Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3110

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
20-001386-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:2384, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft getracht de hem achtervolgende, naast hem rijdende, agenten van de weg te drukken door met hoge snelheid, bewust slingerende bewegingen te maken, op een weg waarlangs bomen stonden. In tegenstelling tot de rechtbank komt het hof tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast acht het hof bewezen dat verdachte een agent heeft mishandeld door hem te pepperen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/161
Jwr 2017/41 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001386-15

Uitspraak : 12 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s Hertogenbosch, van 24 april 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-865131-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande en volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1A, 1B, 2 en 3 aan verdachte ten laste is gelegd en hem ter zake van de feiten 1A, 2 en 3 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, en verdachte ter zake van feit 1B zal veroordelen tot 2 weken hechtenis, alsmede ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren.

Ter zake van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] heeft de advocaat-generaal het hof verzocht deze geheel toe te wijzen, zoals ook de rechtbank heeft gedaan, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit ter zake van het onder 1A, 2 en 3 ten laste gelegde. Ter zake van het ten laste gelegde onder 1B refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. In het licht van de bepleitte vrijspraak heeft de verdediging het hof verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de tenlastelegging is gewijzigd en daarmee de grondslag is gewijzigd. Voorts komt het hof tot een andere bewezenverklaring dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1A:
hij op of omstreeks 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (aan) [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , werkzaam als politieambtenaren van politie Eenheid Oost-Brabant, van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (Honda) met hoge, althans aanmerkelijke snelheid een (naast hem rijdende) (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, heeft getracht van de weg te drukken en/of heeft afgesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of


1B:
hij op of omstreeks 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Meester van Coothstraat,

- met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of

- niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar met die hoge snelheid (ongeveer 150 kilometer per uur) slingerend naar rechts en naar links (wisselend van rijstrook) is gereden, terwijl toen en daar een ander voertuig (politievoertuig) reed, welke moest uitwijken en/of (krachtig) moest afremmen teneinde een aanrijding met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te voorkomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2:
hij op of omstreeks 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , politieambtenaar van politie Eenheid Oost-Brabant, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, bij die [verbalisant 1] pepperspray, althans een weerloos makende en/of irriterende gas/vloeistof in de ogen en/of (elders) in het gezicht gespoten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3:
hij op of omstreeks 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, in het bezit was van een valse of vervalste identiteitskaart, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de identiteitskaart op een andere naam was gesteld dan die van verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Verdachte heeft de politie een internationaal rijbewijs getoond, afgegeven door het Verenigd Koninkrijk, waarop de pasfoto van verdachte is afgebeeld en niet zijn naam maar de naam van [naam] is vermeld. Verdachte heeft verklaard dat het een officieel afgegeven rijbewijs is met alleen een verkeerde naam erop. Uit het dossier blijkt niets dat deze verklaring weerspreekt. Nog daargelaten de vraag of een dergelijk rijbewijs kan worden bestempeld als een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de -kort gezegd- Europa (als bedoeld in art. 1, lid 1 aanhef en onder 4e van de Wet op de Identificatieplicht), in ieder geval is niet voldaan aan het vereiste dat de houder in Nederland woonachtig is. Verdachte heeft van meet af aan opgegeven dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had. Dientengevolge is er geen sprake van een identiteitskaart in de zin van de tenlastelegging en zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1A, 1B en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1A:
hij op 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (aan) [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , werkzaam als politieambtenaren van politie Eenheid Oost-Brabant, van het leven te beroven,

met dat opzet meermalen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (Honda) met hoge snelheid een (naast hem rijdende) (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, heeft getracht van de weg te drukken en/of heeft afgesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en


1B:
hij op 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Meester van Coothstraat,

- met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en

- niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar met die hoge snelheid slingerend naar rechts en naar links is gereden, terwijl toen en daar een ander voertuig (politievoertuig) reed, welke krachtig moest afremmen teneinde een aanrijding met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te voorkomen,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;

2:
hij op 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , politieambtenaar van politie Eenheid Oost-Brabant, gedurende de rechtmatige uit-oefening van zijn bediening, heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, bij die [verbalisant 1] pepperspray in het gezicht gespoten, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft onder-vonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

Het hof acht voor zijn oordeel de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Ter zake van de feiten 1A en 1B:

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

van de politie Eenheid Oost-Brabant van 29 oktober 20142 staat vermeld dat zij

op dinsdag 28 oktober 2014 belast waren met de algehele surveillance in de eenheid Oost-Brabant. Zij reden in een onopvallend dienstvoertuig in Lith en zagen dat twee voertuigen van het woonwagencentrum af kwamen rijden; een Audi en een Honda. Nadat de verbalisanten de twee auto’s hebben laten passeren, zijn zij de auto’s gevolgd en zagen zij dat de auto’s uit eigen beweging tot stilstand kwamen. De verbalisanten zagen dat beide bestuurders hun voertuigen verlieten en op imponerende wijze naar hen toe liepen. [verbalisant 1] herkende de bestuurder van de Audi, type A6, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , ambtshalve als [medeverdachte] , geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats] . De verbalisanten zagen dat de bestuurder van de Honda, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , kennelijk schrok en naar zijn personenauto liep met versnelde pas, waarna hij instapte en weg reed. De verbalisanten hebben er vervolgens voor gekozen om de bestuurder van de Honda een stopteken te geven ter controle van de regels gesteld in de Wegenverkeerswet 1994, RVV alsmede het Voertuigreglement. De verbalisanten reden enkele meters met het dienstvoertuig, waarna zij het transparante stopbord activeerden en een stopteken gaven aan de bestuurder van de Honda.

In dit proces-verbaal vermelden zij voorts het volgende:3

“Wij, verbalisanten, zagen op de geijkte snelheidsmeter van het dienstvoertuig 150

kilometer per uur aangaf. Wij, verbalisanten, zagen dat wij niet dichterbij kwamen bij de

betreffende Honda. (…) Wij, verbalisanten, zagen daarop dat de bestuurder van de

betreffende Honda wederom in de richting van Maren-Kessel reed over de Meester van

Coothstraat. Wij, verbalisanten, hebben daarop het betreffende voertuig dicht kunnen

naderen. Wij, verbalisanten, zagen dat de geijkte snelheidsmeter 140 kilometer per uur

aangaf. Ik, [verbalisant 2] , heb daarop getracht het voertuig aan de linkerzijde van

de weg in te halen. Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder daar direct op reageerde

door zeer snel naar links te sturen. Wij, verbalisanten, reden al naast de betreffende

voertuig. Ik, [verbalisant 2] , moet zeer hard remmen om een aanrijding met de

betreffende Honda te voorkomen. Ik, [verbalisant 2] , probeerde het daarna aan de

andere zijde echter wederom werd abrupt de pas afgesneden. Wij, verbalisanten, hadden sterk de indruk dat de bestuurder van de Honda ons opzettelijk wilde laten verongelukken door middel ons aan te rijden danwel te laten crashen op een boom. Wij, verbalisanten, verklaren dat ook hier zeer dikke bomen aan beide zijde van de weg aanwezig waren. Wij, verbalisanten, voelde ons ernstig bedreigd en waren zeer bang door de acties van de bestuurder van de Honda. Wij, verbalisanten, verklaren dat wij meerdere malen getwijfeld hebben om de achtervolging voort te zetten, dit daar er meerdere malen was getracht ons zwaar lichamelijk letsel toe te brengen danwel ons te laten verongelukken.”

In een aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 3] van 15 december 2014

staat vermeld dat de toegestane maximum snelheid voor motorvoertuigen op de Meester van

Coothstraat 80 kilometer per uur bedroeg.4

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte het navolgende verklaard:5

“Ik dacht: “Ik ga er vandoor”, want ik vertrouwde het niet. Ze hebben naderhand wel de zwaailichten aan gedaan. (…) De auto had ook lichten in de grille. Ik heb ook het bord “stop politie” gezien. (…) Ik reed in een Honda. (…) Ik heb gemerkt dat ze er langs wilden, maar ik heb ze er niet langs gelaten. Ik heb slingerende bewegingen gemaakt. (…) Ik heb niet gekeken hoe hard ik reed. Het klopt dat er langs die weg in de berm veel bomen staan. De bomen staan twee meter van de weg vandaan.”

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte de volgende verklaring afgelegd:6

“Ik had nog een straf van 4 maanden open staan. (…) Ik vermoedde dat het criminelen waren, maar het zou ook de politie kunnen zijn. Die wilde ik omdat ik nog 4 maanden staan, ook ontwijken. (…) Ik heb bewust slingerende bewegingen gemaakt. Langs het hele traject waar het nu over gaat stonden bomen.”

Ter zake van feit 2:

In het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] staat het volgende vermeld:7

“Wij, verbalisanten, zagen dat (...) de bestuurder van de Honda de controle over het

voertuig verloor waardoor de auto in de slip raakte en rustig in de sloot tot volledige

stilstand kwam. (...) Ik, [verbalisant 1] , ben naar de bestuurder van de personenauto

gerend en heb hem aan de bestuurderszijde uit de reeds openstaande deur getrokken. Ik, [verbalisant 1] , heb met luide stem geroepen naar de bestuurder dat hij was aangehouden. (...)Ik, [verbalisant 1] , zag en voelde dat verdachte ineens vol in het verzet ging toen hij op de slootkant lag. (...) Ik, [verbalisant 1] , heb daarop de van dienstwegen verstrekte pepperspray in mijn rechterhand genomen en heb getracht het gelaat van de bestuurder te benevelen, dit lukte maar deels. Ik, [verbalisant 1] , zag en voelde dat bestuurder met zeer veel kracht met rechterarm vastpakte en deze naar de vaste grond trok. Door de grote kracht welke de bestuurder op mijn arm uitoefende kon ik de pepperspray niet vasthouden. Ik, [verbalisant 1] , zag en voelde dat bestuurder met de van dienstwegen verstrekte pepperspray mij in mij gelaat spoot. Ik, [verbalisant 1] , voelde een brandende pijn aan de gehele linkerzijde van gezicht.”

In een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van

30 oktober 20148 staat vermeld dat deze verbalisanten op dinsdag 28 oktober 2014 ter

plaatse kwamen in Lith, nadat een voertuig van het merk Honda door collega’s tot stilstand

was gebracht. [verbalisant 4] hoorde collega [verbalisant 1] zeggen “ik ben gepepperd” en zag

dat de linkerzijde van zijn gezicht rood van kleur was. Hij hoorde dat [verbalisant 1] last van zijn oog

had.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit ter zake van de aan verdachte ten laste gelegde feiten onder 1A en 2. Daartoe heeft hij – kort en zakelijk weergegeven – de volgende punten naar voren gebracht.

1.
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die in deze zaak niet alleen verbalisant maar ook aangever zijn, is op punten aangedikt en overdreven. Daarnaast hebben voornoemde verbalisanten deels identieke processen-verbaal opgesteld. Om deze redenen zet de raadsman van verdachte vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de verbalisanten en de door hen opgemaakte processen-verbaal.

2.
De handelingen van verdachte moeten worden bezien in het licht dat hij op een liquidatielijst staat. De verbalisanten reden in een onopvallende politieauto, de agenten waren de auto niet uit geweest en door een autoruit kan men vaak niet goed zien wie er in de auto zit. Wanneer verdachte de politie-uniformen zou hebben gezien, had verdachte daaruit niet hoeven afleiden dat het daadwerkelijk om politie ging, daar criminelen zich vaker kleden als politieagent. Ook worden er in het criminele circuit auto’s omgebouwd tot politieauto, compleet met zwaailichten op het dak. Ook de omstandigheid dat de auto waarin verdachte reed niet zijn eigen auto was, maar op naam stond van een jonge vrouw – en waarmee dus geen link met verdachte te leggen was – leidde bij verdachte tot de angst dat de inzittenden het op hem gemunt hadden.

3.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt dat zij relateren dat er snelheden van 150 kilometer per uur worden gehaald, dat zij niet dichtbij de Honda kunnen komen en dat zij op veilige wijze hebben getracht de Honda tot stoppen te dwingen. Het is niet aannemelijk dat wanneer de achtervolging daadwerkelijk bloedgevaar-lijk was, de verbalisanten zouden blijven proberen de Honda tot stoppen te dwingen. De gedragingen van verdachte zijn dan ook zeker niet te kwalificeren als een poging tot doodslag, noch als een poging tot zware mishandeling, aldus de raadsman. Daarbij komt dat het niet aannemelijk is dat verdachte de aanmerkelijke kans op een ongeluk, waarbij hij ook zelf om het leven had kunnen komen, bewust heeft aanvaard. In dit kader verwijst de raadsman naar het zogenoemde Porsche-arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 1995 (NJ 1997, 199). Als verdachte al een kans heeft aanvaard, dan was het die op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.

Ter zake van de onder 1B aan verdachte ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof is van oordeel dat de zijdens de verdachte bepleite vrijspraak van hetgeen onder 1A en onder 2 aan hem ten laste is gelegd, wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Ter zake van het bewezen verklaarde onder 1A en 1B overweegt het hof het navolgende.

Ad 1.

Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , dit alles in het licht van hun op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en de nadere nuanceringen in de vorm van de op verzoek van de verdediging afgenomen verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris en bij de raadsheer-commissaris, alsmede de in opdracht van het openbaar ministerie opgestelde aanvullende processen-verbaal. De enkele feiten dat voornoemde verbalisanten zelf betrokkenen zijn bij de ten laste gelegde feiten en dat zij bij de formulering van hun waarnemingen c.q. bevindingen gebruik hebben gemaakt van elkaars formuleringen, maakt dit niet anders. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat hun bevindingen c.q. waarnemingen zeer specifieke details bevatten en steun vinden in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaringen van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 april 2015 en in hoger beroep d.d. 28 juni 2017, zoals hierboven opgenomen.

Ad 2.

Het hof stelt voorop dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij heeft gezien dat de auto waarin de verbalisanten zich bevonden niet alleen op enig moment de zwaailichten aan had, maar ook lichten had in de grille en dat de inzittenden in die auto hem een stopteken gaven toen hij voor hen in de Honda reed. Verdachte diende er dan ook van uit te gaan dat het opsporingsambtenaren van de politie waren, tenzij er feiten en omstandigheden waren die maakten dat hij aan de echtheid daarvan konden en mochten twijfelen. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Overigens heeft de raadsman aan zijn stellingen hieromtrent evenmin een conclusie verbonden.

Het hof acht het niet aannemelijk dat wanneer verdachte en zijn broer daadwerkelijk vermoedden dat de inzittenden van het onopvallende dienstvoertuig het op hem gemunt zouden hebben, zij dan hun auto’s tot stilstand zouden hebben gebracht en op imposante wijze de inzittenden zouden hebben benaderd.

Ad 3.

In de casus van het door de verdediging aangehaalde arrest had de veroorzaker van het dodelijke ongeval voorafgaand aan zijn fatale manoeuvre, zodanig weggedrag vertoond – uitdrukkelijk duidend op lijfsbehoud en ter voorkoming van een ongeval – dat de Hoge Raad in dat geval concludeerde dat de veroorzaker geen opzet op het ongeval had.

Daarentegen heeft verdachte in deze zaak, op een weg waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold, met snelheden van rond de 140 kilometer per uur gereden, terwijl hij bewust slingerende bewegingen maakte, waardoor de verbalisanten hun weg niet konden vervolgen. Langs het hele traject stonden bomen en het spreekt voor zich dat reacties van de verbalisanten op het gevaarlijke verkeersgedrag van verdachte had kunnen leiden tot een botsing met een boom, waarbij gezien de omstandigheden een aanmerkelijke kans bestond dat zij het leven zouden kunnen laten. Verdachte heeft het erop aangestuurd de bomen de schade aan (de auto van) de verbalisanten te laten toebrengen, terwijl hij niet hoefde te vrezen dat hij zelf in gevaar zou komen. Uit dit rijgedrag van verdachte, in de beschreven context, leidt het hof af dat verdachte een aanrijding met zeer ernstige gevolgen voor andere weggebruikers op de koop toe heeft genomen. In die zin heeft verdachte dan ook willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door zijn gedragingen de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zou veroorzaken. Daarmee is het voorwaardelijk opzet van verdachte in dezen gegeven.

Voor zover de verdediging overigens nog bewijsverweren heeft gevoerd, vinden deze hun weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen, zodat deze geen (nadere) bespreking behoeven.

Het hof acht de impliciet primair onder 1A ten laste gelegde poging tot doodslag op de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wettig en overtuigend bewezen.

Ter zake van het bewezen verklaarde onder 2 overweegt het hof het volgende.

Op grond van de voormelde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en

overtuigend is bewezen dat verdachte [verbalisant 1] heeft mishandeld door hem met

pepperspray in het gezicht te spuiten. In het licht van hetgeen het hof hierboven onder Ad 1. heeft overwogen, gaat het hof uit van de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Uit dit proces-verbaal blijkt dat [verbalisant 1] de pepperspray als gevolg van het handelen van verdachte niet meer kon vasthouden en dat verdachte hem vervolgens in het gezicht spoot. In het licht hiervan, acht het hof de verklaring van verdachte dat hij de hand van de verbalisant, waarin verbalisant de pepperspray vasthield, alleen maar heeft afgeweerd, niet geloofwaardig.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1A en 1B bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van poging tot doodslag, meermalen gepleegd

en

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking gekomen.

Verdachte heeft met zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor de politieagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in het leven geroepen en heeft zich niets aangetrokken van hun belangen, noch van de gevolgen die zijn handelen voor hen kon hebben. Deze gedragingen, en in het bijzonder de poging tot doodslag, hebben een grote indruk op de beide verbalisanten gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten – ook politieagenten – ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks leven. Uit de onderbouwing van de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt het hof rekening met de omstandigheid

dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2017, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake geweldsdelicten.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt wat de gevolgen van verdachtes handelen hadden kunnen zijn voor de slachtoffers. Dat die gevolgen uiteindelijk relatief zijn meegevallen, is niet aan de verdachte te danken.

Het hof is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving ter zake van de eendaadse samenloop van de impliciet primair onder 1A bewezen verklaarde poging tot doodslag met de onder 1B bewezen verklaarde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de bewezen verklaarde mishandeling onder 2, en gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast acht het hof ter zake van het bewezen verklaarde onder 1A, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

De benadeelde partij [verbalisant 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 508,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte beide hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de totale toegewezen vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verbalisant 2] als gevolg van verdachtes onder 1A bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 254,00, namelijk door het hof begroot tot de helft van gevorderde bedrag, daar de feiten die ten laste van verdachte andere feiten zijn dan die in de zaak tegen de [medeverdachte] zijn bewezen en zij ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor hun gedeelte van de bij de benadeelde partij veroorzaakte schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake tevens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij [verbalisant 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 558,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 558,00, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte beide hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een bedrag van € 508,00. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat verdachte ook aansprakelijk is voor het resterende deel van de vordering, te weten € 50,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verbalisant 1] als gevolg van verdachtes onder 1A bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 254,00, namelijk door het hof begroot tot de helft van het voor dit feit gevorderde bedrag, daar de feiten die ten laste van verdachte andere feiten zijn dan die in de zaak tegen de [medeverdachte] zijn bewezen en zij ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor hun gedeelte van de bij de benadeelde partij veroorzaakte schade, en dat als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade aan de benadeelde partij [verbalisant 1] is toegebracht tot een bedrag van € 50,00. Verdachte is tot vergoeding van deze schade van in totaal € 304,00 gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake tevens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 62, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1A, 1B en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1A bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 2] ter zake van het onder 1A bewezen verklaarde tot het bedrag van € 254,00 (tweehonderdvierenvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 2] , ter zake van het onder 1A, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 254,00 (tweehonderdvierenvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het onder 1A en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 304,00 (driehonderdvier euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1] , ter zake van het onder 1A en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 304,00 (driehonderdvier euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aldus gewezen door

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.M. van Keulen, griffier,

en op 12 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van de Politie Eenheid Oost-Brabant, BBN District Maasland, BBN D2 – Districtelijke Opsporing, met dossiernummer PL2100-2014153431, afgesloten d.d. 28 november 2014 (hierna: eindproces-verbaal).

2 Eindproces-verbaal, p. 62-63.

3 Eindproces-verbaal, p. 64.

4 Aanvullend proces-verbaal van de Politie Oost-Brabant, Divisie Informatie en Opsporing, BVH 2014153431, op ambtseed opgemaakt op 15 december 2014 door [verbalisant 3] , Brigadier, 3/3.

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2015.

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 28 juni 2017.

7 Eindproces-verbaal, p. 65.

8 Eindproces-verbaal, p. 79.