Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3107

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
20-003834-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:6836, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 248a en 247 Sr: Veroordeling ter zake van (poging tot) verleiding en ontucht. Schakelbewijs. Hof verwerpt verweer dat er, gelet op het TiQ van verdachte van slechts 57 en de daaraan gekoppelde ontwikkelingsleeftijd van rond de 10 jaar, geen bewijs is dat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003834-15

Uitspraak : 10 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-865048-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden als verwoord in het reclasseringsrapport. Voorts heeft de advocaat-generaal toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door de verdediging is ten aanzien van alle feiten primair vrijspraak bepleit, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij verzocht om die af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren met verwijzing naar de civiele rechter.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof, anders dan de rechtbank, tot een bewezenverklaring komt.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 30 december 2011 tot en met 31 december 2011 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, een persoon, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 1997, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen, te weten het zichzelf aftrekken door die [slachtoffer 1] in het bijzijn van hem, verdachte, te plegen of zodanige handelingen van hem, verdachte, te dulden, met voornoemd opzet - zakelijk weergegeven - die [slachtoffer 1] een geldbedrag van euro 30,- heeft aangeboden en/of in het vooruitzicht heeft gesteld als die [slachtoffer 1] zichzelf in het bijzijn van hem, verdachte zou aftrekken, zulks terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.
hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2011 tot en met 1 mei 2013 te Oss een of meermalen door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, te weten door het aanbieden en/of ter beschikking stellen en/of overhandigen van een geldbedrag van 30,- euro en/of door uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gelet op het leeftijdsverschil en/of de hoedanigheid van verdachte als werkgever, een persoon, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag] 1996, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het aftrekken van hem, verdachte, door die [slachtoffer 2] en/of het aftrekken van die [slachtoffer 2] door hem, verdachte, te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;


3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 juni 2011 tot en met 19 juni 2013 te Oss, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag] 1998, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het vastpakken en/of betasten van en/of knijpen in de penis van die [slachtoffer 3] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 30 december 2011 tot en met 31 december 2011 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften of beloften van geld een persoon, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 1997, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen, te weten het zichzelf aftrekken door die [slachtoffer 1] in het bijzijn van hem, verdachte, te plegen of zodanige handelingen van hem, verdachte, te dulden, met voornoemd opzet - zakelijk weergegeven - die [slachtoffer 1] een geldbedrag van euro 30,- heeft aangeboden en/of in het vooruitzicht heeft gesteld als die [slachtoffer 1] zichzelf in het bijzijn van hem, verdachte zou aftrekken, zulks terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.
hij in de periode van 28 juni 2012 tot en met 1 mei 2013 te Oss meermalen door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten door uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gelet op het leeftijdsverschil en/of de hoedanigheid van verdachte als werkgever, een persoon, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag] 1996, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen, te weten het aftrekken van hem, verdachte, door die [slachtoffer 2] en/of het aftrekken van die [slachtoffer 2] door hem, verdachte, te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden;


3.
hij op tijdstippen in de periode van 4 juni 2011 tot en met 19 juni 2013 te Oss, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag] 1998, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande uit het vastpakken en/of betasten van en/of knijpen in de penis van die [slachtoffer 3] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door de raadsman is met betrekking tot feit 2 partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de periode van 28 juni 2011 tot en met september 2012, aangezien [slachtoffer 2] heeft verklaard pas in de herfst van 2012 bij verdachte te zijn gaan werken. Het hof is met de raadsman van oordeel dat er een te ruime periode is ten laste is gelegd, maar zal daarbij voor wat betreft de aanvang van de periode afgaan op de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij vanaf zijn 16e jaar bij verdachte is gaan werken, derhalve vanaf 28 juni 2012.

Het hof is het voorts met de raadsman eens dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat [slachtoffer 2] door het aanbieden en/of ter beschikking stellen en/of overhandigen van een geldbedrag van 30,- euro werd bewogen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

1.

Ten aanzien van alle feiten is door de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van concreet onafhankelijk steunbewijs voor de ten laste gelegde gedragingen, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het hof overweegt als volgt.

Volgens art. 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de bewezenverklaring als geheel en vereist niet dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Voorts strekt de bepaling ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Het hof merkt voorts op dat, bij gebruik van schakelbewijs, het niet noodzakelijk is dat ten minste één feit zelfstandig bewezen moet worden, zoals de rechtbank heeft overwogen.

In de onderhavige zaak is sprake van drie aangiften tegen dezelfde persoon, verdachte.

De drie jongens waarop de aangiften betrekking hebben, hebben in hun aangiften dan wel nadere verhoren verklaringen afgelegd die telkens belangrijke overeenkomsten vertonen op essentiële punten. Allereerst hebben alle drie de jongens voor verdachte gewerkt als hulp bij het opbouwen van marktkramen en kwamen zij voor en/of na die werkzaamheden bij verdachte thuis. Zij hebben alle drie verklaard dat de handelingen plaatsvonden in de woning van verdachte. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat er ook porno werd gekeken tijdens het aftrekken en [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij pornofilms heeft zien liggen in de woning van verdachte en dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij die nog een keer samen met [slachtoffer 3] wilde kijken. Ook hebben zij alle drie verklaard dat verdachte geld aanbood dan wel betaalde voor het verrichten dan wel toelaten van seksuele handelingen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] spreken zelfs over hetzelfde bedrag van € 30,00.

De verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ondersteunen derhalve elkaar in voldoende mate om over en weer als steunbewijs te gelden. Voorts worden deze verklaringen nog ondersteund door het verslag van het informatief gesprek dat twee verbalisanten op 4 augustus 2013 hebben gevoerd met [betrokkene] . Daarin wordt beschreven dat [betrokkene] heeft verklaard dat hij bij verdachte werkte, na het opbouwen van de markt mee naar de woning van verdachte ging, dat verdachte dan altijd wilde stoeien en dat verdachte tijdens het stoeien [betrokkene] bij zijn edele delen betastte.

Het hof verwerpt het verweer.

2.

Door de verdediging is aangevoerd dat, gezien de volkomen tegenstrijdige verklaringen van [slachtoffer 3] en de omstandigheden dat [slachtoffer 3] met zijn vriendjes heeft gesproken over verdachte, hij zeer jong was ten tijde van het afleggen van de verklaring en blijkens het dossier te kampen heeft met een verstandelijke beperking, de verklaringen van [slachtoffer 3] onbetrouwbaar zijn en niet voor bewijs gebruikt moeten worden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen reden om de verklaringen van [slachtoffer 3] tegenstrijdig te achten. Op 19/20 juni 2013 is er een informatief gesprek gevoerd met [slachtoffer 3] . Op 27 augustus 2013 heeft de moeder van [slachtoffer 3] aangifte gedaan en op 27 januari 2014 is [slachtoffer 3] zelf door de politie gehoord. Uit alles blijkt dat [slachtoffer 3] het erg moeilijk vindt om te praten over wat er tussen hem en verdachte is voorgevallen, hetgeen het hof gelet op de aard van de handelingen en de leeftijd van [slachtoffer 3] invoelbaar acht. Dat hij daarom op verschillende momenten anders heeft verklaard, maakt nog niet dat zijn verklaringen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn. Overigens zijn de verklaringen van [slachtoffer 3] in grote lijnen consistent te achten. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de leeftijd of de verstandelijke beperking van [slachtoffer 3] invloed hebben gehad op de betrouwbaarheid van zijn verklaring.

Het hof acht de verklaring van [slachtoffer 3] , voor zover tot bewijs wordt gebezigd, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Deze verklaring vindt niet alleen steun in de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar ook in de verklaring van [betrokkene] . Het is niet aannemelijk geworden dat er tussen de jongens tevoren onderling afspraken zijn gemaakt over wat ze zouden verklaren. Dat blijkt ook niet uit de inhoud van hun verklaringen.

Het hof verwerpt het verweer.

3.

Ten aanzien van feit 2 is door de verdediging aangevoerd dat er geen bewijs is dat verdachte door misbruik te maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer 2] opzettelijk heeft bewogen tot het over en weer aftrekken.

De raadsman voert aan dat, gelet op het TiQ van verdachte van slechts 57 en de daaraan gekoppelde ontwikkelingsleeftijd van rond de 10 jaar, afgevraagd moet worden of verdachte zich überhaupt bewust is geweest van het bestaan van dat ‘overwicht’ (dat bestaat uit een hogere kalenderleeftijd en werkgever-werknemer verhouding) en voorts of hij dat overwicht bewust heeft misbruikt om [slachtoffer 2] te bewegen tot ontuchtige handelingen. Nu de vraag over het opzet op basis van dit dossier niet kan worden beantwoord, kan het tenlastegelegde niet worden bewezen en dient vrijspraak te volgen.

Het hof overweegt als volgt.

Niet wordt betwist dat er sprake was van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, bestaande uit een hogere kalenderleeftijd en de omstandigheid dat verdachte werkgever was van de jongens in kwestie. Het hof merkt daarbij nog op dat verdachte een grote, stevige man is en dat hij als werkgever kennelijk adequaat wist te handelen.

Naar het oordeel van het hof blijkt het opzet op het misbruik van dat overwicht uit de aard van de handelingen en de context waarbinnen deze hebben plaatsgevonden, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen.

Het hof verwerpt het verweer.

Er zijn, ook overigens, geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot door giften of beloften van geld of goed een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of van hem te dulden, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffend rapport, d.d. 10 februari 2014, opgemaakt door drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Het rapport houdt voorts als oordeel van de deskundige in dat als gevolg van die stoornis de feiten hem minstens in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof volgt deze conclusies zoals verwoord in het rapport van de deskundige en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan het hof zou moeten concluderen tot een hogere mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid, zodat het hof van oordeel is dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door het plegen van de bewezen verklaarde feiten de lichamelijke en geestelijke integriteit van de jeugdige slachtoffers heeft geschonden. Het is algemeen bekend dat jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later nadelige, psychische gevolgen kunnen ondervinden;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in hem als werkgever door de jeugdige slachtoffers mocht worden gesteld.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de lange tijd die sinds het plegen van de feiten is verstreken;

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 april 2017 waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld;

  • -

    de inhoud van het hem betreffend rapport d.d. 10 februari 2014, opgemaakt door drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog, waaruit naar voren komt dat verdachte kampt met een ernstige verstandelijke beperking, die, zoals hiervoor besproken, ertoe leidt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is;

  • -

    de hem betreffende reclasseringsadviezen van Reclassering Nederland, met name die van 28 mei 2015, waarin wordt geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen passend bij het bewezen geachte delict en als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht en een behandelverplichting, zoals in dat rapport nader omschreven.

Alles overziend is het hof van oordeel dat het zwaartepunt van de strafoplegging dient te liggen bij begeleiding en mogelijke behandeling van verdachte.

Het hof is echter van oordeel dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf (met voorwaarden) als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin de aard en de ernst van de feiten onvoldoende tot uitdrukking komt. Zoals hiervoor reeds overwogen betreft het hier jonge jongens wiens lichamelijke en geestelijke integriteit verdachte heeft geschonden. Naar het oordeel van het hof kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Het hof zal de duur daarvan beperken tot de duur van het voorarrest, maar zal daarnaast ook nog, in plaats van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.

Voorts zal het hof een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daaraan verbonden de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Met deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de strafvervolging van verdachte is in eerste aanleg de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, met twee weken geschonden. Deze overschrijding is zo gering dat het hof zal volstaan met de enkele constatering daarvan.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 150,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Door de verdediging is verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat deze zich niet leent voor behandeling in de strafprocedure en een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daartoe is aangevoerd dat, gelet op de toelichting op de vordering inhoudende dat de benadeelde partij zich ongemakkelijk/onprettig heeft gevoeld, niet de conclusie kan worden getrokken dat er sprake is van psychische schade die, op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, tot vergoeding kan leiden.

Het hof verwerpt het verweer.

Allereerst wordt door de benadeelde partij niet alleen gesteld dat hij zich ongemakkelijk/onprettig heeft gevoeld, maar ook dat hij zich aangetast voelde in zijn persoonlijke integriteit.

Het hof stelt vast dat aan de benadeelde partij, die op dat moment 14 jaar oud was, door een oudere, grote man, die ook nog eens zijn werkgever was, een aanbod is gedaan om zich voor € 30,00 in zijn bijzijn af te rukken. Weliswaar heeft de benadeelde partij dat aanbod niet aanvaard, waardoor het bij een poging is gebleven, maar door dit aanbod van verdachte heeft de benadeelde zich lange tijd psychisch zeer ongemakkelijk gevoeld. Ook al is het in het onderhavige geval gebleven bij een poging (ook een misdrijf), het hof acht alleszins aannemelijk dat, gelet op de aard en omstandigheden waaronder een en ander zich heeft voltrokken, er sprake is geweest van een persoonsaantasting of, zoals de benadeelde partij het zelf omschrijft, dat hij zich aangetast heeft gevoeld in zijn persoonlijke integriteit.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van het door hem gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 57, 63, 247 en 248a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 86 (zesentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

De veroordeelde/verdachte moet zich binnen 48 uur na het onherroepelijk worden van dit arrest melden bij Reclassering Nederland regio Zuid via 040 2651180. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Behandelverplichting — Ambulante behandeling

De veroordeelde/verdachte wordt verplicht om mee te werken aan een intake en een

eventueel hieruit voortvloeiende behandeling bij Kairos Nijmegen of een soortgelijke ambulante forensische behandelinstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde/verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aldus gewezen door

mr. H.A.W. Vermeulen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 10 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. K. van der Meijde en mr. H. Harmsen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.