Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3104

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
200.217.074_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling nu sanieten meerdere kernverplichtingen niet (naar behoren) zijn nagekomen. Nu deze tekortkomingen sanieten kunnen worden verweten, sanieten meermaals waren gewaarschuwd, in dat kader ook verhoord zijn door de rechter-commissaris en het om meerdere tekortkomingen gaat ziet het hof daarbij geen aanleiding om de looptijd van de schuldsaneringsregelingen, zoals door sanieten is verzocht, te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 6 juli 2017

Zaaknummer : 200.217.074/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/14/388 R - 14/389 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant 1]

en

[appellante 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2]

advocaat: mr. J.M. van der Linden te Waddinxveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 mei 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 juni 2017, hebben [appellant 1] en [appellante 2] ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog te beslissen hun schuldsaneringsregelingen te beëindigen met verlening van de schone lei, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant 1] en [appellante 2] , bijgestaan door mr. Van der Linden,

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 mei 2017;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 21 juni 2017;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 23 juni 2017;

- de ter zitting door de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] overgelegde stukken, te weten een financieel plan van aanpak met betrekking tot het inlopen van de nieuwe schulden en de boedelachterstand.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 2 juni 2014 is ten aanzien van [appellant 1] en [appellante 2] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellant 1] en [appellante 2] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant 1] en [appellante 2] geen “schone lei” is verleend. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. De sanieten zijn op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. De sanieten hebben namelijk bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling een formulier met de regels daarvan ondertekend. Thans blijkt echter dat, ondanks een verhoor bij de rechter-commissaris van 3 december 2015, kernverplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling, zoals de informatie- en afdrachtplicht, niet althans onvoldoende zijn nagekomen. Van de sanieten wordt, gelet op artikel 327 juncto artikel 105 Faillissementswet, verwacht dat niet alleen alle inlichtingen worden verschaft die door de bewindvoerder of rechter-commissaris worden gevraagd, maar ook die inlichtingen waarvan de sanieten weten of behoren te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Deze spontane inlichtingenplicht is niet (in voldoende mate) nagekomen. Sanieten erkennen dat zij hiermee in gebreke zijn gebleven. Zo heeft de bewindvoerder sanieten meerdere keren verzocht relevante informatie te verstrekken zoals loonspecificaties van meneer.

De loonspecificaties zijn echter niet compleet aangeleverd waardoor de bewindvoerder niet in staat is om de maandelijkse boedelafdracht te berekenen. Er is thans een boedelachterstand van minimaal ongeveer € 1.300,00. Geschat wordt echter dat, indien alle loonspecificaties bekend zijn, de boedelachterstand ongeveer € 2.800,00 zal zijn. Daarnaast is er een verwijtbaar nieuwe schuld bij de Belastingdienst ter hoogte van € 682,00.”

3.4.

[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant 1] en [appellante 2] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant 1] en [appellante 2] stellen zich op het standpunt dat zij zich wel aan hun informatieplicht hebben gehouden door alle benodigde stukken aan de bewindvoerder te doen toekomen. Doch de bewindvoerder stelt zich op het standpunt niet alle stukken ontvangen te hebben. Dit heeft [appellant 1] en [appellante 2] doen besluiten recent weer alle stukken te doen toekomen aan de bewindvoerder. De bewindvoerder bevestigt in een email van 3 juni 2017 dat de financiële gegevens zijn ontvangen en dat de boedelachterstand nog een bedrag beslaat van € 1.291,17. [appellant 1] en [appellante 2] vinden het dan ook onbegrijpelijk dat de rechtbank van oordeel is dat de geschatte boedelachterstand na het indienen van alle loonspecificaties ongeveer € 2.800,00 zal zijn, immers deze schatting was afkomstig van de bewindvoerder, welke schatting niet door de rechtbank is geverifieerd. Daarnaast hebben [appellant 1] en [appellante 2] deze schatting op de eindzitting betwist. De rechtbank kon dan ook niet tot het oordeel komen dat de geschatte boedelachterstand € 2.800,00 zal gaan bedragen. Zoals gezegd bedraagt de boedelachterstand thans € 1.291,17. [appellant 1] en [appellante 2] zijn in staat eind juni 2017 deze boedelachterstand volledig in te lossen en zullen derhalve daartoe overgaan. Zij gaan er daarbij van uit dat de bewindvoerder dit te zijner tijd zal kunnen bevestigen. De rechtbank overweegt tot slot dat er een verwijtbare schuld is bij de Belastingdienst ter hoogte van

€ 682,00. De rechtbank onderbouwt niet waarom er volgens haar sprake is van een verwijtbare schuld. Doch inmiddels hebben [appellant 1] en [appellante 2] de schuld aan de Belastingdienst volledig voldaan en zij zullen trachten van de Belastingdienst hierover een bevestiging te ontvangen.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant 1] en [appellante 2] erkennen dat het nakomen van de (spontane) informatieplicht aanvankelijk inderdaad stroef is verlopen, maar dat hier na het verhoor bij de rechter-commissaris wel verbetering in is gekomen en dat de bewindvoerder thans ook over alle relevante informatiebescheiden beschikt. Voorts geven [appellant 1] en [appellante 2] aan dat de nieuwe schuld aan de Belastingdienst inmiddels geheel is afgelost en dat de boedelachterstand binnen een termijn van zes maanden ook geheel moet kunnen worden ingelopen. Met betrekking tot de nieuwe schuld aan VGZ stellen [appellant 1] en [appellante 2] dat zij van het ontstaan hiervan lange tijd niet door VGZ op de hoogte zijn gesteld. Eerst in maart 2017 zouden [appellant 1] en [appellante 2] hiervan naar eigen zeggen op de hoogte zijn geraakt. Dat er desondanks in de periode 2014-2017 blijkens het door VGZ verstrekte overzicht van 23 juni 2017 - als door de bewindvoerder overgelegd- wel betalingen zijn verricht welke in hoogte overeenkomen met bepaalde rekeningen van VGZ begrijpen zij dan ook niet. Daarbij erkennen [appellant 1] en [appellante 2] dat zij, nadat zij in maart 2017 van deze schuld op de hoogte raakte, de bewindvoerder hiervan niet terstond in kennis hebben gesteld. Overigens erkennen [appellant 1] en [appellante 2] de schuld aan VGZ wel, maar voegen hieraan toe gedurende de periode 2014 tot en met 2017 nooit enige nota van VGZ te hebben ontvangen. Tot slot overleggen [appellant 1] en [appellante 2] een plan van aanpak om hun schuld aan het VGZ alsmede de boedelachterstand binnen een termijn van zes maanden geheel in te lopen. Zij verzoeken dan ook, subsidiair, om hun schuldsaneringsregelingen hiertoe met deze termijn te verlengen.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 23 juni 2017 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Deze schuldsaneringsregeling kenmerkt zich door de moeizame wijze waarop informatie en relevante gegevens van [appellant 1] en [appellante 2] werden verkregen. Hoewel zij bekend zijn met de spelregels en over het verzuim van de informatieplicht ook al eens door de rechter-commissaris gehoord werden, is van regelmatige, periodieke toezending van stukken nooit sprake geweest. In aanloop naar het eindtraject wordt hen in januari 2017 nog eens gevraagd de ontbrekende gegevens op te sturen. De loonstroken van [appellant 1] worden eerst na herhaald verzoek op 28 april 2017 ontvangen. Zij hebben dan de oproep voor de eindzitting al ontvangen. De eigen bankafschriften over 2016 volgen pas op 19 mei 2017. De ontvangen gegevens werden steeds direct verwerkt in het boedeloverzicht. Op 2 mei 2017 geeft de bewindvoerder [appellante 2] een update en wordt uitdrukkelijk aangegeven dat dit een momentopname is, immers de boedelbijdrage is verschuldigd tot en met 3 juni 2017, zijnde einde looptijd. Er kan daarom steeds enkel de achterstand worden doorgegeven, niet de nog verschuldigde termijnen. Zulks blijkt nog steeds het geval. Na 3 juni 2017 hebben [appellant 1] en [appellante 2] geen financiële gegevens meer opgestuurd. Onduidelijk is wat [appellant 1] verdiend heeft in week 22, alsmede hoeveel vakantiegeld hij heeft ontvangen. In februari 2017 werd zijn vakantiegeld van het UWV (WW) volledig vrijgelaten. De nog resterende vrijlating (€842,39 - €431,68 = €410,73) is verrekend met het vakantiegeld van [appellante 2] . In totaal was nog te betalen na de eindzitting € 3.216,49, waarvan inmiddels € 1513,27 is betaald. Ter zitting is door de bewindvoerder een schatting gemaakt. In het beroepsschrift wordt aangegeven dat deze onjuist is en bovendien niet werd getoetst. Nogmaals wordt benadrukt dat, als er geen gegevens worden ontvangen, er geen exacte berekening kan worden gemaakt. Dit is nog steeds het geval. De bewindvoerder begrijpt niet hoe [appellant 1] en [appellante 2] eind juni 2017 in staat zijn de laatste boedelbijdragen te betalen zonder in financiële problemen te raken, immers binnen twee maanden € 3.216,49 ophoesten en een "nieuwe" schuld aan de belastingdienst betalen is schier onmogelijk. [appellant 1] en [appellante 2] staan onder budgetbeheer. De kredietbank Limburg stort na aftrek van betaling van huur, GWL en zorgpremie, de resterende inkomsten door. In verband met een oplopende boedelachterstand is vanaf januari 2017 verzocht ook weer de boedelbijdrage in te houden. Voor betaling van incidentele vaste lasten zijn [appellant 1] en [appellante 2] steeds zelf verantwoordelijk geweest. De bewindvoerder werd door de Belastingdienst geattendeerd op een zevental onbetaald gebleven aanslagen motorrijtuigenbelasting in de periode 2015 - 2017. Heden heeft de Belastingdienst telefonisch bevestigd dat deze aanslagen allen zijn voldaan. Nog te betalen is alleen de naheffingsaanslag Y72 ten bedrage van €15,00. Niet alleen de Belastingdienst, ook VGZ heeft de bewindvoerder in de eindfase geattendeerd op het ontstaan van nieuwe schulden. Zulks gebeurde kort voor de dan reeds geplande eindzitting. Omdat bleek van regelmatige betalingen van zorgpremies is door de bewindvoerder eerst de vraag uitgezet om betalingen te controleren en inzicht te geven in de opbouw van de schuld. De gevraagde informatie is niet tijdig (voor de eindzitting) ontvangen. Uit de van VGZ verkregen informatie blijkt dat wel degelijk sprake is van een achterstand, zijnde een "nieuwe" schuld van € 1.730.77. Al op 11 mei 2017 geeft VGZ aan dat de post ter incasso werd overgedragen. [appellant 1] en [appellante 2] moeten derhalve op de hoogte zijn geweest. Zoals uit het overzicht van VGZ blijkt zijn alle betalingen keurig geboekt op openstaande premies en kosten na toepassing van de regeling. Er zijn inderdaad steeds twee betalingen van € 108,45 per maand ontvangen. Echter ook hier bleven de declaraties en eigen bijdragen onbetaald. Een en ander bleef voor de bewindvoerder echter onduidelijk, er werden immers geen eigen bankafschriften naar haar opgestuurd.

3.7.

De bewindvoerder heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat nog € 200,= is betaald aan de boedel, zodat de boedelachterstand thans 1593,97 bedraagt, en voorts haar verzoek om de schuldsaneringsregelingen te beëindigen zonder toekenning van de “schone lei” gemotiveerd gehandhaafd. De bewindvoerder betwijfelt overigens , gezien de gang van zaken tijdens de schuldsanering, of [appellant 1] en [appellante 2] wel met € 350,= per maand voor huishoudgeld – als in het overgelegde plan van aanpak vermeld - zullen kunnen uitkomen, nu hun uitgaven veel hoger liggen, en of dit een reëel plan van aanpak is. De bewindvoerder ziet niets in een verlenging, nu daarmee de verzuimen niet kunnen worden hersteld.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.8.2.

Vast staat, temeer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk en bij herhaling hebben erkend, dat [appellant 1] en [appellante 2] ieder voor zich als ook gezamenlijk de voor hen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht niet (immer) na behoren zijn nagekomen. Een en ander klemt naar het oordeel van het hof des temeer nu [appellant 1] en [appellante 2] bij verhoor door de rechter-commissaris op 3 december 2015 nog eens nadrukkelijk op het belang van een juiste nakoming van voornoemde verplichting zijn gewezen en de gebrekkige nakoming tot op de dag van vandaag heeft voortgeduurd. Zo zijn loonstroken van [appellant 1] , waarvan reeds ten tijde van de eindzitting op 24 mei 2017 was vastgesteld dat deze niet waren overgelegd althans door de bewindvoerder ontvangen, eerst een dag voor de mondelinge behandeling in hoger beroep, derhalve op 27 juni 2017, aan de bewindvoerder toegezonden en hebben [appellant 1] en [appellante 2] nagelaten om de bewindvoerder terstond te berichten nadat zij bekend waren geworden, naar eigen zeggen in maart 2017, met de nieuwe schuld aan VGZ. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellant 1] en [appellante 2] de informatieplicht, ondanks een verhoor bij de rechter-commissaris en herhaalde aansporingen en herinneringen van de bewindvoerder, tot aan het einde van de reguliere looptijd van hun schuldsaneringsregeling niet naar behoren zijn nagekomen.

3.8.3.

Daarnaast staat vast dat de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde [appellant 1] en [appellante 2] , hetgeen zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens nadrukkelijk en bij herhaling hebben erkend, een boedelachterstand hebben laten ontstaan . Dat de exacte omvang van deze boedelachterstand niet direct voor de eindzitting bij de rechtbank door de bewindvoerder kon worden vastgesteld is een direct gevolg van het feit dat [appellant 1] en [appellante 2] tot aan een dag voor de mondelinge behandeling in hoger beroep verzuimd hebben om alle hiervoor benodigde informatie aan de bewindvoerder te doen toekomen. Daarmee is de bewindvoerder dan ook (structureel) belemmerd in de uitoefening van de op haar rustende taken (zie bijvoorbeeld artikel 316 lid 1 Fw).

3.8.4.

Voorts staat vast dat de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde [appellant 1] en [appellante 2] gedurende de looptijd van hun schuldsaneringsregeling nieuwe, en gelet op de hoogte van hun vrij te laten bedrag bovendien bovenmatige, schulden hebben laten ontstaan. De nieuwe schuld aan de Belastingdienst is voldaan, de nieuwe schuld aan VGZ niet. Daarbij komt het het hof als zeer onwaarschijnlijk voor dat [appellant 1] en [appellante 2] , zoals zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben aangevoerd, eerst in maart 2017 van deze nieuwe schuld op de hoogte raakte omdat VGZ hen voorheen geen facturen dan wel andere correspondentie met betrekking tot deze onbetaalde facturen toe zou hebben toegezonden, althans dat deze niet door [appellant 1] en [appellante 2] zouden zijn ontvangen. Zo heeft de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij ten tijde van de postblokkade wel facturen van VGZ ontving, hebben er diverse betalingen plaatsgevonden voor bedragen welke exact overeenkwamen met facturen van VGZ zoals blijkt uit het overzicht van VGZ van 23 juni 2017 en is de vordering inmiddels uit handen gegeven aan een deurwaarder, hetgeen doorgaans ook niet – zoals de ervaring leert -zonder voorafgaande correspondentie pleegt plaats te vinden. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant 1] en [appellante 2] niet kunnen worden toegerekend als bedoeld in artikel 354 lid 1 Fw noch dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 354 lid 2 Fw.

3.8.5.

Nu, tevens doordat zij bekend zijn althans redelijkerwijs geacht worden bekend te zijn met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering in welk verband het hof onder meer naar de processtukken wijst, zij daarnaast meermaals door de bewindvoerder zijn gesommeerd en zij bovendien op 3 december 2015 door de rechter-commissaris zijn gehoord en gewaarschuwd de geconstateerde tekortkomingen [appellant 1] en [appellante 2] kunnen worden verweten en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat acht het hof ook geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregelingen van [appellant 1] en [appellante 2] , zoals door hen (subsidiair) wel is verzocht, te verlengen. In het midden kan dan ook blijven of het door hen voorgestelde plan van aanpak voldoende reëel moet worden geacht.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2017.