Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3106

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
20-001360-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3665, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Moord. Bewijsoverwegingen voorbedachte raad en opzet op de dood.

Het Bossche hof veroordeelt de verdachte, evenals de rechtbank te Maastricht en zoals gevorderd door het Openbaar Ministerie, tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich op woensdag 6 mei 2015 in Reijmerstok schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn collega. Tijdens het werk vonden meerdere confrontaties plaats tussen de verdachte en het slachtoffer. Deze confrontaties mondden uit in ruzie, waarbij de moeder van de verdachte door het slachtoffer werd beledigd. De verdachte heeft kennelijk naar aanleiding daarvan het besluit genomen om het slachtoffer om het leven te brengen. Na het slachtoffer te hebben gebeld met de mededeling dat hij moest komen, heeft de verdachte hem opgewacht. Toen het slachtoffer arriveerde, is de verdachte direct op hem afgelopen en heeft hij hem met een kort daarvoor gekocht mes viermaal in het lichaam gestoken. Ten gevolge van een steekwond in de borst is het slachtoffer overleden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001360-16

Uitspraak : 6 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 april 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-700220-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] in Griekenland op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Zuid West –

De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vordering voor het overige deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is daartegen hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met verbetering van de bewijsvoering.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsman geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.


Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 mei 2015 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem,

[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het lichaam te steken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 6 mei 2015 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval in het lichaam te steken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 mei 2015 te Reijmerstok, in de gemeente Gulpen-Wittem, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door deze [slachtoffer] met een mes in de borst te steken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in de aan dit arrest gehechte aanvulling.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Volgens de verdediging heeft de verdachte namelijk gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij zou immers hebben gereageerd op een klap die het slachtoffer [slachtoffer] aan de verdachte zou hebben gegeven. Daarnaast verklaarde de verdachte vrijwel direct na aankomst van de politie dat hij een black-out had. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdachte geen handeling heeft verricht om zijn daderschap te verhullen en dat hij het mes kocht uit angst voor [slachtoffer] . In de visie van de verdediging leiden deze contra-indicaties ertoe dat geen sprake is van voorbedachte raad, waardoor de verdachte van moord moet worden vrijgesproken.

B.
Vaststaat dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] met een mes in de borst heeft gestoken als gevolg waarvan deze is overleden.

Het hof ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

D.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt van de navolgende feiten en/of omstandigheden.

De verdachte heeft op woensdag 6 mei 2015 gedurende de dag op het werk ruzie met het slachtoffer [slachtoffer] . Aan het eind van de werkdag, ongeveer om 17.10 uur, zijn er weer problemen tussen hen. Ze schelden tegen elkaar. [slachtoffer] heeft tegen de verdachte “Fuck your mother” geroepen. Verdachte is toen heel boos geworden en is [slachtoffer] met twee handen aangevlogen en heeft hem bij zijn keel gepakt. Ze zijn toen uit elkaar gehaald.

Om 17.32 uur heeft de verdachte in de Albert Heijn-supermarkt te Elsoo een mes gekocht. Op weg naar huis heeft de verdachte dit mes verborgen gehouden. Er is daar niet over gesproken en geen van de collega’s, [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , heeft een mes bij de verdachte gezien. Er zijn daarna nog boodschappen bij een supermarkt in Cadier en Keer gedaan.

Na aankomst thuis heeft de verdachte de boodschappen uitgeladen, aan een van zijn collega’s het telefoonnummer van [slachtoffer] gevraagd, hem om 18.31 uur opgebeld en tegen hem gezegd: “Ik wacht hier op je. Nu.” of soortgelijke bewoordingen. Op enig moment heeft de verdachte het mes uit de verpakking gehaald en het bij zich gestopt. Vervolgens heeft de verdachte twintig minuten op of bij de oprit van de woning op [slachtoffer] gewacht. Bij aankomst van [slachtoffer] rond 18.57 uur is de verdachte direct en met versnelde pas op hem afgelopen en heeft hem binnen een tijdsbestek van nog geen 40 seconden viermaal met het mes gestoken, waarvan eenmaal in de borst.

Tekenend is dat de verdachte na het neervallen van het slachtoffer heeft verklaard: “In die 25 jaar dat mijn moeder dood is heeft niemand dat ooit over mijn moeder gezegd”. Om 19.11 uur belt de verdachte zijn manager [manager uitzendbureau] met de mededeling dat [slachtoffer] zijn moeder en vrouw zou komen neuken, maar dat hij nu de moeder van [slachtoffer] heeft geneukt en dat [slachtoffer] nu hier op de grond in het bloed ligt en dat de politie en de ambulance hem nu komen halen, of woorden van soortgelijke strekking. Korte tijd later arriveert de politie. De verdachte heeft het dan weer over zijn moeder: “We had a fight and I stab him with a knife. He told me that he fucked my mother. My mother died 25 years ago. The knife is inside the house”. Ook na de voorgeleiding zei de verdachte: “He says: I fuck your mother. She died for 25 years”.

Het hof overweegt als volgt.

E.

Besluit tot de voorgenomen daad

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte woedend was over de beledigingen door [slachtoffer] geuit aan het adres van zijn overleden moeder. Verdachte heeft daar zelf nog over verklaard dat vervloekingen tegenover ouders heel erg zijn. Het hof is van oordeel dat de aankoop van het mes om 17.32 uur het moment is geweest waarop de verdachte besloot tot zijn voorgenomen daad om [slachtoffer] van het leven te beroven. De in dit verband door de verdediging aangevoerde contra-indicatie, inhoudende dat de verdachte het mes kocht omdat hij bang zou zijn dat [slachtoffer] zijn vrouw of familie iets zou aandoen, acht het hof niet aannemelijk. Immers, die lezing is niet te verenigen met de omstandigheden dat de verdachte geen haast had om naar huis te gaan, hij geen contact opnam met zijn vrouw of de politie om hen te waarschuwen, geen collega’s alarmeerde om in te grijpen, bier dronk gedurende de autorit naar huis, bij thuiskomst de boodschappen heeft uitgeladen, het slachtoffer belde onder de sommering dat hij naar zijn huis moest komen en het feit dat hij [slachtoffer] buiten heeft opgewacht, terwijl in de directe nabijheid van zijn vrouw drie mannelijke collega’s aanwezig waren.

Planmatig optreden en tijd voor beraad

Het hof is van oordeel dat het kopen van een mes, het opbellen van het slachtoffer, het hem sommeren te komen, het vervolgens opwachten van het slachtoffer, het direct op hem aflopen na aankomst en vrijwel onmiddellijk vier keer met een mes steken, getuigt van planmatig en doelbewust handelen. Het tijdsverloop tussen het aankoopmoment van het mes en het daarmee steken van het slachtoffer bedroeg om en nabij anderhalf uur. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte voorafgaande aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het genomen besluit om [slachtoffer] om het leven te brengen. Nu de verdachte die gelegenheid heeft gehad, mag worden aangenomen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.


Ogenblikkelijke gemoedsopwelling en overige verweren

Het door de raadsman gevoerde verweer, inhoudende dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling verkeerde en reageerde op een klap van [slachtoffer] , vindt zijn weerlegging in de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden. Aldus behoeft het verweer geen nadere bespreking. Ten overvloede merkt het hof op dat boosheid als enkele gemoedstoestand niet hetzelfde is als een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of plotselinge hevige drift. Voorts vindt de door de verdediging betrokken stelling dat de verdachte door [slachtoffer] geslagen zou zijn, geen steun in de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde camerabeelden.

Nu het hof ook overigens niet is gebleken van andere dan door de raadsman aangevoerde en hiervoor weerlegde contra-indicaties, staat niets in de weg aan het aannemen van voorbedachte raad. De omstandigheid dat de verdachte achteraf zijn daad niet heeft geprobeerd te verhullen, maakt dat niet anders. In dat verband verdient het opmerking dat de verdachte voorafgaande aan zijn daad het mes verborgen heeft gehouden voor zijn collega’s en vrouw.

Het vorenoverwogene leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Opzet op de dood

Het hof is van oordeel dat de verdachte, door het met een mes (onder meer) in de borst van het slachtoffer te steken, ten minste voorwaardelijk opzet had op zijn dood. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk te achten dat iemand komt te overlijden ten gevolge van een stekende beweging met een scherp mes in de borststreek, nu daarbij vitale organen kunnen worden geraakt. Gelet op de aard van genoemde gedraging, die zozeer gericht is op het dodelijk verwonden van het slachtoffer, kan het – bij gebreke aan contra-indicaties – niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.

Resumerend acht het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, moord wettig en overtuigend bewezen.

F.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot een ander oordeel dan hiervoor is gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . In de loop van woensdag 6 mei 2015 vonden er tijdens het werk meerdere confrontaties plaats tussen de verdachte en zijn collega [slachtoffer] . Deze confrontaties mondden uit in ruzie, waarbij de moeder van de verdachte door het slachtoffer werd beledigd. De verdachte heeft kennelijk naar aanleiding daarvan het besluit genomen om [slachtoffer] om het leven te brengen. Na het slachtoffer te hebben gebeld met de mededeling dat hij moest komen, heeft hij hem voor zijn woning opgewacht. Toen het slachtoffer arriveerde, is de verdachte direct op hem afgelopen en heeft hij hem met een kort daarvoor gekocht mes viermaal in het lichaam gestoken. Ten gevolge van een steekwond in de borst is het slachtoffer overleden.

De verdachte heeft op deze wijze het meest fundamentele recht dat een mens heeft, namelijk het recht op leven, aan het slachtoffer ontnomen. Het begaan van een delict als het onderhavige schokt de rechtsorde zeer ernstig. Bovendien heeft de verdachte door zijn handelswijze aan de nabestaanden van het slachtoffer immens en onherstelbaar leed toegebracht. Het hof rekent dit de verdachte zeer zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 maart 2017, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 28 oktober 2015 van [reclasseringsmedewerker] , waaruit naar voren komt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De psychiater drs. [psychiater] heeft bij brief van 3 juni 2015 geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat er bij de verdachte sprake is van ernstige psychopathologie.

Het hof heeft onderkend dat de verdachte reeds bij gelegenheid van zijn eerste verhoor spijt van zijn daad heeft betuigd. Daarnaast houdt het hof bij de straftoemeting rekening met de omstandigheid dat de verdachte zijn medewerking heeft verleend aan het politieonderzoek. Het hof betrekt bij de bepaling van de op te leggen straf voorts dat de verdachte geen Nederlands spreekt, waardoor contact met medegedetineerden moeilijk zal zijn. Daarbij komt dat de familie en vrienden van de verdachte in Griekenland en Roemenië wonen zodat steun van die familie en vrienden minimaal zal zijn. Gelet op het voorgaande zal een gevangenisstraf de verdachte daarom extra zwaar vallen.

Het hof is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hoewel dit hof in de regel voor moord gevangenisstraffen voor de duur van ten minste 12 jaren oplegt, ziet het hof, gelet op voornoemde omstandigheden, aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

Alles afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal en de rechtbank, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Al hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van het feit onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.200,00. De vordering ziet op een bedrag van € 3.700,00 aan kosten van lijkbezorging, € 1.500,00 aan smartengeld en € 5.000,00 als vergoeding van affectieschade.

De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.700,00 aan kosten van lijkbezorging. De benadeelde partij is in het deel van haar vordering voor zover dat ziet op smartengeld niet-ontvankelijk verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft in hoger beroep de vordering inhoudelijk betwist. De verdediging heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering voor zover dat ziet op de kosten van lijkbezorging en smartengeld. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op schadevergoeding voor affectieschade, dient volgens de verdediging te worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Kosten van lijkbezorging

Ingevolge artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de benadeelde partij zich als zodanig ter zake van kosten van lijkbezorging in het onderhavige strafproces voegen.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte materiële schade in de vorm van kosten van lijkbezorging heeft geleden. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de gestelde schade voldoende is onderbouwd. De door de verdediging aangevoerde omstandigheden dat de factuur bijna een jaar later (alsnog) is opgemaakt, het bedrag contant is voldaan en de begrafenisonderneming op afstand is gevestigd, doen daar niet aan af. Bovendien acht het hof de door de benadeelde partij gevorderde repatriëringskosten naar Griekenland niet bovenmatig. Aldus ligt het gevorderde bedrag ad € 3.700,00 voor integrale toewijzing gereed.

Smartengeld

Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek biedt een zelfstandige regeling voor schadevergoeding voor nabestaanden. Schade buiten de in dit artikel geregelde gevallen komt niet voor vergoeding in aanmerking, behoudens onder omstandigheden toe te kennen vergoeding voor shockschade. Er moet dan sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij daartoe onvoldoende heeft gesteld. Een nader onderzoek naar dergelijke (eventueel) ingetreden immateriële schade zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Mitsdien zal de benadeelde partij in haar vordering, voor zover dat betrekking heeft op smartengeld, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Affectieschade

De wet biedt geen grondslag voor het toekennen van smartengeld wegens het verdriet dat het overlijden van een naaste bij nabestaanden heeft veroorzaakt. Aldus zal de vordering, voor zover die ziet op de vergoeding van affectieschade, worden afgewezen.

Proces- en executiekostenveroordeling

Het hof zal de verdachte veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de nabestaande van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , is toegebracht tot een bedrag van € 3.700,00. De verdachte is daarvoor jegens de nabestaande van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 3.700,00 subsidiair 47 dagen hechtenis, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de nabestaande van het slachtoffer bevordert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde gedeeltelijk toe tot het bedrag van € 3.700,00 (zegge: drieduizendzevenhonderd euro) ter zake van kosten van lijkbezorging en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij in de vordering, voor zover betrekking hebbende op een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro) aan smartengeld, niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij, voor zover betrekking hebbende op een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) aan affectieschade, af;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.700,00 (zegge: drieduizendzevenhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 6 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.M. Hilverda en mr. S.C. van Duijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


(w.g. mr. Van Veen) (w.g. mr. Van Gink)

Aanvulling bewijsmiddelen

behorende bij het arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 april 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-700220-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] in Griekenland op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Zuid West –

De Dordtse Poorten te Dordrecht.


Aangevuld door het gerechtshof en ondertekend door mr. A.J.M. van Gink, voorzitter van het hof.

(w.g. mr. Van Gink)

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, onderzoeksnummer LB3R015056, afgesloten d.d. 16 juli 2015, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-622.

1.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , d.d. 7 mei 2015, dossierpagina’s 83-84, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisanten:


Op woensdag 6 mei 2015, omstreeks 19:05 uur, werd door de dienstdoende centralist van het operationeel centrum, een patrouille welke doende was met de incidentenafhandeling, alsmede een hondengeleider, verzocht ter plaatse te gaan naar de [straatnaam woning] te Reijmerstok. Aldaar werd een steekincident gemeld met een slachtoffer. Wij, verbalisanten, begaven ons ook ter plaatse naar de [straatnaam woning] te Reijmerstok. Ter plaatse zagen wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , op de oprit van huisnummer 33 een man op de grond liggen. Wij zagen een vijftal personen op deze oprit.
Tijdens het verwijderen van alle personen op de oprit, werd ik, [verbalisant 2] , aangesproken door een onbekende man. Ik hoorde dat deze man gebrekkig Engels sprak. Ik, [verbalisant 2] , zag dat deze man onder het bloed zat. Ik, [verbalisant 2] , zag dat zijn grijze T-shirt en zijn broek onder de bloedspatten zaten. Ik hoorde dat deze man zei: “I did it”. Hierop heb ik, [verbalisant 2] , gevraagd wat er gebeurd was. Ik hoorde dat deze man zei: I stab him with a knife. He told me that he fucked my mother. My mother died 25 years ago.
(…)
Op de vraag wie het gedaan had, zag ik, [verbalisant 3] , dat allen [het hof begrijpt: de personen op de oprit] wezen in richting van de man [het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ] welke bij collega [verbalisant 2] stond. Ik, [verbalisant 2] , hoorde dat de man, die verklaarde dat hij gestoken zou hebben, zei: “The knife is inside the house”.
(…)
Wij, verbalisanten, hielden op woensdag 6 mei 2015, omstreeks 19:15 uur, op locatie [straatnaam woning] te Reijmerstok als verdachte van artikel 287 Wetboek van Strafrecht aan:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] te Griekenland.

Omstreeks 19:27 uur, hoorden wij van het ambulancepersoneel dat zij de reanimatie gestaakt hadden omdat het slachtoffer zou zijn bezweken aan zijn verwondingen.

2.

Een relaasproces-verbaal van het einddossier, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 16 juli 2015, dossierpagina 5, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant:


Op woensdag 6 mei 2015, omstreeks 19:05 uur, werd politieassistentie gevraagd op het adres [adres woning] te Reijmerstok, gemeente Gulpen-Wittem, omdat daar een persoon zou zijn neergestoken. Hierbij kregen de aangestuurde politiemensen de informatie dat de verdachte nog ter plaatse zou zijn en dat het slachtoffer op straat zou liggen.

Het slachtoffer dat op de grond lag bleek aan zijn verwondingen te zijn bezweken.

Het slachtoffer bleek te zijn:

Naam : [slachtoffer] (man)

Vo(o)rna(a)m(en) : [voornaam slachtoffer]

Geboortedatum : [geboortedatum slachtoffer]

3.

Een deskundigenrapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van dr. [arts-patholoog] , arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 3 juli 2015 met zaaknummer 2015.05.07.049, dossierpagina’s 608-614, inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van voormelde arts en patholoog:

De overledene [slachtoffer] , geboortedatum [geboortedatum slachtoffer] , is overleden ter hoogte van [straatnaam woning] nr. 33 te Reijmerstok op 6 mei 2016 omstreeks 19.25 uur.
In opdracht van het arrondissementsparket Limburg werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.
Conclusie
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , 41 jaren oud geworden, wordt het intreden van de dood verklaard door hartfunctiestoornissen (harttamponade) ten gevolge van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld (steekverwonding aan de borstkas links). Voorts is er hoog aan het rechterbovenbeen zijwaarts een huidperforatie (steekkanaal circa 7 cm), alsook aan de strekzijde van het rechterbovenbeen (steekkanaal 10 centimeter) en middenwaarts aan het linkerbovenbeen (steekkanaal circa 3,5 cm).

4.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , d.d. 6 mei 2015, dossierpagina 86, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisanten:

Op woensdag 6 mei 2015, omstreeks 19:05 uur, kregen wij, verbalisanten, [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , de melding van de regiomeldkamer om te rijden naar de [adres woning] te Reijmerstok, omdat daar een persoon zou zijn neergestoken. Op woensdag 6 mei 2015, omstreeks 19:20 uur, waren wij ter plaatse.

Wij zagen dat een onbekend persoon reeds door collega [verbalisant 2] was aangehouden. Collega [verbalisant 2] verklaarde dat hij de voornoemde persoon had aangehouden ter zake doodslag/moord en dat hij de cautieplicht en het recht op bijstand van een advocaat reeds aan de verdachte had medegedeeld.


Na de voorgeleiding in het cellencomplex van het bureau van politie te Maastricht, stond ik, [verbalisant 4] , samen met de verdachte te wachten in de gang van het cellencomplex. We stonden daar te wachten in afwachting van de inbeslagname van de kleding van de verdachte. Ik, [verbalisant 4] , hoorde dat de verdachte spontaan tegen mij verklaarde in de Engelse taal: He says: I fuck your mother. She died for 25 years.

5.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , d.d. 12 mei 2015, dossierpagina’s 107-110, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisanten inzake het uitkijken van de originele camerabeelden van de plaats delict:

Op woensdag 6 mei 2015 vond er een steekincident plaats op de [adres woning] te Reijmerstok. Het slachtoffer van het steekincident overleed ter plaatse.

Uit ingesteld onderzoek bleek dat de woning gelegen aan de [adres buren] te Reijmerstok was voorzien van 4 camera’s. Aan de voorzijde van de woning waren aan de straatzijde 2 camera’s aangebracht. Uit het onderzoek bleek dat camera 1 zicht had op de [straatnaam woning] alsmede op de aan de overzijde van de straat gelegen woningen en de oprit van pand 33.

Wij, verbalisanten, bekeken de camerabeelden van camera 1 van woensdag 6 mei 2015 tussen 18:30 uur en 19:30 uur, volgens de systeemtijd camera 1. De systeemtijd blijkt bij controle bijna 5 minuten voor de daadwerkelijke tijd te liggen. In dit proces-verbaal is gebruik gemaakt van de systeemtijd (18:30 uur systeemtijd = 18:25 uur daadwerkelijke tijd).

Wij, verbalisanten, zien onder andere, dat

- omstreeks 18:33 uur een donkerkleurige personenauto de oprit van het perceel 33 oprijdt,

- de auto ongeveer 6 à 7 meter verderop aan de linkerzijde wordt geparkeerd,

- aan zowel de bestuurders- als de bijrijderszijde personen uitstappen,

- omstreeks 18:40:30 uur een persoon, verder te noemen persoon 1 [het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] , hierna te noemen: ‘de verdachte’], gekleed in een donkerkleurige jas, lichtkleurige shirt/hemd, lichtkleurige broek, lichtkleurig haar, de oprit verlaat en gezien zijn looprichting naar links de [straatnaam woning] inloopt,

de verdachte met zijn rechterhand een beweging naar de mond maakt,

- te 18:41:14 uur de verdachte weer de oprit oploopt,

- te 18:41:26 uur de verdachte uit beeld verdwijnt,

- te 18:44:31 uur de verdachte op de oprit loopt komende uit de richting van het portaal en

vervolgens gezien de looprichting naar links de [straatnaam woning] inloopt,

de verdachte zijn hoofd naar links en rechts beweegt, om zich heen kijkend,

- te 18:45:10 uur de verdachte weer de oprit oploopt,

- te 18:45:30 uur de verdachte uit beeld verdwijnt,

- te 18:48:58 uur de verdachte weer de oprit verlaat en de [straatnaam woning] inloopt,

- te 18:49:55 uur de verdachte weer de oprit oploopt in de richting van het portaal,

- te 18:50:00 uur de verdachte uit beeld verdwijnt,

- te 18:51:05 uur de verdachte de oprit afloopt,

de verdachte zijn linkerhand ter hoogte van zijn mond heeft,

- te 18:51:38 uur de verdachte weer de oprit oploopt,

- te 18:51:55 uur de verdachte weer uit beeld loopt,

- te 18:52:51 uur de verdachte op de oprit loopt,

- te 18:53:01 uur de verdachte richting portaal loopt en uit beeld verdwijnt,

- te 18:56:21 uur de verdachte komende uit de richting van het portaal de oprit oploopt,

- te 18:56:46 uur de verdachte weer de oprit oploopt gaande in de richting van het portaal,

- te 18:57:01 uur de verdachte weer uit beeld verdwijnt,

- te 19:01:04 uur de verdachte de oprit oploopt, komende uit de richting van het portaal, de

[straatnaam woning] inloopt tot voorbij de poort van perceel 30,

- te 19:02:01 uur de verdachte zich omdraait en terugloopt richting oprit,

(Noot verbalisanten: wij verbalisanten zien dat het looptempo hoger ligt dan eerder door ons is gezien op het moment dat de verdachte begint te lopen zoals omschreven bij tijd 19:01:04),

- te 19:02:05 uur een grijskleurige personenauto de oprit oprijdt, en vervolgens aan de

rechterzijde schuin voor de donkerkleurige personenauto wordt geparkeerd,

- te 19:02:21 uur de verdachte weer de oprit oploopt,

- te 19:02:22 uur een persoon, verder te noemen persoon 2 [het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer] , hierna te noemen: ‘het slachtoffer [slachtoffer] ’], aan de bestuurderszijde uit de zilverkleurige auto stapt,
het slachtoffer [slachtoffer] heeft lichtkleurige bovenkleding aan en draagt een donkerkleurig op een tas gelijkend voorwerp in zijn rechterhand,

- te 19:02:29 uur beide personen tegenover elkaar staan,

- te 19:02:31 uur het slachtoffer [slachtoffer] een achterwaartse beweging maakt, een beweging gelijkende op het incasseren of het ontvangen van een klap,
- te 19:02:32 uur het slachtoffer [slachtoffer] met zijn bovenlichaam een beweging naar links maakt, lijkend op het in elkaar krimpen van het lichaam,

na de voornoemde beweging de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] zich opgaand de oprit op bewegen en uit beeld verdwijnen,
- te 19:02:43 uur een onbekend persoon, verder te noemen persoon 3 [het hof begrijpt: getuige [getuige 1] , hierna te noemen: ‘ [getuige 1] ’], uit de richting van het portaal komt en in de richting van de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] loopt,

- te 19:02:49 uur alle eerder aangeduide personen weer in beeld komen,

er op duwen en trekken gelijkende bewegingen worden gemaakt,

- te 19:02:51 uur het slachtoffer [slachtoffer] naar de grond gaat en op de knieën terecht komt,

- te 19:02:55 uur alle drie de personen weer op hun voeten staan en bewegingen

gelijkend op trekken en duwen maken,

- te 19:03:06 uur de bewegingen, zoals eerder omschreven, stoppen,

de eerdere aangeduide personen nagenoeg stilstaan,

- te 19:03:22 uur het slachtoffer [slachtoffer] richting het zilverkleurig voertuig loopt, de verdachte en [getuige 1] nagenoeg op dezelfde plaats blijven staan zoals eerder omschreven, ter hoogte van het portaal,

- te 19:03:25 het slachtoffer [slachtoffer] een bukkende beweging maakt aan de bestuurderszijde van het zilverkleurig voertuig en een donkerkleurig, op een tas gelijkend voorwerp, opraapt,

de verdachte en [getuige 1] nog steeds op de eerder aangeduide plaats staan,

- te l9:03:30 uur het slachtoffer [slachtoffer] de tas in zijn linkerhand heeft en met de rugzijde richting bestuurderszijde auto en het gelaat richting portaal staat,

het slachtoffer [slachtoffer] vervolgens enige tijd op de plaats stilstaat,

- te 19:03:44 uur het slachtoffer [slachtoffer] met zijn bovenlichaam een beweging naar rechts maakt, lijkend op het in elkaar krimpen van het lichaam,

de verdachte en [getuige 1] nog steeds op nagenoeg dezelfde plaats staan,

- te 19:03:48 uur het slachtoffer [slachtoffer] nog steeds met zijn bovenlichaam rechts naar beneden stilstaat, zoals eerder omschreven en de verdachte en [getuige 1] zich richting portaal bewegen,

- te 19:03:51 uur de verdachte uit beeld verdwijnt en [getuige 1] ter hoogte van het portaal

blijft staan,

- te 19:03:53 uur het slachtoffer [slachtoffer] weer rechtop staat en [getuige 1] nog steeds ter hoogte van het portaal staat,

- te 19:03:55 uur het slachtoffer [slachtoffer] vier voorwaartse stappen richting het portaal maakt en vervolgens recht vooruitvallend met volle kracht naar de grond gaat ter hoogte van [getuige 1] ,

- te 19:04:03 uur [getuige 1] uit beeld verdwijnt en het slachtoffer [slachtoffer] ter hoogte van het portaal op de grond ligt,

- te 19:04:57 uur personen zichtbaar zijn ter hoogte van het portaal,

- het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] gedraaid wordt.

6.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 8] , d.d. 19 juni 2015, dossierpagina’s 113-115, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisanten inzake het uitkijken van de bewerkte camerabeelden van de plaats delict:


Op woensdag 6 mei 2015 werd een doodslag c.q. moord gepleegd, op de oprit van de woning [adres woning] te Reijmerstok. Tijdens het onderzoek werden van het voorval camerabeelden voor onderzoek ter beschikking gesteld.
Op woensdag 10 juni 2015 werden door een medewerker van de afdeling Data Processing Center van de Landelijke eenheid van de politie te Driebergen, de camerabeelden van de originele opname met een videobewerkingsprogramma bewerkt, teneinde de beelden op te waarderen. Het betreft de camerabeelden tussen het tijdstip 19.02 uur en 19.05 uur.
Wij zagen op de bewerkte camerabeelden onder andere, dat:

- omstreeks 00:00:04 een grijskleurige personenauto vanaf de [straatnaam woning] de oprit oprijdt en

vervolgens wordt geparkeerd rechts langs de muur van een aan de oprit gelegen woning,

- omstreeks 00:00:08 aan de linkerzijde van deze auto het bestuurdersportier wordt geopend,
- omstreeks 00:00:09 de verdachte lopend over de [straatnaam woning] in de richting van de oprit in beeld komt,

- omstreeks 00:00:12 de verdachte vanaf de [straatnaam woning] de oprit oploopt en dat het slachtoffer [het hof begrijpt: [slachtoffer] ] uit de auto stapt,

- het slachtoffer een donkerkleurig voorwerp in zijn rechterhand draagt,

- de verdachte in de richting van het slachtoffer loopt,

- het slachtoffer met zijn linkerzijde naar de verdachte gericht staat,

- omstreeks 00:00:14 de verdachte nog steeds in de richting van het slachtoffer loopt,

- het slachtoffer zich naar links, richting auto draait,

- omstreeks 00:00:15 het slachtoffer het portier sluit,

- de verdachte nog steeds in de richting van het slachtoffer loopt,

- omstreeks 00:00:16 de verdachte voor het slachtoffer stilstaat,

- omstreeks 00:00:17 het slachtoffer in elkaar krimpt,

- het slachtoffer tijdens het in elkaar krimpen het donkerkleurige voorwerp op de grond zet,

- het slachtoffer zich van de verdachte wegdraait en voorover gebukt rondloopt,

- de verdachte zich in de richting van het slachtoffer blijft bewegen,

- beiden in beweging blijven en zich verplaatsen naar de achterzijde van de oprit,

- omstreeks 00:00:23 vanaf de linkerzijde, vanuit de richting van de woningen, de getuige [het hof begrijpt: [getuige 1] ] de oprit komt opgerend,

- de getuige in de richting van de verdachte en het slachtoffer rent,

- omstreeks 00:00:24 de getuige bij de nog steeds in beweging zijnde verdachte en het slachtoffer is,

- de drie mannen zich vervolgens verplaatsen naar het midden van de oprit,

- de drie mannen in beweging blijven,

- er door allen getrokken en geduwd wordt,

- omstreeks 00:00:36 het slachtoffer rechtop stilstaat,

- omstreeks 00:00:42 het slachtoffer richting zijn auto loopt,

- omstreeks 00:00:44 het slachtoffer zich bij de auto voorover bukt en iets van de grond opraapt,

- het slachtoffer een paar passen loopt en rechtop blijft staan,

- omstreeks 00:00:53 het slachtoffer door de knieën zakt,

- de getuige wegloopt in de richting van de woningen,

- omstreeks 00:00:58 het slachtoffer recht overeind komt en in de richting van de woningen loopt,
- het slachtoffer een donker voorwerp in zijn linkerhand draagt,

- omstreeks 00:01:00 het slachtoffer bij het portiek van de woningen, recht voorover op de grond valt en blijft liggen,

- de getuige in zijn buurt staat en even later wegloopt in de richting van de woningen,

- omstreeks 00:01:29 de getuige in beeld verschijnt komende uit de richting van de woningen,

- de getuige naar het slachtoffer gaat en hem even later omdraait en bij het slachtoffer blijft.

7.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 9] , d.d. 8 mei 2015, dossierpagina 89, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant inzake het uitlezen van telefoongegevens:


Op 8 mei 2015 heb ik twee mobiele telefoons uitgelezen gerelateerd onder proces-verbaalnummer 2015084177-22 en 2015084177-24.
Onder het proces-verbaalnummer 2015084177-22 werd de telefoon van het slachtoffer onderzocht. Dit betrof een Nokia Asha 300. In dit toestel bleek het telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer] in gebruik.
Onder het proces-verbaalnummer 2015084177-24 werd de telefoon van de verdachte onderzocht. Dit betrof een Samsung Galaxy GT-i9105p. In dit toestel bleek het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] in gebruik.

Nokia Asha 300 (slachtoffer)

Uit de gespreksgegevens blijkt dat het telefoonnummer behorende bij de verdachte te 18:31 uur gebeld heeft naar het telefoonnummer van het slachtoffer.

Zie hieronder de gegevens uit de telefoon:

Type Ontvangen

Tijdstip 6-5-2015 18:31:15 (Device)

Duur 00:00:17

From

Nummer [telefoonnummer verdachte]

Samsung Galaxy GT-i9105p (verdachte)

Uit de gespreksgegevens blijkt dat het telefoonnummer behorende bij het slachtoffer te 18:31 uur gebeld werd door het telefoonnummer van de verdachte.

Zie hieronder de gegevens uit de telefoon:

Type Gekozen

Tijdstip 6-5-2015 16:31:09 UTC (Device)

Duur 00:00:18

Locatie Apparaat

To

Nummer [telefoonnummer slachtoffer]

Opmerking verbalisant:

De lokale tijd behorende bij de hierboven genoemde UTC-tijd bij het toestel van de verdachte betreft 18:31:09 uur.

8.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 6] , d.d. 18 mei 2015, dossierpagina’s 122-123, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant inzake het uitkijken van de camerabeelden van het Albert Heijn-filiaal te Elsloo:

Uit ingesteld onderzoek bleek, dat zowel de verdachte [verdachte] als het slachtoffer [slachtoffer] op woensdag 6 mei 2015, voor het steekincident, afzonderlijk een Albert Heijn-winkel hadden bezocht. Uit onderzoek bleek verder dat dit filiaal het Albert Heijn-filiaal gelegen aan de Stationsstraat 110 te Elsloo betrof. Door de filiaalmanager [filiaalmanager Albert Heijn] werden de camerabeelden van woensdag 6 mei 2015 tussen 17:15 uur en 18:00 uur, van zowel de voor- als achterin/uitgang van het filiaal, voor verder onderzoek ter beschikking gesteld.
Ik, verbalisant, bekeek de camerabeelden en zag onder andere, dat

- op de beelden van camera 1 “Entree voor”, de verdachte [verdachte] te 17:26:25 uur in de richting van de ingang van de winkel loopt en vervolgens de winkel binnengaat,

- te 17:26:47 uur het slachtoffer [slachtoffer] in de richting van de ingang van de winkel loopt en vervolgens de winkel binnengaat,

- te 17:31:43 uur het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd de winkel verlaat en wegloopt,

- hij goederen in zijn handen draagt,

- te 17:32:14 uur de verdachte de winkel verlaat en wegloopt.

9.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 10] , d.d. 9 mei 2015, dossierpagina’s 101-102, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisanten inzake de bevindingen van het onderzoek in het Albert Heijn-filiaal te Elsloo over de herkomst van het mes en de camerabeelden:


Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte [verdachte] , d.d. donderdag 7 mei 2015, dat hij bij het steekincident gebruik had gemaakt van een mes, dat hij gekocht had in een winkel, werd een nader onderzoek naar die winkel ingesteld.

Op zaterdag 9 mei 2015, omstreeks 09.55 uur, werd met toestemming en in het bijzijn van de verdachte [verdachte] , een onderzoek ingesteld naar de winkel waar hij het mes zou hebben gekocht.

Gekomen in de Stationsstraat te Elsloo gaf de verdachte in de Engelse taal aan, dat dit de winkel was waar hij het bier en het mes had gekocht. Wij, verbalisanten, zagen dat de winkel een Albert Heijn winkel was, gelegen aan de Stationsstraat 110 te Elsloo.

Door de bedrijfsleider [filiaalmanager Albert Heijn] werd het computersysteem van Albert Heijn nagekeken en op woensdag 6 mei 2015, te 17:31:53 uur, werd in de winkel aan kassa 4, aan een klant een Albert Heijn groentenmes, prijs 1,99 euro en twee keer 6 blikken Heineken bier verkocht. De kassabon werd door de bedrijfsleider uitgeprint en aan mij verstrekt.


10.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 11] , d.d. 7 mei 2015, dossierpagina’s 144-148, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [getuige 1] op 6 mei 2015:

V = vraag verbalisant

A = antwoord getuige

V: Vertel eens wat er gebeurd is?
A: Die twee hadden al ruzie op het werk.

V: Wie zijn die twee?

A: Dat zijn [voornaam slachtoffer] [het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer] ] en [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte].

A: [verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] , de verdachte], die woont bij ons, [voornaam slachtoffer] woont ergens anders.

[voornaam slachtoffer] is naar ons toe gekomen, want [verdachte] had hem gebeld. Hij heeft hem neergestoken, ik heb dat niet gezien, maar was als eerste erbij. Ik heb ze uit elkaar gehaald. [voornaam slachtoffer] leefde nog, hij is in mijn armen overleden. Toen ik ze uit elkaar haalde, is [voornaam slachtoffer] neergevallen.
V: Wie was er nog bij dan?
A: [getuige 3] [het hof begrijpt: getuige [getuige 3] ], dat is een collega. Wij werken in Elsloo aan de brug. Die zijn we aan het zandstralen.
V: En wat gebeurde er verder?

A: [voornaam slachtoffer] zei: “Hij heeft een mes, hij heeft een mes.”

Ik heb toen [verdachte] naar achteren getrokken. [voornaam slachtoffer] viel toen neer.
V: Je zei dat [voornaam slachtoffer] naar jullie toe was gekomen?

A: Ja, [verdachte] had hem gebeld.

V: Heb je dat gezien of gehoord?

A: Ja, ik heb gehoord dat hij zei: “Kom naar ons huis, ik wacht op je.”

V: Hoe zei bij dat?

A: Op een ruzietoon.

V: Met welke telefoon heeft [verdachte] gebeld?
A: Met zijn eigen gsm, maar hij heeft het nummer van [voornaam slachtoffer] gevraagd aan de tweede

[getuige 4] [het hof begrijpt: getuige [getuige 4] ].

V: Waar was [verdachte] ?

A: Die liep in en uit. Hij was erg onrustig.

V: In welke gemoedstoestand was [verdachte] ?

A: Niet in goede toestand omdat zijn vrouw en moeder waren uitgescholden, ook al op het werk.
V: Wat heb jij gehoord van dat schelden?

A: In Elsoo, na het werk heb ik gehoord dat [voornaam slachtoffer] tegen [verdachte] zei: “Ik neuk je moeder!”. In Reijmerstok is ook nog gescholden, maar ik weet niet wat. Ik heb wel nog gehoord dat [verdachte] zei dat zijn moeder al 25 jaar dood was.

V: Hoe was [verdachte] voordat [voornaam slachtoffer] kwam?

A: Heel erg boos.

V: Hoe weet je dat?

A: Hij was heen en weer aan het lopen, de hele tijd. Ik zei ook tegen hem dat hij rustig moest zijn.

V: Was [verdachte] dan binnen of buiten?

A: Hij liep in en uit. We waren op begane grond en de deur stond open, hij liep naar binnen en buiten.

V: Waar naar buiten?

A: Aan de straatkant zeg maar, bij het parkeerplaatsje.

V: Je zei dat je naar buiten ging toen [voornaam slachtoffer] er aan kwam. Wie was er nog meer?

A: Alleen [voornaam slachtoffer] en [verdachte] . [voornaam slachtoffer] zei: “Hij heeft een mes, hij heeft een mes.”

V: Wat heb jij nog gezien en gehoord op dat moment?

A: Ik zag dat [voornaam slachtoffer] neerging. Eerst hadden ze elkaar vast en ik heb ze uit elkaar gehaald.

11.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 12] , d.d. 21 mei 2015, dossierpagina’s 149-156, inhoudende – zakelijk weergegeven – de nadere verklaring van getuige [getuige 1] :

Wat heeft u die dag [het hof begrijpt: woensdag 6 mei 2015] op het werk precies gezien?

A: [verdachte] had [manager uitzendbureau] [het hof begrijpt: getuige [manager uitzendbureau] , de werkgever van de verdachte] kennelijk gebeld op die dag. Dat is rond 10:00 uur geweest. Ik weet echt niet wat er in dat gesprek gezegd werd. Wat ik wel weet en gezien heb is dat na dat telefoontje op die bewuste dag de problemen tussen [verdachte] en [voornaam slachtoffer] ontstonden. Eerst waren er problemen op de brug, daar moesten ze uit elkaar gehaald worden. Later waren er ook nog problemen tussen die twee toen we naar huis wilden gaan.

V: Oké, wat heb jij gezien van die eerste problemen op de brug?

A: Ik heb gehoord dat [voornaam slachtoffer] aan [verdachte] vroeg waarom [verdachte] [manager uitzendbureau] had gebeld. Ik heb toen gezegd dat ze normaal moesten doen want we stonden een beetje voor aap. Tijdens de pauze ontstond er nog een keer een woordenwisseling tussen die twee. Ook daar hebben ik en de anderen gezegd dat ze normaal moesten doen. Voor mij was het gewoon niet duidelijk waarom die twee nu problemen hadden. Het was wel duidelijk dat er problemen waren maar waar die over gingen dat weet ik niet.


A: Die bewuste dag heeft iedereen die daar aan het werk was wel iets meegekregen van die problemen. Ik heb tijdens de pauzes gehoord dat [voornaam slachtoffer] tegen [verdachte] zei: “Hoe kun je nu [manager uitzendbureau] bellen”. [voornaam slachtoffer] was daar echt heel kwaad om. Ik hoorde [verdachte] daarop zeggen: “Ik wil mijn eigen bedrijf beschermen”. Tijdens deze ruzie hebben wij gezegd dat ze normaal moesten doen.


V: Wat is verder nog die bewuste dag gebeurd?

A: Aan het eind van de werkdag, ergens rond 17:10 uur waren er weer problemen tussen [verdachte] en [voornaam slachtoffer] . Ik zag en hoorde dat ze naar elkaar aan het schelden waren. Toen we ons hadden omgekleed zag ik dat [voornaam slachtoffer] richting [verdachte] liep en ze begonnen naar elkaar te schelden. Ik hoorde dat [voornaam slachtoffer] riep: “Fuck your mother”. Ik zag toen dat [verdachte] heel boos werd. Ik zag vervolgens dat [verdachte] [voornaam slachtoffer] met 2 handen aanvloog. Ik zag dat [verdachte] met 2 handen [voornaam slachtoffer] bij zijn keel pakte. Ik hoorde dat [werkopzichter] [het hof begrijpt: [werkopzichter] , de werkopzichter], onze baas, vanuit zijn auto toeterde. Ik ben toen tussen beiden in gevlogen en heb ze uit elkaar gehaald. Ze zijn toen beiden een kant op gegaan. Ik merkte aan beiden dat ze erg boos waren.

Opmerking verbalisant: Uit ons onderzoek is gebleken dat na dit incident [verdachte] in een auto is gestapt waarin jij ook zat.

V: Wie zaten er nog meer in die auto en wat is er in de auto nog gezegd?

A: Dat klopt. Ik, [verdachte] , [getuige 2] [het hof begrijpt: getuige [getuige 2] ], [getuige 4] [het hof begrijpt: getuige [getuige 4] ] en [getuige 3] [het hof begrijpt: getuige [getuige 3] ]. We zaten dus met zijn vijven in deze auto en zijn toen vanuit het werk naar de winkel gereden om boodschappen te kopen.

V: Hoe was de sfeer in de auto waar u in zat?
A: Er is verder niets besproken. Na de ruzie is [verdachte] in de auto gestapt. Hij heeft verder geen woord meer gezegd tot we thuis waren. Ik had zoiets van: ik ga er ook niet over beginnen, dat is misschien beter. Dat dachten de anderen in de auto ook en daarom werd er over dat voorval niet meer gesproken.
V: Waar zijn jullie naartoe gereden na die ruzie op het werk?

A: De Albert Heijn in Elsloo. Daarna zijn we nog bij de Jumbo geweest. Ik weet nog dat [voornaam slachtoffer] ineens ook bij de Albert Heijn verscheen en iets zei dat ze morgen maar moesten kijken wie er weg moesten.

V: Oké, jullie zijn dus eerst naar de Albert Heijn gegaan. Wat is daar gebeurd?

A: We kwamen daar aan en zijn met z’n allen uitgestapt en zijn toen naar binnen gegaan. Ik weet nog dat [verdachte] als laatste van ons weer naar buiten kwam. Toen ik dus buiten kwam vanuit de winkel zag ik dus ook dat [voornaam slachtoffer] op de parkeerplaats voor de Albert Heijn stond. [verdachte] was toen dus nog binnen. Toen zij hij dus dat we het morgen maar moesten gaan bespreken.

V: Wat heeft [verdachte] in de winkel gekocht?

A: Bier, ik meen 2 pakken bier. Maar dat weet ik niet precies.

V: Heeft [verdachte] nog iets anders gekocht?

A: Dat weet ik niet. Ik heb alleen bier gezien.

Opmerking verbalisant: [verdachte] heeft verklaard dat bij in de Albert Heijn in Elsloo een mes en 2x 6 blikken bier Heineken heeft gekocht.

V: Heb jij die goederen gezien of had [verdachte] iets hij zich toen hij uit de winkel kwam?

A: Dat heb ik niet gezien, echt niet. Daar weet ik niets van. In de auto hebben we het daar ook niet over gehad.

V: Wat heb jij zelf nog gedaan?

A: Niets, toen [voornaam slachtoffer] tegen mij zei dat er sprake was van een mes heb ik alleen [verdachte] van [voornaam slachtoffer] afgetrokken.

V: Hoe heb je dat gedaan?

A: Ik stond achter [verdachte] en heb [verdachte] naar achter getrokken zodat hij los kwam van [voornaam slachtoffer] . Daarna viel dus [voornaam slachtoffer] . Ik hoorde dat [verdachte] wel tegen mij zei: “In die 25 jaar dat mijn moeder dood is heeft niemand dat ooit over mijn moeder gezegd”.

12.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 13] , d.d. 6 mei 2015, dossierpagina’s 131-135, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [vrouw verdachte] :

Wanneer mijn man [het hof begrijpt: de verdachte] is thuis gekomen met de auto van het werk heeft hij de tassen met boodschappen binnen gebracht. We begonnen de boodschappen [hof: hierna is er kennelijk een woord weggevallen] en in de tussentijd ging ik het eten opwarmen. (…) Mijn man heeft geantwoord “we wachten nog eventjes met eten”. In de tussentijd is mijn man naar buiten gegaan.

Mijn man vertelde dat hij op het werk problemen had met de persoon die is overleden. Hij zei dat die persoon had gezegd dat hij mijn schoonmoeder en ook mij zou aanpakken. Maar mijn schoonmoeder is al 20 jaar overleden en dat vond mijn man beledigend.

13.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 8] , d.d. 26 mei 2015, dossierpagina’s 175-180, inhoudende – zakelijk weergegeven – de nadere verklaring van getuige [getuige 2] :


Opmerking verbalisant: [verdachte] heeft verklaard dat hij in de Albert Heijn in Elsloo een mes en 2x 6 blikken bier Heineken heeft gekocht.

V: Had [verdachte] iets bij zich toen hij uit de winkel kwam en heb jij die goederen gezien?

A: Ik ga u hierover de waarheid vertellen. Ik heb gezien dat hij bier had gekocht, omdat hij in de auto bier heeft gedronken. Dat hij een mes heeft gekocht, heb ik niet gezien.

V: Hebben jullie over het mes in de auto gesproken?

A: Nee, absoluut niet. Ook [verdachte] niet.

Opmerking verbalisant: Volgens anderen zijn jullie ook nog naar de Jumbo in Cadier en Keer gegaan.

V: Wat is daar gebeurd en wat werd er gekocht?

A: Ik was met [getuige 4] en [verdachte] in de auto. Ik weet niet wat de anderen gekocht hebben. [verdachte] was zenuwachtig. Zijn gezicht was helemaal rood en hij zat bier te drinken.
V: Hoeveel bier heeft [verdachte] gedronken?

A: Van wat ik heb gezien heeft hij 2 à 3 blikjes bier gedronken.


Opmerking verbalisant: Uit het politieonderzoek is gebleken dat [verdachte] die woensdagavond nog naar [voornaam slachtoffer] gebeld heeft.

V: Wat weet jij daarvan?

A: Dat klopt. Op het moment dat ik die uien aan het snijden was, kwam [verdachte] bij ons in het huis en vroeg aan [getuige 4] het telefoonnummer van [voornaam slachtoffer] . [getuige 4] gaf hem dat telefoonnummer en toen [verdachte] weg was zei ik nog tegen [getuige 4] : “Waarom heb jij hem dat nummer gegeven?”, omdat ze toch ruzie hadden. [getuige 4] zei: “Hij vraagt het toch gewoon”.

14.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 15] , d.d. 7 mei 2015, dossierpagina’s 181-185, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [getuige 4] :


V: Wat is er gebeurd op het werk?

A: [verdachte] had de baas gebeld. [voornaam slachtoffer] vroeg waarom hij de baas had gebeld. Na het werk hebben ze nog wat staan bekvechten.

V. Weet u waarover het bekvechten over ging?

A: Gisteren was er iets gebeurd, maar ik weet niet wat. Daar hadden ze het over.
V: Hoe bent u naar huis gereden?

A: We zijn met een auto van het werk naar huis gereden en we waren met 5 personen.
V: Wie zijn die 5 personen?

A: Ik, [verdachte] , [getuige 3] [het hof begrijpt: getuige [getuige 3] ], Irfan [het hof begrijpt: getuige [getuige 1] ] en [getuige 2] [het hof begrijpt: getuige [getuige 2] ].

V: Wat was de gemoedstoestand van [verdachte] ?

A: Wij zijn onderweg nog bij een supermarkt gestopt. Daar werd wat bier gekocht. Onderweg dronk [verdachte] 2 blikjes bier. In de auto dronk hij alleen en praatte tegen niemand. Ik vond dat hij wat gespannen was. Dat bleek uit het feit dat hij, thuisgekomen, direct naar [voornaam slachtoffer] belde en tegen hem zei dat hij maar naar Reijmerstok moest komen.
V: Wat gebeurde er nadat [verdachte] gebeld had?

A: Een tijdje later is [voornaam slachtoffer] gekomen.

V: Hebt u het telefoongesprek tussen [verdachte] en [voornaam slachtoffer] zelf gehoord?

A: Ja, ik heb het zelf gehoord.

V: Wat was de gedachte nadat u dit telefoongesprek had gehoord?

A: Ik dacht dat [voornaam slachtoffer] niet zou komen, want [verdachte] was hem via de telefoon aan het bedreigen door te zeggen: “Ik wacht hier op je. Nu.”
V: Door wie werd u geroepen?

A: Ik werd door [getuige 1] geroepen: “Kom naar buiten want [voornaam slachtoffer] is neergestoken”. Ik was aan het koken en ik hoorde geschreeuw. Ik ben toen naar buiten gegaan en ik zag [voornaam slachtoffer] op de grond liggen.
V: Wat zag u aan [voornaam slachtoffer] ?

A: [voornaam slachtoffer] heeft helemaal niets tegen me gezegd. Hij probeerde alleen nog adem te happen.

V: Wat voor letsel zag u?

A: Tussen zijn ribben zag ik een gat en alles onder het bloed. Het mes was er niet meer.

15.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 8] , d.d. 21 mei 2015, dossierpagina’s 164-168, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [getuige 3] :

Opmerking verbalisant: [verdachte] heeft verklaard dat hij in de Albert Heijn in Elsoo een mes en 2x 6 blikken bier Heineken heeft gekocht.
V: Heb jij die goederen gezien of had [verdachte] iets bij zich toen hij uit de winkel kwam?
A: De blikken bier heb ik gezien.
V: Heb jij dat mes gezien of hebben jullie hierover in de auto gesproken?
A: Nee, dat heb ik niet gezien. [verdachte] heeft hier ook niet over gesproken.

16.
Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 12] , d.d. 26 mei 2015, dossierpagina’s 188-194, inhoudende – zakelijk weergegeven – de nadere verklaring van getuige [getuige 4] :

Opmerking verbalisant: Uit het lopend politieonderzoek is gebleken dat er tussen [verdachte] en [voornaam slachtoffer] voorafgaand aan het incident problemen waren.

V: Wat kun jij daarover verklaren?

A: Het enige dat ik weet is dat op de dag van het incident tussen die 2 van alles gebeurd is.

V: Weet u waar die ruzie over ging?

A: Ik weet alleen dat ze ruzie hadden over een telefoontje naar de baas. [voornaam slachtoffer] zou dus de baas gebeld hebben maar waar dat over ging, weet ik niet. Ik heb alleen nog gezien dat die dag na het einde van het werk [verdachte] en [voornaam slachtoffer] opnieuw ruzie kregen. Ik weet dat de baas [werkopzichter] [het hof begrijpt: getuige [werkopzichter] ] daar ook bij was. Ik zat tijdens die ruzie al in de auto om naar huis te gaan. Ik schat dat dat ergens na 17:00 uur was. Het enige dat ik heb gehoord is dat [verdachte] en [voornaam slachtoffer] naar elkaar aan het schreeuwen waren. Wat ze riepen weet ik niet. Ik heb die ruzie ook niet gezien omdat ik in de auto zat. Ik heb alleen achteraf van [getuige 1] gehoord dat [voornaam slachtoffer] iets had geroepen van: “Ik ga je moeder neuken”. Maar dat heb ik zelf niet gehoord.

Opmerking verbalisant: Uit ons onderzoek is gebleken dat na dit incident [verdachte] in een auto is gestapt waarin jij ook zat.

V: Wie zaten er nog meer in die auto en wat is er in de auto nog gezegd?

A: Ja, [verdachte] is bij ons in de auto komen zitten met de personen die ik zojuist al noemde. We zijn eerst in de auto naar de Albert Heijn in Elsloo gereden en daarna naar de Jumbo vlakbij waar wij wonen. Bij de Albert Heijn zijn [verdachte] en [getuige 1] naar binnen gegaan. Ik ben in de auto blijven zitten.
V: Hoe was de sfeer in de auto?

A: In de auto zag ik dat [verdachte] helemaal niets zei en aan het nadenken was. Ik zag ook dat hij vanaf de Albert Heijn in Elsloo aan het drinken was. Hij dronk bier. [verdachte] was erg in zichzelf gekeerd.
Opmerking verbalisant: [verdachte] heeft verklaard dat hij in de Albert Heijn in Elsloo een mes en 2x 6 blikken bier Heineken heeft gekocht.

V: Had [verdachte] iets bij zich toen hij uit de winkel kwam en heb jij die goederen gezien?

A: Ik heb wel gezien dat hij bier had gekocht en zoals ik al aangaf begon hij daar ook van te drinken. Van een mes heb ik niets gezien.

V: Heb jij dat mes gezien of hebben jullie hierover in de auto gesproken?

A: Nee, ik heb dat niet gezien en er is ook niet over gesproken.
V: Wat heb jij gedaan toen je in Reijmerstok aankwam?

A: Toen we daar aankwamen heeft [verdachte] aan mij het nummer van [voornaam slachtoffer] gevraagd. Ik heb toen nog aan [verdachte] gevraagd waarom hij dat wilde hebben. Ik heb het uiteindelijk gegeven omdat ik dacht dat daarmee de problemen opgelost zouden zijn.
V: Heeft u meegekregen dat [verdachte] ook daadwerkelijk gebeld heeft naar [voornaam slachtoffer] ?

A: Ja, ik heb dat gesprek gehoord. Ik hoorde dat [verdachte] aan [voornaam slachtoffer] vroeg om te komen en dat [verdachte] zou wachten.

17.

Een proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris, belasting met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank Limburg te Roermond, d.d. 13 oktober 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [getuige 4] :

V: Ging [verdachte] meteen bellen toen hij het nummer van u kreeg?

A: Hij heeft het nummer ingetoetst en is naar buiten gegaan en is daar gaan bellen. Als ik had geweten waarom hij ging bellen, dan had ik hem het nummer niet gegeven.

V: Hebt u gehoord waarover het gesprek ging?

A: Ik heb gehoord dat [verdachte] vroeg “waar ben je” en dat [verdachte] zei “kom zo snel mogelijk hierheen”.

V: Heeft u [verdachte] horen zeggen tegen [voornaam slachtoffer] dat hij moest komen?

Opmerking rechter-commissaris:

Getuige merkt op dat [verdachte] na het telefoongesprek niets heeft gezegd, maar dat de getuige dacht dat [voornaam slachtoffer] niet zou komen, omdat [voornaam slachtoffer] wel bang zou zijn, gelet op de toon van [verdachte] aan de telefoon.

18.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 16] , d.d. 10 mei 2015, dossierpagina 201, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant:

Op donderdag 7 mei 2015, omstreeks 14:50 uur, sprak ik met [manager uitzendbureau] , geboren op [geboortedatum manager] te [geboorteplaats manager] , manager bij [naam uitzendbureau] uitzendbureau.

De heer [manager uitzendbureau] verklaarde:

“De man die jullie als verdachte hebben aangehouden heeft mij na het incident gebeld. Volgens de tijd in mijn telefoon was dat om 19:12 uur op woensdag 6 mei 2015. De verdachte zei dat de overledene zijn moeder zou komen neuken, maar dat de verdachte nu de moeder van de overledene geneukt had en dat hij nu hier op de grond in bloed lag en dat de politie en de ambulance hem nu kwamen halen.”

19.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgesteld door verbalisant [verbalisant 8] , d.d. 13 mei 2015, dossierpagina’s 204-206, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [manager uitzendbureau] :

Op woensdag 6 mei 2015, ik weet niet meer hoe laat, maar het was ergens tussen 13.00 en 13.30 uur, werd ik gebeld door [verdachte] . Ik noem hem zo maar hij heet eigenlijk [verdachte] .
(…)
Hij belde mij op mijn gsm met het nummer 0610662917. Ik heb hem maar een halve of 1 minuut aan de lijn gehad. Hij vertelde mij dat op zijn werk een man genaamd [voornaam slachtoffer] was, die problemen met hem zocht. Hij had onenigheid met die man op het werk. Die man zou een grote mond hebben en vloeken. Hij heeft mij niet verteld wat nou precies het probleem was.
(…)

Ik heb daarna [werkopzichter] gebeld, de projectleider in Stein. Ik heb [werkopzichter] gezegd dat ik gebeld was door [verdachte] en dat er problemen waren tussen [voornaam slachtoffer] en [verdachte] . Ik heb gevraagd om met hun beiden een gesprek aan te gaan om te vragen wat er nou aan de hand was.

(…)
V: Wanneer kreeg u [weer] telefoon van [verdachte] ?

A: Op woensdag 6 mei 2015, te 19.12 uur, kreeg ik telefoon van [verdachte] .
(…)
Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij daar was gekomen. Hij kwam hier mijn moeder en vrouw neuken, maar ik heb hem gepakt of iets aangedaan en hij ligt buiten op de grond in bloed, ambulance en politie zijn gebeld die zullen mij zo meenemen, dat je het weet. Dit is niet letterlijk wat hij gezegd heeft, maar ik weet nu niet meer precies wat hij gezegd heeft. Toen heeft hij direct opgehangen.

20.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 9] , d.d. 12 mei 2015, dossierpagina’s 202-203, inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van voormelde verbalisant inzake het uitlezen van telefoongegevens:


Op 08 mei 2015 heb ik een mobiele telefoon uitgelezen gerelateerd onder proces-verbaalnummer 2015084177-25. Onder bovenstaand proces-verbaalnummer werd de telefoon van de verdachte onderzocht. Dit betrof een Samsung Galaxy GT-i91 05p. In dit toestel bleek het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] in gebruik.


Onderzoeksvraag

Is er op 06-05-2015 na 18:31:09 uur nog telefonisch contact geweest?

Bevindingen

Uit de gespreksgegevens blijkt dat er nog eenmaal een gekozen gesprek is geweest om 17:11:44 uur UTC voor de duur van 00:01:11 minuten naar het telefoonnummer [telefoonnummer manager] [het hof begrijpt: het telefoonnummer van [manager uitzendbureau] , de manager van het uitzendbureau].

(…)
Zie hieronder de gegevens uit de telefoon:

Type Gekozen

Tijdstip 6-5-2015 17:11:44 UTC (Device)

Duur 00:01:11

Locatie Apparaat

To

Naam [manager uitzendbureau] Ergolavos [het hof begrijpt: ‘Ergolávos’, het Griekse woord voor ‘aannemer’]

Nummer [telefoonnummer manager]

Opmerking verbalisant:

Als er bij de tijdstippen UTC vermeld staat dient er 2 uur bij de tijd opgeteld te worden.

21.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 17] , d.d. 7 mei 2015, dossierpagina’s 227-231, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van de verdachte [verdachte] :


V: Je bent gisteren aangehouden door de politie. Wat is er gebeurd?

A: Ik had ruzie met een collega en die heb ik neergestoken. Er is een brug hier in de buurt waar wij werken.

V: Wat is er gisteren gebeurd?

A: Het is begonnen op ons werk. Wij doen daar schilderen en zandstralen. Ik werk hier pas twee weken. De andere collega werkt hier als zzp’er via een bedrijf, genaamd [naam bedrijf] , en ik werk ook als zzp’er maar dan via een uitzendbureau. Ik werk voor een uitzendbureau [naam uitzendbureau] , samen met vier anderen. Die andere collega wilde de boel saboteren. Deze wilde een Grieks bedrijf inschakelen om ons uit te schakelen.
Er is een collega van mij die door het slachtoffer is benaderd om dat andere Griekse bedrijf in te schakelen omdat ze daar provisie van zouden krijgen. Iemand heeft mij via [voornaam slachtoffer] proberen zwart te maken bij [werkopzichter] zodat ik mijn werk zou verliezen.
V: Hoe heet het slachtoffer?

A: [voornaam slachtoffer] is de voornaam.
Ik heb tegen [manager uitzendbureau] gezegd dat er een probleem is met [voornaam slachtoffer] . Ik zei dat hij dit tegen de algemeen opzichter moest zeggen. Zijn naam is [werkopzichter] . Het is niet dat ik niet wilde werken maar dat [voornaam slachtoffer] een gevaarlijk persoon is voor ons werk. [werkopzichter] heeft dit echter doorverteld, dit was niet de bedoeling. Ik werd nog voordat de dag was afgelopen uitgescholden door [voornaam slachtoffer] .

Toen we klaar waren met werken gingen we naar de auto’s. [voornaam slachtoffer] had een eigen auto en wij hadden een auto van het uitzendbureau. [voornaam slachtoffer] kwam achter mij aan en ik hoorde hem zeggen dat ik zou gaan boeten voor wat ik had gedaan. [voornaam slachtoffer] zei dat hij mijn moeder zou gaan neuken. Hij zou ook mijn gezin neuken.

We zijn in de auto gestapt en weg gereden. We gaan iedere dag naar een supermarkt om eten en bier te kopen. Ik had een mes en 2x 6 blikken bier gekocht.

V: Waar had je deze gekocht?

A: Het is een supermarkt met blauwe letters [het hof begrijpt: de Albert Heijn-winkel te Elsoo].
V: Wat voor een mes kocht je?

A: Een keukenmes.

V: Hoe groot?

A: Ik schat 18 tot 20 centimeter, samen met het handvat?
V: Wat gebeurt er verder?

A: Ik ging naar huis. Iemand anders had het telefoonnummer van [voornaam slachtoffer] en ik belde hem op. Ik vroeg hoe laat hij zou komen en ik hoorde hem zeggen dat hij er nu aan zou komen.
Hij kwam 10 minuten later met zijn auto. Ik heb hem gestoken met het mes.


22.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 18] en [verbalisant 8] , d.d. 10 mei 2015, dossierpagina’s 234-239, inhoudende – zakelijk weergegeven – de nadere verklaring van de verdachte [verdachte] :

V: Heb jij [voornaam slachtoffer] gebeld op woensdag 6 mei 2015?

A: Ja, ik heb hem thuis gebeld.
V: Ik heb tegen hem gezegd dat ik hem op zou wachten.

V: Van wie heb je dit telefoonnummer gekregen?

A: [getuige 4] .

Vervloekingen tegenover ouders is iets heel ergs.

23.

Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de Rechtbank Limburg te Maastricht, d.d. 15 april 2016, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van de verdachte [verdachte] :

[voornaam slachtoffer] heeft mijn moeder op een afschuwelijke manier uitgescholden. Mijn psychische gesteldheid was op dat moment niet best. [voornaam slachtoffer] had mijn moeder en mijn hele familie uitgescholden en iedereen had dat gehoord. Hij riep: “Ik ga je huis verkrachten, je zult het zien”.

De verpakking van het mes heb ik thuis weggegooid en ik heb het mes niet aan mijn vrouw laten zien.

Ik heb een van mijn collega’s om het nummer van [voornaam slachtoffer] gevraagd. Vervolgens heb ik [voornaam slachtoffer] gebeld en hem gevraagd om te komen. Ik wist zeker dat hij zou komen.

Op het moment dat ik buiten stond had ik het mes in mijn zak.