6.5.4. is overwogen is van overeenkomstige toepassing.

De stelling van [appellant] dat de kosten buitensporig hoog zijn, is niet nader onderbouwd, en ook overigens is de opgegeven prijs niet onredelijk.

De grief faalt.

6.8.

Grief 9 in principaal appel heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

6.9.

Het hof zal de beoordeling van de grief in incidenteel appel aanhouden nu Stadlander zich ter zake op haar algemene voorwaarden beroept (136 mva/inc).

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 15 augustus 2017 voor het nemen van een akte aan de zijde van Stadlander met het in rechtsoverweging 6.4.4 genoemde doel. [appellant] kan een antwoordakte nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.G.W.M. Stienissen en J.W. van Rijkom en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 juli 2017.

griffier rolraadsheer